Door:
Wiet Janssen

28 november 2012

Categorieën

Tags

In bijna alle landen van de wereld gaat het de laatste decennia steeds beter. De economie groeit, gemiddeld genomen worden de mensen steeds rijker en de armoede neemt af. Ook Sub-Sahara-Afrika, de armste regio, ontwikkelt zich. Maar uit de cijfers blijkt dat de ontwikkelingshulp daar maar weinig aan bijdraagt. Er zijn echter tekenen dat de hulp aan het veranderen is, betoogt Wiet Janssen. Uit de cijfers van de Wereldbank (zie: World Databank) blijkt dat Sub-Sahara-Afrika (SSA) nog steeds heel erg arm is. Ongeveer de helft van de mensen moet zien rond te komen met minder dan 1,25 dollar per dag aan purchasing power parity (PPP), dat wil zeggen: het bedrag in lokale valuta dat nodig is om een pakket goederen te kopen dat in de Verenigde Staten 1,25 dollar zou kosten. Tussen 1981 en 1993 nam de armoede in SSA zelfs verder toe en steeg het percentage mensen met een inkomen van minder dan 1,25 dollar van 52% naar 59%. Daarna is het gedaald, en in 2008 was het 48%. Sinds 1981 is er dus niet veel verbeterd.  Maar het goede nieuws is dat bijna alle landen in SSA nu al zo’n 10 á 15 jaar een duidelijke economische groei  doormaken. En ook de levensomstandigheden verbeterden. Een veel gebruikte indicator voor ernstige armoede is het percentage kinderen onder de vijf jaar dat te kort is (‘stunted’) voor hun leeftijd. Het is een teken van systematisch te weinig en/of slecht eten. Het gemiddelde percentage stunting lag jarenlang boven de 40%, maar in 2011 was het gedaald tot net eronder. Het betekent wel dat nog steeds in 40% van de Afrikaanse gezinnen een groot deel van de tijd honger wordt geleden. Hoe dan ook, de armoede wordt langzaam wat minder. Vrij zwak Kunnen we daaruit opmaken dat de ontwikkelingshulp heeft gewerkt? Ik denk van niet. Tabel 1 toont voor verschillende landen de cijfers voor de hoeveelheid hulp per inwoner per jaar, en de groei van het gemiddeld inkomen per inwoner in koopkracht. Buiten beschouwing gelaten zijn landen die recent nog in conflicten verwikkeld waren, rijkere landen, ministaatjes etcetera, en ook landen waarvoor geen gegevens beschikbaar waren ten aanzien van het percentage stunting. Er blijkt slechts een zeer zwakke relatie te zijn tussen hulp en economische groei. Tabel 2 toont de groei van de koopkracht per persoon en de afname van het percentage stunting. Per land wordt de mate van stunting maar eens in de zoveel jaar onderzocht, en de periode waarop de data betrekking heeft, verschilt ook per land. De groeicijfers wijken daarom ook iets af van die in tabel 1. De tabel laat zien dat de afname van stunting in de onderste helft van de tabel gemiddeld iets hoger is, en dat daar ook de groeicijfers hoger zijn. In de twee landen met de laagste economische groei neemt het percentage stunting zelfs toe. Er blijkt dus een relatie te zijn tussen groei en de afname van stunting, maar ook deze is niet erg sterk. Er is dus inderdaad een relatie, zowel tussen hulp en economische ontwikkeling, als tussen economische ontwikkeling en stunting. Maar beiden zijn vrij zwak. Daar is ook een logische verklaring voor: de hulp is nauwelijks gericht op economische groei en voor zover die hulp dat wel is, wordt die vaak verstrekt aan de regeringen van de ontwikkelingslanden. Daarvan komt maar weinig bij de armen terecht. De kennis en vaardigheden die de mensen nodig hebben om voldoende voedsel te produceren worden hen niet aangereikt. Het lager onderwijs is in het algemeen dramatisch slecht en kinderen leren er niets waarmee ze uit de armoede zouden kunnen ontsnappen. Het percentage stunting blijft daarom hoog. Niet beter Er doet zich nog een ander mechanisme voor dat ervoor zorgt dat de hulp niet bijdraagt aan een afname van stunting. Vrij veel hulp wordt gegeven op het gebied van schoon drinkwater en gezondheidszorg. Die voorzieningen dragen er echter toe bij dat ernstig ondervoede kinderen vaker in leven blijven. Stunting wordt er dus door verergerd. In veel gevallen leidt het zelfs tot hersenletsel. Er is hierover uitgebreid onderzoek gedaan, onder andere door Gibson en Mace van PLOS Magazine. Waar over langere perioden ernstige voedseltekorten zijn, maken schoon drinkwater en gezondheidszorg de situatie niet beter. Hulp op deze terreinen leidt meestal niet tot een betere situatie voor de armen. In de landen in Afrika is de sociale cultuur heel anders dan in de rijke landen. Officiële regels doen er meestal niet zoveel toe. Wie een probleem heeft, zoekt iemand met invloed – bij voorkeur iemand uit de grootfamilie – en die helpt dan. Daar moet op een zeker moment wel een wederdienst tegenover staan: werkzaamheden, geld, kopen in de winkel van die persoon, etcetera. Bij de verkiezingen gaan de stemmen meestal naar de sterke man van de bevolkingsgroep waartoe men behoort. Een evaluatie van de activiteiten van het Netherlands Institute for Multiparty Democracy (NIMD) concludeerde dat de bezigheden van het NIMD bijzonder weinig concrete resultaten hadden opgeleverd. Ook de geldstromen naar regeringen van ontwikkelingslanden leiden meestal niet tot ontwikkeling. De ambtenaren zijn meestal niet voldoende opgeleid om er effectieve projecten mee te realiseren. Ook blijkt uit verschillende onderzoeken dat gemiddeld zo’n 30% van de hulp aan de strijkstok blijft hangen. En een onderzoek van Rajan en Subramanian liet zien dat veel van de euro’s en dollars van de hulp worden omgewisseld in de lokale munteenheid, die door die grote vraag in waarde stijgt. Daardoor gaat het prijsniveau omhoog en kunnen fabrieken minder goed concurreren met importen. Volgens het onderzoek veroorzaakt een bedrag aan hulp ter grootte van één procent van het nationaal product van het ontvangende land gemiddeld genomen een vermindering van de groei van de maakindustrie met 0,45%. Genereren van inkomsten De traditionele manieren van hulpverlenen levert dus niet veel op. Maar hulporganisaties richten zich steeds vaker (ook) op opleidingen en trainingen, zodat mensen in staat zijn een inkomen te verdienen. Enkele voorbeelden: tot voor kort beperkte het Programma Uitzending Managers (PUM) zich tot het uitsturen van gepensioneerde managers naar bedrijven in ontwikkelingslanden, voor een of twee weken. Het bezwaar daarvan is dat weliswaar het acute probleem wordt opgelost, maar er meestal nog honderd andere problemen zijn die blijven liggen. In 2011 heeft het PUM echter een nieuwe dienst gecreëerd: het geeft nu ook langdurig advies aan instellingen voor beroepsonderwijs in verschillende landen. De kwaliteit van het beroepsonderwijs kan zo aanzienlijk worden verbeterd. Oxfam Novib laat spotjes zien op de televisie waarin wordt getoond hoe dankzij beter en meer op de praktijk gericht onderwijs mensen zich een inkomen kunnen verschaffen en zo een beter leven kunnen krijgen. Ook Wilde Ganzen legt in haar advertenties uit hoe de armen een inkomen kunnen verdienen en hun situatie kunnen verbeteren, bijvoorbeeld door training op het gebied van landbouw. The Hunger Project besteedt eveneens veel aandacht aan praktische opleidingen. En Rijk Zwaan, een Nederlandse zadenhandelaar, heeft in Tanzania een opleidingsinstituut opgericht om lokale boeren te trainen. Overbodig Het accent van de hulp lijkt dus wat te verschuiven naar training en opleidingen gericht op het genereren van inkomen. Het is hulp die zichzelf uiteindelijk overbodig maakt. Recent had ik een gesprek over dit onderwerp met een ambtenaar bij de D.G. 8 in Brussel, de afdeling voor ontwikkelingshulp. We waren het er helemaal over eens dat praktisch onderwijs en training de meest effectieve manier was om de armoede en de honger te beschrijven. De D.G. 8 zou er wel meer aan willen doen. Maar de politici van de EU-landen blijven de traditionele thema’s voorrang geven omdat die de ngo’s en de kiezers het meeste aanspreken. Overschat Ontwikkeling en vermindering van de armoede komen vooral tot stand door een combinatie van vlijt en ondernemingszin enerzijds, en kennis en kunde anderzijds van de mensen in de ontwikkelingslanden zelf. Maar aan kennis en kunde schort het vaak nog. Het wordt vaak overschat wat we met ontwikkelingshulp kunnen bereiken. We kunnen de sociale cultuur in de ontwikkelingslanden niet veranderen, noch de corruptie, noch de kwaliteit van het bestuur. Schoon drinkwater en medische verzorging hebben geen zin als er een te kort aan voedsel is, en bovendien maakt hulp op dat gebied de armen blijvend afhankelijk van onze zorg. Maar door praktisch onderwijs en training kunnen de armen een inkomen verdienen, en dan zijn ze niet meer arm. En dat kunnen we met de ontwikkelingshulp wel bereiken. Laten we daarom ophouden met die thema’s waar we toch niet verder meekomen, en ons concentreren op toepassingsgericht onderwijs en training. Gelukkig zien steeds meer organisaties op het gebied van ontwikkelingshulp het belang daarvan in. Naschrift: Sinds mijn promotie in 2009 heb ik veel tijd besteed aan discussies over de ontwikkelingshulp en het verbreiden van mijn ideeën. Ik ga me nu richten op andere zaken, en dat betekent dat ik niet veel tijd meer zal hebben om me bezig te houden met de hulp. Ik wil iedereen bedanken die de moeite heeft genomen met mij in discussie te gaan; in veel gevallen heb ik daar ook weer iets van geleerd. Ook op eventuele reacties op dit stukje zal ik graag nog ingaan. Vooral wil ik hoofdredacteur Marc Broere bedanken, die deze website zo professioneel runt en die mijn bijdragen altijd op een overzichtelijk manier in paragrafen met toepasselijke kopjes heeft ingedeeld.

Deugen de meeste mensen nu wel of niet?

Door Hans Beerends | 31 oktober 2019

Historicus Rutger Bregman stelt in zijn nieuwe boek dat de meeste mensen deugen, verwijzend naar de prehistorie. Daar staat volgens Hans Beerends tegenover dat veel deugende mensen zich ook gemakkelijk laten misleiden.

Lees artikel

Het Raadsel van de ander

Door Vice Versa | 08 oktober 2019

In de nieuwe Vice Versa die komend weekend verschijnt staat ‘de ander’ centraal en zoeken we naar een nieuw, progressief narratief. Angst voor de ander kun je alleen bestrijden met menselijke verhalen, schrijven Ayaan Abukar en Marc Broere.

Lees artikel

Bouwstenen voor een nieuw Latijns-Amerika beleid

Door Vice Versa | 01 oktober 2019

Hoewel Latijns-Amerika al een tijd verdwenen is uit de spotlichten van de Nederlandse politiek, hebben we meer met elkaar te maken dan we denken. Is het niet tijd voor een nieuw en actief Latijns-Amerika beleid? Op maandagmiddag 14 oktober gaan we hierover in Den Haag tijdens de bijeenkomst ‘Het Koninkrijk en zijn buren’ in gesprek met experts en politici.

Lees artikel