Door:
Evert-Jan Brouwer

6 mei 2013

Categorieën

Tags

EJB‘Er komt geen MFS-III’, zo heeft minister Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking laten weten. Hoe straks verder? Columnist Evert Jan Brouwer heeft vijf suggesties. In de jaren vijftig hadden ze zo’n 700.000 leden gezamenlijk, nu nog zo’n 313.000. Toen ze begin jaren zeventig voor het eerst subsidie kregen, was dat samen zo’n €180.000, nu ruim €15 miljoen. Steeds minder leden, steeds meer subsidie, is de trend. Dat recht op subsidie is vastgelegd in een wet die ze zelf kunnen aanpassen. We hebben het hier over onze geachte politieke partijen. Van hen vindt een meerderheid dat ontwikkelingsorganisaties minder subsidieafhankelijk moeten worden. Dat ze meer moeten laten zien dat ze burgers vertegenwoordigen. Wel is het frappant dat de discussie over subsidies vooral aangezwengeld wordt door organisaties die enigszins vergelijkbare uitdagingen hebben: hoe kunnen we de band met de achterban versterken? Is een ledenpartij nog wel iets van deze tijd? Moeten we ons meer op één issue profileren? Is permanente campagne de manier om de band met de kiezer vast te houden? Of gaat het om het verbaal vermogen en het voorkomen van de leider, het gezicht van de organisatie? Een beetje boter op het hoofd hebben de politieke partijen wel. Maar nu terug naar onze eigen ontwikkelingsorganisaties. Grillig Op Oudejaarsdag 2015, de dag waarop de Millenniumdoelen gehaald moeten zijn, loopt de zogeheten MFS-2 subsidie af. Een subsidie waarmee een twintigtal NGO-samenwerkingsverbanden een groter of kleiner deel van hun ontwikkelingsprojecten financieren. De financiële managers van de organisaties hebben het beruchte zinnetje van Minister Ploumen goed in hun oren geknoopt: ‘Er komt geen MFS-3’. Wat wel aan subsidies beschikbaar komt, is nog niet helemaal bekend. In ieder geval zal het totaal aan subsidies vanaf 2016 lager zijn dan op dit moment. De overheid is in crisistijd een grillige broodheer. Elk nieuw financieel akkoord dat Den Haag in deze tijden sluit, is in boter geschreven. Elke organisatie die nu subsidie ontvangt, moet dus op zijn minst een scenario hebben hoe zij verlies aan subsidie compenseert door een groei aan andere inkomsten. Natuurlijk is ook een scenario denkbaar dat de organisatie het verlies neemt, besluit de programma’s af te slanken en vooral met eigen of andere middelen verder te gaan. Ondertussen klinkt in de reacties van sommige ontwikkelingsorganisaties op de bezuinigingsplannen de vrees door: ‘Wat blijft er straks van ons goede werk over?’ In plaats van ‘Wat zijn wij van plan de komende jaren? En willen we gebruik maken van eventuele subsidies als aanvulling om onze doelen te realiseren?’ Ik dacht dat het Cordaid was, die na ommekomst van Ploumens beleidsdocument Wat de wereld verdient, zelfbewust liet weten dat zij de overheid niet meer ziet als één van de primaire inkomstenbronnen. Zelfbewust Op 23 mei zal de Kamer met de Minister debatteren over de bezuinigingen. In de aanloop daar naartoe wil ik met enkele suggesties bijdragen aan de onderlinge discussie over subsidies en overheidsafhankelijkheid. 1. Wees zelfbewust. Weet waar je als organisatie voor staat. Als ze mij ’s nachts wakker maken en vragen waar Woord en Daad voor staat, zeg ik: ‘Woord en Daad is een christelijke ontwikkelingsorganisatie die wereldwijd mensen verbindt in de strijd tegen armoede. We zetten ons in voor onderwijs, beroepsonderwijs en bedrijfsontwikkeling in ontwikkelingslanden.’ Dat is de elevator pitch waar ik mijn handtekening voor zet. Ik heb die laatst ontwikkeld tijdens een mediatraining. Ik ben de WRR niet voor alles dankbaar, maar wel voor hun kritische noot richting ngo’s als organisaties die met teveel dingen bezig zijn  en daardoor nergens echt sterk in zijn. Als je met teveel bezig bent, wordt het lastig daarover te communiceren. Dat leidt tot onzekerheid als je het moeilijk krijgt of onder kritiek komt. 2. Stel er een eer in om een sterke, vitale achterban op te bouwen. Zeg niet te gauw dat je werk te ingewikkeld is om aan gemiddelde Nederlanders uit te leggen. Natuurlijk is het een kluif om in crisistijd je achterban te versterken en uit te breiden. Dat je elkaar daarbij tegenkomt, is onontkoombaar. Politieke partijen en bedrijven zitten in hetzelfde schuitje. Wie goed werk doet en dat ook goed uitlegt, krijgt daar uiteindelijk burgers in mee, ook al zijn het niet altijd zoveel als gehoopt. 3. Wees duidelijk over je strategische verhouding tot de overheid. Wil je een kritische rol richting de overheid spelen, doe dat met eigen middelen. Ik herinner me goed dat Woord en Daad ooit een EU-subsidie kreeg om een campagne te voeren die de EU opriep zich krachtiger in te zetten tegen AIDS in Afrika. Achteraf moesten we ons richting diezelfde EU verantwoorden of zij naar onze campagneboodschap geluisterd hadden én of wij hun  geld daarvoor goed besteed hadden. Ik had er geen goed gevoel bij. 4. Klaag niet teveel over het beleid van Buitenlandse Zaken richting ontwikkelingsorganisaties. Nederland is op dit moment van de OESO landen nog de absolute en relatieve topper als het gaat om financiering aan en via ngo’s. Het ministerie heeft de organisaties tot op heden gematst met een relatief lage eis voor eigen bijdrage: waar de drempeleis in Nederland slechts 25% is, vraagt de Britse regering 60% en de Franse 65%.  Als zelfs een groot bondgenoot van ontwikkelingssamenwerking, SGP-Kamerlid Kees van der Staaij, ontwikkelingsorganisaties prikkelt hun maatschappelijke worteling te versterken, wordt het tijd om na te denken. En hij heeft recht van spreken, want de SGP heeft relatief veel leden. 5. Wil je de Kamer zover krijgen dat ze de ‘bezuinigingen op het maatschappelijk middenveld’ verzacht, pleit dan vooral voor directe toegang tot Nederlandse financiering voor ngo’s in ontwikkelingslanden. Zij zijn uiteindelijk degenen die financiële ondersteuning nodig hebben. Oud-minister Koenders brak hier in zijn nota Samenwerken, maatwerk, meerwaarde al een lans voor, maar gaf er nooit de uitwerking aan die het idee verdiende. Naarmate Zuidelijke ngo’s politieker werk doen, wordt ondersteuning, via onze eigen organisaties of direct door de Nederlandse overheid, lastiger – de geschiedenis van steun aan oppositiegroepen, vredesgemeenschappen en protestbewegingen is niet alleen maar positief. Maar als we het eens kunnen worden over de principiële route, komen we vast ook een heel eind bij het nemen van de praktische hobbels onderweg.  

Sporten voor een betere buurt

Door Bram Posthumus | 27 januari 2020

Iedere avond verzamelen twee zussen uit Bamako de kinderen uit hun wijk op een sportveld. Intussen geven ze door de sport boodschappen over het leven mee: en de buurt verbroedert. ‘Nu komt iedereen me halen als ik om zeven uur niet op het veld ben.’

Lees artikel

‘Controle over je portemonnee is controle over je keuzes’

Door Eva Huson | 23 januari 2020

In Nepal bindt een dappere vrouwenbeweging de strijd aan met hulpafhankelijkheid en weigert ze principieel fondsen van grote, buitenlandse geldschieters. Een interview in de shift the power-reeks over hoe je als kleine hulporganisatie prima het heft in eigen hand kunt nemen.

Lees artikel

Het Malinese huis van democratie is aan verbouwing toe

Door Ayaan Abukar | 22 januari 2020

Vóór de crisis in 2012 was Mali op het oog een modeldemocratie, maar door migratie en geweld in het noorden is het land nu van geopolitieke betekenis. En het ligt in een van de drie focusregio’s van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Een tweeluik over het Malinese partnerschap: om te beginnen de politieke achtergrond, ter plekke geschetst.

Lees artikel