Door:
Ellen Mangnus

22 maart 2013

Categorieën

Tags

Ellen MangnusDit keer geen Vrijdagmiddagborrel maar een aflevering van ‘Filosoferen met Ellen’ waarin Ellen  Mangnus actuele vraagstukken uit de ontwikkelingssector aan de knapste koppen uit de wereldgeschiedenis voorlegt. Hoe zou de Duitse filosofe Hannah Arendt over de volgzaamheid van de Nederlandse ngo’s hebben gedacht? ‘Nederlandse ontwikkelingsorganisaties waren vroeger te kritisch op het bedrijfsleven, maar nu te kritiekloos.’ Aldus Rolien Sasse, scheidend directeur van Simavi in Vice Versa nummer 6 van het afgelopen jaar. ‘Het is nu cool om met bedrijven samen te werken. Je krijgt subsidie en media-aandacht.’ Stefan Verwer, directeur van lokaalmondiaal en Coolpolitics stelde een aantal maanden geleden tijdens het Smart Aid debat dat de Nederlandse ontwikkelingssector steeds meer in de rol van uitvoerders van overheidsbeleid is vervallen. Volgens hem komt dit doordat de overheid de beleidsruimte voor organisaties inperkt en de ontwikkelingssector in het keurslijf van subsidiekaders en een evaluatiemechanisme wordt gedrukt. De woorden van Sasse en Verwer zetten me aan het denken. Ik ben ervan overtuigd dat de gemiddelde ontwikkelingswerker een geboren criticus is. Dagelijks wordt ik geïnspireerd en aan het denken gezet door kritische collega’s en ontwikkelingswerkers die ik ontmoet in het veld. Maar als ik aan de sector als geheel denk, zie ik toch vooral organisaties die, hooguit onder wat gemorrel, meewaaien met flink wat winden. Hannah Arendt Kritiekloos zijn lijkt misschien een makkelijke weg en geeft garantie op een inkomen, maar volgzaamheid lijkt me voor de sector een gevaarlijke keuze. Hannah Arendt kan me helpen uit te leggen waarom. Ahrendt werd op 14 oktober 1906 geboren in de buurt van Hannover. Haar ouders waren joods. Ze ging filosofie studeren en kwam al op jonge leeftijd in contact met grote denkers van die tijd. In 1933 moest ze Duitsland verlaten na een arrestatie door de Gestapo en een achtdaags verblijf in de gevangenis. Ze werd vooral bekend om haar ideeën over totalitarisme en over het ‘kwaad’. Hannah Arendt gebruikt de figuur Eichmann voor haar studie naar het kwaad. Eichmann had als Duitse ambtenaar miljoenen joden om het leven gebracht. In tegenstelling tot wat je zou verwachten, zag deze man er niet uit als een gemeen monster. Arendt vroeg zich af hoe hij toch tot zulke gruwelijke daden kon komen. Haar verklaring was dat dat enkel kon zijn omdat hij braaf bevelen volgde en slechts voor een klein onderdeel van Hitlers vernietigingsmachine verantwoordelijk was. Hij voerde keurig de taken uit die hem werden opgedragen. Eichmann probeerde zich te verdedigen met het argument dat hij enkel een radertje in het geheel was, en dat iedereen hetzelfde had kunnen overkomen. Hannah vond dat de ‘keuze’ om een radertje te zijn gelijk staat aan ergens mee instemmen en dus schuldig zijn. Volgens haar moet elk mens zich een oordeel kunnen vormen over politieke situaties en om die reden moeten zij ook participeren in de publieke sfeer. Oordelen De publieke sfeer was in Arendts’ denken namelijk dé plek waar actoren met hun verschillende achtergronden en ervaringen elkaar ontmoeten om een consensus te bereiken. Ze bedrijven er politiek. Politiek gaat om uitwisselen van visies, om overleggen en om overeenkomen. Het is een proces waarbij mensen hun ideeën blootleggen aan de kritische blik van de publieke sfeer. Zonder ideeën kenbaar te maken en open te stellen aan kritiek zou een persoon opgesloten kunnen raken in zijn eigen denken. Wanneer mensen stoppen met denken over de gevolgen van hun eigen handelingen, kunnen ze in staat zijn tot slechte daden. Arendt zag een dreiging in onze westerse politieke instrumenten. Referenda en de democratische ‘stem van de meerderheid’ beperken juist de vrijheid om met elkaar te debatteren en tot overeenstemming te komen. Alleen door zelf te participeren in de publieke sfeer wordt het menselijk vermogen om te oordelen in stand gehouden. Participeren en kritisch zijn voorkomen dus volgzaamheid en het (onbewust) uitvoeren van slechte daden. Pluraliteit Volgens Arendt is het de verscheidenheid aan ideeën en visies die de politiek voedt en scherp houdt. Pluraliteit vormt de basis van politiek en daarmee van het oordelen. De subsidiekaders en evaluatiemechanismen waar Stefan Verwer het over had, hebben misschien wel eenzelfde effect als referenda en de stem van de meerderheid: ze snoeren een kritisch debat. Als we naar Arendt luisteren is het juist noodzakelijk om verschillende ideeën te blijven uitwisselen en kritisch te blijven. Misschien kunnen we door volgzaamheid onszelf op de korte termijn staande houden, maar het gevaar ligt op de loer dat we op den duur niet meer bijdragen aan ontwikkeling. Ellen Mangnus (29) werkt als adviseur duurzame economische ontwikkeling bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Ook is ze bezig met promoveren op het onderwerp coöperatievorming. Voor de papieren Vice Versa verzorgt ze de vaste rubriek ‘Filosoferen met Ellen.’  

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel