Door:
Emma-Jane Tolenaar

28 februari 2013

Categorieën

Tags

Op 30 januari werd Shell veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding vanwege de olievervuiling in de Nigerdelta. Voor het eerst in de geschiedenis moest een Nederlandse multinational zich verantwoorden voor het handelen van een buitenlandse dochteronderneming. Waarom gebeurt dit zo weinig en wat is de waarde van deze uitspraak voor de toekomst? Vice Versa vroeg het aan Marie-José van der Heijden, expert op het gebied van privaatrecht. In 2009 werd Shell voor de rechter gedaagd. De Nigeriaanse tak van het bedrijf – Shell Petroleum Development Company of Nigeria (SPDC) -werd beschuldigd van nalatigheid bij het onderhoud van haar pijpleidingen in de Nigerdelta. Doordat de pijpleidingen slecht waren onderhouden raakte grote delen van de Nigerdelta vervuild met ruwe olie. Deze milieuvervuiling zorgde er voor dat vele boeren en vissers hun inkomstenbron verloren en niet langer in staat waren om in het levensonderhoud van hun gezinnen te voorzien. Naar aanleiding van deze situatie spande Milieudefensie – namens vijf Nigeriaanse boeren en vissers – in 2009 een rechtszaak aan tegen Shell. Op 30 januari jongstleden oordeelde de rechter dat Shell Nigeria in een van de vijf zaken aansprakelijk is en een  schadevergoeding moet betalen aan de eiser. Alle andere door Milieudefensie tegen Shell ingestelde vorderingen werden afgewezen. Waarom is het zo moeilijk om een multinational voor de rechter te dagen? Verantwoordelijkheid Van der Heijden is universitair docent aan het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht. Zij is in 2011 op het onderwerp van foreign direct liability gepromoveerd en heeft verschillende publicaties geschreven over ondernemingen, mensenrechten en risico’s. Van der Heijden vertelt in het kort waarom het zo moeilijk is om een rechtszaak tegen een multinational aan te spannen: ‘Een multinational is juridisch gezien geen rechtspersoon. Daarom moet er worden gekeken welke entiteit binnen het bedrijf als rechtspersoon verantwoordelijk voor welke gedragingen is. Binnen de casus van de Nigerdelta leidde dit tot vier rechtspersonen: de Nigeriaanse Shell Petroleum Development Company of Nigeria (SPDC) en de verschillende moedervennootschappen in Engeland en Nederland. Vervolgens moest er worden gekeken wie van deze rechtspersonen daadwerkelijk verantwoordelijkheid droeg. Het moederbedrijf is alleen verantwoordelijk voor het handelen van haar dochteronderneming wanneer zij zich direct bezig houdt met de dagelijkse leiding van deze dochteronderneming. Dit maakt het lastig om een moederbedrijf ter verantwoording te roepen.’ Schadevergoeding ‘Zelfs wanneer zou blijken­ dat het onderhoud van de pijpleidingen van Shell niet goed is, dan nog kan een rechter alleen over specifieke situaties oordelen. In deze zaak koos Milieudefensie voor vijf boeren en vissers waarvan zij meenden dat daarvoor het meeste en meest overtuigende bewijs kon worden aangeleverd dat de concrete schade die zij hadden geleden (rechtstreeks) veroorzaakt was door nalatigheid van Shell. De vraag was of Shell Nigeria de afsluiters eerder en beter had kunnen afsluiten en of er wel of geen sprake was van sabotage. Volgens het Nigeriaans recht dat in deze zaak van toepassing was geldt namelijk de regel dat de uitvoerder, SPDC, alleen in geval van slecht onderhoud aansprakelijk is, en dat het bedrijf in geval van sabotage niet aansprakelijk is.’ Van der Heijden: ‘Een van de eerste vragen en potentiële obstakels in deze grensoverschrijdende zaken is: “Hoe kan je als Nederlandse milieuorganisatie het Nigeriaanse milieu en de belangen van Nigeriaanse boeren behartigen?” Met andere woorden: wat heeft Milieudefensie hier mee te maken? Dit is een gegronde vraag en de rechter heeft deze vraag tot twee keer toe moeten behandelen. Bij gebrek aan een afdoende antwoord had de rechter Milieudefensie in hun vorderingen niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Mijns inziens kunnen en moeten ngo’s beter op deze ontvankelijkheidvraag anticiperen. Het is verstandig om de steun van een internationale ngo te zoeken die ook het Nigeriaanse milieubelang behartigt door bijvoorbeeld in Nigeria actief te zijn, zodat de ontvankelijkheidsvraag überhaupt geen obstakel vormt.’ Na het behandelen van deze vraag ging de rechtszaak door, en tegen veler verwachtingen in werd SPDC in een van de gevallen veroordeeld tot een schadevergoeding. Dat een dergelijke schadevergoeding voor een bedrijf als Shell een schijntje is staat vast, maar toch is deze uitspraak van grote waarde: ‘De uitspraak is een teken naar andere multinationals, en in het bijzonder naar de moedervennootschappen, dat zij wel degelijk het risico lopen om aansprakelijk gesteld te worden voor schendingen die elders zijn begaan.’ Meer rechtszaken Van der Heijden verwacht dat er in de toekomst meer zaken tegen multinationals aanhangig worden gemaakt omdat de laatste jaren is ontdekt dat mensenrechten ook door middel van civiel recht gehandhaafd kunnen worden.  ‘Naast de eerdere Nederlandse strafzaak tegen Trafigura maakt het civiel recht – en mogelijk ook het financieel recht – door meer transparantie te eisen een bredere aanpak mogelijk. Binnen het Nederlandse rechtssysteem werden mensenrechten en internationaal milieurecht enerzijds, en civiel recht anderzijds, tot op heden altijd gescheiden behandeld. De civielrechtelijke handhaving van mensenrechten of het milieurecht, die we in de Shell-zaak zien is voor Nederland een noviteit. Dit maakt overigens niet dat moedervennootschappen eerder aansprakelijk zullen zijn maar wel dat mensenrechten nog meer meegenomen zullen worden als handelsrisico.’ Binnen deze ontwikkeling is een belangrijke rol voor ngo’s weggelegd. ‘Het kost veel geld om een rechtszaak aan te spannen en de ongelijkheid tussen boeren en vissers enerzijds, en multinationals anderzijds, is groot. Multinationals hebben vaak overvloedige middelen en kunnen tot in lengte van dagen blijven procederen. Door gebrek aan juridische en feitelijke kennis en financiële middelen kunnen individuen zelf geen rechtszaak aanspannen tegen deze bedrijven. Hier kunnen ngo’s optreden als pleitbezorgers. Een groot deel van het takenpakket van ngo’s bestaat uit het opkomen voor belangen en rechten van mensen wereldwijd, en dit soort rechtszaken kunnen daar onderdeel van uit maken. Zonder de inzet van ngo’s en meer gespecialiseerde advocaten wordt het een heel stuk moeilijker – zo niet onmogelijk – om rechtszaken tegen multinationals aan te spannen, laat staan te winnen.’ Kelderende aandelen Toch hebben multinationals volgens Van der Heijden vaak meer te vrezen van hun eigen aandeelhouders dan van de rechter. ‘Veel multinationals zijn beursgenoteerd en hebben dus niet alleen te maken met de rechtbank, maar ook met hun aandeelhouders en investeerders. Dit beleggende publiek reageert vaak explosief op negatieve media-aandacht rondom multinationals.’ ‘Daarnaast’, vertelt van der Heijden, ‘zijn er momenteel nieuwe en verdergaande transparantie-eisen binnen de EU en in de VS voor aan de Amerikaanse beursgenoteerde ondernemingen. Deze eisen betekenen dat de kapitaalmarkt en daarmee dus ook institutionele beleggers zoals pensioenfondsen – meer inzicht krijgt in het doen en laten van de multinationals.’ ‘De verplichte rapporteringen die deel uitmaken van deze transparantie-eisen benadrukken het belang van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) voor multinationals. Transparantie betekent dat onvolledige rapportage wordt bestraft met sancties en dat bedrijven verplicht zijn om een transparant inzicht in hun geldstromen te geven. Daarnaast betekent het ook dat er meer informatie beschikbaar komt om zaken aanhangig te maken en beter te onderbouwen. Temeer omdat MVO steeds minder wordt geassocieerd met softe richtlijnen en steeds meer onderdeel wordt van hard recht, risico-analyse en –beheersing en dus van corporate governance. De nieuwe transparantie-eisen en de civielrechtelijke handhaving van mensenrechten bieden een goed begin voor meer MVO door multinationals. Uiteindelijk is dat waar het om draait: het dragen van maatschappelijke verantwoordelijkheid door bedrijven hier én daar.

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel