Door:
Jeanne Roefs

18 april 2013

Categorieën

NepalpicturesSelmaIMG_6971Wat de wereld volgens Rutte II in elk geval niet meer verdient, is een bijdrage vanuit Nederland om goed onderwijs voor kinderen in ontwikkelingslanden te helpen garanderen. Onderwijs komt in het vocabulaire van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking nauwelijks meer voor, merkt Jeanne Roefs, coördinator Global Campaign for Education Nederland op. Een volledige kaalslag dreigt. Roefs legt uit waarom deze ontwikkeling zorgelijk is. Haar beleidsnota ‘Wat de wereld verdient’ laat er geen twijfel over bestaan: minister Ploumen gaat korte metten maken met een van de meest concrete en effectieve beleidsonderdelen van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking van de afgelopen decennia – tenminste te oordelen naar de overwegend positieve IOB-evaluatie van  tien jaar Nederlandse onderwijshulp, ‘Education matters’, uit 2011. Desalniettemin wordt de steun aan onderwijs in ontwikkelingslanden, waarop door het vorige kabinet al het meest werd bezuinigd, de komende jaren versneld afgebouwd. In 2010 investeerde Nederland nog ruim een half miljard euro in onderwijshulp; ongeveer tweederde in basisonderwijs, de rest in hoger onderwijs en kennis- en onderzoeksinstellingen. Als het aan minister Ploumen ligt, blijft daar in 2017 slechts zo’n € 40 miljoen van over. Geld dat – geheel in lijn met het nieuwe beleid– vooral zal worden uitgegeven in Nederland zelf, namelijk aan beurzenprogramma’s en onderzoeksinstellingen. Kortzichtig Dat onderwijs niet terugkomt als prioriteit viel – met het oog op continuïteit van beleid – nog te verwachten en te billijken. Maar dat het belang van onderwijs voor ontwikkeling zodanig wordt gebagatelliseerd, dat het in de beleidsnota amper nog wordt genoemd, is het andere uiterste. Dat is niet alleen kortzichtig beleid; het is ook een gemiste kans voor effectieve investeringen in de speerpunten. Onderwijs wordt niet alleen radicaal van de agenda geschrapt als zelfstandige post, het wordt ook niet genoemd in de nota bij de speerpunten. Zelfs niet bij vrouwenrechten of het speerpunt Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten. Dat is – op z’n zachtst gezegd – vreemd. Verhoging van de onderwijsdeelname van meisjes is dé manier om zowel de positie en het zelfbeschikkingsrecht, als de gezondheid van meisjes en vrouwen te verbeteren. Dat is afdoende aangetoond in tal van onderzoeken. Naarmate meisjes langer onderwijs volgen, trouwen ze later, krijgen op latere leeftijd hun eerste kind, en hebben ze kleinere gezinnen. Onderwijs is dan ook het meest probate middel tegen kindhuwelijken, tienerzwangerschappen en moedersterfte. Ook helpt het HIV-besmetting voorkomen; onderwijs ‘an sich’,  niet per seksuele voorlichting op school. Omdat geschoolde moeders beter voor hun kinderen kunnen zorgen, leidt hogere onderwijsdeelname van meisjes ook tot aantoonbaar minder ondervoeding en lagere kindersterfte. Slachtoffer Allemaal prioritaire doelen volgens minister Ploumen’s beleidsnota, maar toch wordt onderwijs in de paragraaf over vrouwenrechten en SRGR niet eens genoemd. Sterker nog: een van de eerste slachtoffers van de bezuinigingen op onderwijs is FAWE (Forum for African Women Educationalists). Dit vrouwennetwerk steunt in 32 landen in Afrika initiatieven en programma’s om onderwijsdeelname van meisjes te bevorderen, en om geweld tegen vrouwen, kindhuwelijken en tienerzwangerschappen te voorkomenen. Met Nederland verloor FAWE haar belangrijkste donor, waardoor de organisatie al drastisch heeft moeten bezuinigen op personeel en activiteiten en nu zelfs dreigt om te vallen. Economische groei Ook de impact van onderwijs op onder meer individuele inkomens, economische groei en landbouwproductie is ruimschoots wetenschappelijk aangetoond. De IOB heeft het in 2011 nog eens op een rijtje gezet in het literatuuronderzoek  ‘Lessons Learnt’. Op individueel niveau is er definitief bewijs dat onderwijs bijdraagt aan de kans op werk, voor mannen maar zeker ook voor vrouwen. Op macroniveau is er voldoende bewijs dat kwalitatief goed onderwijs economische groei versterkt.  Goed en relevant opgeleide arbeiders dragen ook bij aan het verspreiden van kennis en het vergroten van capaciteit voor innovatie, twee belangrijke zaken voor het realiseren van economische groei. Voor een regering die inzet op economische ontwikkeling en het creëren van werkgelegenheid in ontwikkelingslanden, zou investeren in een goed opgeleide (beroeps)bevolking dan ook een onmisbare randvoorwaarde moeten zijn. Geen internationale inzet Wat het Nederlandse ontwikkelingsbeleid betreft, heeft het thema echter afgedaan. Minister Ploumen lijkt er, evenals haar voorganger Knapen, vanuit te gaan dat het nu aan anderen is om te investeren in dit fundament voor ontwikkeling. Toch blijkt nergens uit dat Nederland zich internationaal wil inzetten voor voldoende steun voor onderwijs. In de EU en in het overleg over de Ontwikkelingsagenda na 2015 vraagt minister Ploumen vooral aandacht voor de eigen speerpunten. Ook maatschappelijke organisaties hoeven in de toekomst niet meer te tenderen op overheidssubsidie voor onderwijsactiviteiten; programmafinanciering zal er alleen nog zijn voor activiteiten op het gebied van de speerpunten. Veel te rooskleurig In ‘Wat de wereld verdient’ en eerder in een brief aan de Tweede kamer over de Post 2015 Ontwikkelingsagenda, noemt minister Ploumen de Millenniumdoelen voor onderwijs ‘in zicht’ en ‘met extra inspanningen haalbaar’. Dat beeld is echter veel te rooskleurig. Gebrek aan toegang tot onderwijs van goede kwaliteit is nog steeds een urgent probleem. Volgens het laatste Unesco-rapport krijgen 250 miljoen kinderen van schoolgaande leeftijd (40%!) geen, te kort of zulk slecht onderwijs dat ze niet leren lezen en schrijven. Ook zijn 200 miljoen jongeren (1 op de 5) in ontwikkelingslanden analfabeet en daardoor nagenoeg kansloos op de arbeidsmarkt. Wie die ‘extra inspanningen’ gaat leveren is volstrekt onduidelijk. Volgens Unesco is er jaarlijks € 26 miljard aan extra geld nodig om tenminste basisonderwijs van goede kwaliteit voor alle kinderen te garanderen. Ondanks dat ontwikkelingslanden zelf steeds meer investeren in onderwijs – de lage inkomenslanden gemiddeld zelfs ruim 7% meer sinds 1999  – kan een aantal landen nog niet zonder hulp van buitenaf.  Sinds 2010 stagneert echter de externe steun voor onderwijs. Als die trend doorzet, gaan er in 2015 minder kinderen naar school dan nu; met name in de armste landen in Afrika. Het vorige kabinet bezuinigde het meest op bilaterale onderwijsprogramma’s in (voormalige) partnerlanden. Tegelijk met Nederland trok een aantal andere donorlanden zich terug uit de onderwijssector. Van overleg over, laat staan coördinatie, bij de keuze voor partnerlanden of sectoren was nauwelijks sprake. Met heel veel moeite zijn er in de meeste (voormalige) partnerlanden andere donoren gevonden die het wegvallen van de Nederlandse steun deels compenseren. Althans de komende paar jaar. De trend is echter niet hoopvol. Volgens de laatste OECD-cijfers daalde in 2012 de bilaterale hulp aan de armste landen met maar liefst 12%. Internationaal onderwijsfonds (Voormalig) Nederlandse partnerlanden Burkina Faso, Benin, Zambia en Jemen hebben een forse bijdrage moeten vragen van het Global Partnership for Education (GPE) om hun onderwijsbegroting rond te krijgen. Nederland draagt dit en volgend jaar nog € 30 miljoen bij aan dit internationale onderwijsfonds; een bijdrage die een zorgvuldige afbouw van de Nederlandse onderwijssteun moet helpen garanderen. Volgend jaar moet het GPE weer op zoek naar geld om nieuwe aanvragen te kunnen financieren. De garantie van Nederland strekt echter niet verder dan 2014, zo blijkt uit het financiële plaatje dat minister Ploumen bij haar beleidsnota  schetste. Op de post onderwijs wordt in 2014 € 65 miljoen bezuinigd ten opzichte van de begroting voor 2013, oplopend tot € 125 miljoen in 2017. Dan resteert een bedrag van zo’n € 40 miljoen. Gebonden hulp Het enige beleidsonderdeel dat wordt gespaard, is het beurzenprogramma. Dit heeft tot doel studenten uit ontwikkelingslanden in Nederland hoger of universitair onderwijs te laten volgen, zodat er meer hoog opgeleid kader wordt gevormd in ontwikkelingslanden. Buitengewoon nuttig en belangrijk, maar niet de meest urgente hulp voor de allerarmsten. Beurzenprogramma’s zijn populair in donorlanden. Van alle internationale steun voor onderwijs in ontwikkelingslanden, wordt nu al een kwart besteed aan beurzenprogramma’s. In wezen is het een vorm van gebonden hulp, want dat geld gaat niet naar ontwikkelingslanden, maar wordt besteed in de donorlanden zelf.  Die hulp voor studenten uit relatief beter gesitueerde groepen, gaat vaak ten koste van goed basis en voortgezet onderwijs voor de armste bevolkingsgroepen in ontwikkelingslanden zelf.  Unesco rekende voor dat van de studiebeurs voor een Nepalese student in Japan, onderwijs voor 229 jongeren in Nepal zelf kon worden bekostigd. Geleerde lessen In het hoofdstuk ‘Geleerde lessen’ constateert de minister zelf al dat mensen en landen alleen zichzelf kunnen ‘ontwikkelen’. Ontwikkeling kan niet zonder onderwijs; goed onderwijs is voor iedereen en overal de eerste stap naar zelfredzaamheid. Het minste dat deze regering kan doen is – waar mogelijk en relevant – onderwijsactiviteiten integreren in de speerpunten. Om te beginnen bij SRGR. Ook zou Nederland moeten opkomen voor voldoende internationale steun voor onderwijs in de EU en ander internationaal overleg. Tenslotte zou Nederland nog iets van zijn belofte om de Millenniumdoelen en de Education for All doelen te helpen realiseren, kunnen waarmaken door ook na 2014 de bijdrage aan het Global Partnership for Education te continueren. Jeanne Roefs, coördinator Global Campaign for Education Nederland      

Hoe de ziel uit de ngo-sector verdwijnt

Door Marc Broere | 13 november 2019

Ze behoren tot de pioniers en innovators van de milieubeweging en ontwikkelingssamenwerking in Nederland en vormden decennialang een spraakmakend duo. Hoewel ze volop genieten van hun pensioen, luiden Ron van Huizen en Hans Guijt de noodklok over een ontwikkeling die hen zorgen baart: raden van toezicht die ontwikkelingsorganisaties willen laten besturen alsof het bedrijven zijn. ‘Stop met de idiote doelstelling dat je altijd moet groeien.’

Lees artikel

Deugen de meeste mensen nu wel of niet?

Door Hans Beerends | 31 oktober 2019

Historicus Rutger Bregman stelt in zijn nieuwe boek dat de meeste mensen deugen, verwijzend naar de prehistorie. Daar staat volgens Hans Beerends tegenover dat veel deugende mensen zich ook gemakkelijk laten misleiden.

Lees artikel

Het Raadsel van de ander

Door Vice Versa | 08 oktober 2019

In de nieuwe Vice Versa die komend weekend verschijnt staat ‘de ander’ centraal en zoeken we naar een nieuw, progressief narratief. Angst voor de ander kun je alleen bestrijden met menselijke verhalen, schrijven Ayaan Abukar en Marc Broere.

Lees artikel