Door:
Evelijne Bruning

22 november 2012

Tags

Directeur Evelijne Bruning van The Hunger Project is vandaag aanwezig tijdens het Smart Aid LIVE Debat en zal netjes in 100 woorden een smart idea inleveren. Toch heeft ze de behoefte aan wat meer woorden ter onderbouwing van haar idee dat gaat over de veranderende samenwerkingsrelatie tussen de Nederlandse overheid en maatschappelijke organisaties op het gebied van internationale samenwerking, en de noodzaak om die samenwerking te modernisering. Bruning: ‘Wat mij betreft verdient het maatschappelijk middenveld een veel stevigere partner dan de Nederlandse overheid de afgelopen jaren is geweest.’ Nederland heeft vele honderden actieve maatschappelijke organisaties[1]. Veel van deze organisaties werken samen met de Nederlandse overheid aan gezamenlijke doelen. Omdat ze samen vele malen meer kunnen bereiken dan zonder elkaar. Ook op het gebied van internationale samenwerking is dat het geval door kaders zoals MFP, TMF, MFS en vele anderen. Bijna schizofreen Deze samenwerkingsrelatie is de afgelopen jaren wel behoorlijk van kleur verschoten. Mede door de vaak van koers wisselende beleidsvisies op die samenwerking kregen maatschappelijke partnerorganisaties de afgelopen jaren behoorlijk verschillende, en soms ook conflicterende, partnerrollen toebedeeld. Zoals bijvoorbeeld kritische tegenmacht voor de overheid én hoeder van publiek draagvlak voor het overheidsbeleid of juist baanbrekende vernieuwer, van waakhond tegen de excessen van tot samenwerkingspartner met het bedrijfsleven, als onderaannemer en expert binnen of juist buiten de bovendien frequent wisselende landen- en themakeuzes van de overheid, of als bewezen succesvolle én sterk vernieuwende organisatie, en als opbouwer of juist concurrent van het maatschappelijk middenveld buiten Nederland. Je zou het bijna schizofreen willen noemen, als dat niet zo onaardig zou zijn. Maatschappelijke organisaties hoeven immers helemaal geen subsidie te accepteren, als de voorwaarden hen niet aanstaan. Maar dat is een hele zware keus, voor wie werkelijk gelooft in de eigen meerwaarde. Er veranderde nog meer in het speelveld. Want waar in eerste instantie een groot aantal Nederlandse maatschappelijke organisaties voor hun financiering grotendeels of zelfs volledig afhankelijk waren van overheidssubsidie, putten de meeste tegenwoordig uit steeds diversere financieringsbronnen zoals internationale en multilaterale donoren, het bedrijfsleven, impact investeerders of filantropische stichtingen. Ook zijn er meer commerciële partijen en hybride organisatievormen (profit en not-for-profit) actief geworden. Bovendien heeft de Nederlandse overheid steeds meer partnerrelaties met niet-Nederlandse, Zuidelijke, maatschappelijke organisaties. Velen van hen zijn sterk geworden door jarenlange intensieve financiering en begeleiding door Nederlandse maatschappelijke organisaties. 15% van de bestedingen In de afgelopen jaren besteedde de Nederlandse overheid een substantieel deel, ruim een derde, van het totale besteedbare budget voor internationale samenwerking via maatschappelijke organisaties. De Nederlandse overheid is hierin een koploper. De omvang van deze financiering, de vaak langjarige en daarmee relatief stabiele basis van deze financieringsrelaties, en de vrijheid die de Nederlandse overheid biedt om binnen gezamenlijke kaders een eigen invulling te geven aan de uitvoering, wordt ook in internationale kringen geroemd. Want ook in internationale verbanden worden maatschappelijke organisaties inmiddels steeds meer erkend en vertrouwd als een onmisbare partner in de internationale samenwerking, naast markt en staat. Ondertussen lijkt die vroegere vanzelfsprekendheid van een innige samenwerking in Nederland juist onder druk te staan. Ten eerste door de keuzes die er gemaakt zijn bij de zeer forse bezuinigingen die de afgelopen jaren zijn doorgevoerd op het budget voor internationale samenwerking. Besteedde het ministerie tot een paar jaar geleden nog grofweg een derde van haar totale budget voor internationale samenwerking via maatschappelijke organisaties, in 2012 – met een veel kleiner en de komende jaren nog eens met 25% verder krimpend budget – is dat nu nog maar een kleine 15% van de totale bestedingen. ‘Het helpt toch niet’ Daarnaast blijkt het publieke draagvlak voor de internationale samenwerking af te brokkelen. Mede door een scherp, vaak zelfs op zeer schrille toon gevoerd publiek debat over de resultaten van internationale samenwerking. Het is noch de Nederlandse overheid, noch de maatschappelijke organisaties goed gelukt de door hun gezamenlijke inspanning behaalde resultaten breed zichtbaar te maken. Een groeiend of in elk geval een steeds hoorbaarder deel van de Nederlandse bevolking lijkt nog maar weinig waarde te hechten aan voortzetting van een traditie van solidariteit buiten de eigen kring en directe belangen (‘het helpt toch niet’). Toch is ruim de helft van de Nederlandse bevolking nog steeds zeer actief met dit thema begaan. Door verre vakanties en moderne communicatiemogelijkheden is het vroeger zo verre buitenland voor velen bovendien steeds dichterbij. Als donateur, en vaak ook als vrijwilliger, zijn talloze burgers actief betrokken bij internationale samenwerking. Vaak ook via meer dan één maatschappelijke organisatie. Daarnaast lijkt de verwachting van zowel overheid als maatschappelijke organisaties dat een grotere nadruk op beheersmatig, transparanter en planmatiger werken zou leiden tot groter publiek vertrouwen niet uit te komen. De gevraagde professionalisering leidde in de praktijk vooral tot een toegenomen bureaucratisering. Dat leidde juist tot toenemende kritiek, in plaats van meer vertrouwen. Bovendien zijn er, nationaal en internationaal, nog steeds maar weinig donateurs bereid om te investeren in zelfs maar de basale kosten van het voeren van een professionele organisatie. Daardoor neemt de ruimte voor leren, verbeteren en vernieuwen in de meeste maatschappelijke organisaties eerder af dan toe. Statische, technocratische miniministeries Bovendien heeft de Nederlandse overheid de afgelopen jaren een toenemende vraag om focus ingevuld door met name de ruimte voor maatschappelijke organisaties om een eigenstandige en langjarige invulling te geven aan een grotere gezamenlijke agenda steeds verder in te perken tot strak gekaderde thema- en landenlijstjes. Sommige maatschappelijke organisaties hebben daarbij hun eigen focus weten te behouden, maar een behoorlijk aantal heeft steeds meer water bij de wijn gedaan, zonder eigen keuzes te durven maken. De politieke waardering en daarmee ook de ruimte voor de vroeger zo trots aan beide kanten gekoesterde partnerrol van kritische waakhond is daarnaast snel afgebrokkeld. Ook werden veel maatschappelijke organisaties de afgelopen jaren onder druk van subsidieregels gedwongen om intensief samen te gaan werken in allianties. In een aantal gevallen leidde dat ongetwijfeld tot verhoogde efficiëntie. Maar in de meeste gevallen leidde dat vooral tot het verplaatsen van de beheerskosten voor het ministerie naar de organisaties zelf, en weinig genuanceerde concurrentie op de charimarkt, die zelfs trouwe langjarige donateurs stoort. Veel maatschappelijke organisaties zijn al met al de afgelopen jaren juist door hun samenwerking met de overheid verworden tot statische, technocratische miniministeries die fundamentele kritiek op beleidskeuzes van de Nederlandse overheid, en op elkaar, niet meer uit durven te spreken uit angst hun eigen lange termijn belangen te schaden. Dat was allicht nooit de bedoeling, maar is bijna sluipenderwijs gebeurd. Veel medewerkers van maatschappelijke organisaties, en binnen de overheid, verloren daarmee ook het plezier en het vertrouwen in de waarde van hun eigen werk. Nieuwe kansen Hoe nu verder? Een aantal van de huidige grote subsidiekaders – zoals MFS II, SNV – lopen af in 2015. Onder staatssecretaris Knapen is er ondanks een aantal pogingen in die richting uiteindelijk geen nieuwe visie op een volwassen en volwaardige samenwerkingsrelatie tussen overheid en maatschappelijke organisaties geformuleerd. Maar nu is er een kersverse nieuwe minister, met veel ervaring en een uitgebreid werkverleden binnen maatschappelijke organisaties. Het ministerie heeft weliswaar een sterk krimpend budget, maar daarmee ook een groot belang om de beschikbare middelen zo effectief mogelijk in te zetten. Doordat er waarschijnlijk ook stevig gesneden zal moeten worden op eigen personeel en de ambassades zal het ministerie meer dan ooit de kennis en het netwerk van maatschappelijke organisaties nodig hebben om betekenisvolle resultaten te blijven behalen in internationale samenwerking. De Nederlandse overheid heeft er bovendien belang bij om een zeker niveau van kennis en ervaring op het gebied van buitenlandse betrekkingen in netwerken waar de overheid zelf maar moeilijk of geen toegang toe heeft, in Nederland te borgen. De samenkomst van al deze situaties biedt nieuwe kansen voor nieuwe keuzes en nieuw beleid.   Gegeven het bovenstaande lijkt het wijsheid als het ministerie snel met een zinnig onderbouwde visie komt op waarom, of en zo ja hoe zij de komende jaren samen wil blijven samenwerken met maatschappelijke organisaties. Er ligt in elk geval ruim voldoende studiemateriaal uit recente consultatierondes, studies en conferenties. De impact en efficiëntie van interventies van maatschappelijke organisaties is bovendien, in tegenstelling tot interventies via het bedrijfsleven, veelvuldig en vaak ook redelijk gunstig geëvalueerd. Wat mij betreft verdient het maatschappelijk middenveld een veel stevigere partner dan de Nederlandse overheid de afgelopen jaren is geweest. De rol en verantwoordelijkheid van de overheid binnen dat partnerschap zou die moeten zijn van een betrouwbare partner die op basis van wederzijds vertrouwen en gedeelde belangen de maatschappelijke organisaties waar ze mee verkiest samen te werken ook werkelijk de ruimte geeft om datgene te doen waar ze goed in zijn. Alleen dan kunnen ze samen werkelijk meer bereiken dan zonder elkaar.


[1] Maatschappelijke Organisaties: die actief zijn op het terrein van armoedebestrijding, humanitaire hulpverlening, mensenrechten en duurzame ontwikkeling; vaak met een non-profit doelstelling. Ook wel geduid als ‘(quasi-)niet-gouvernementele organisaties’ of particuliere organisaties.

‘Een vrouw hoort niet in de schijnwerpers te staan’

Door Siri Lijfering | 12 december 2019

Hoewel vrouwen het meest lijden onder de vervuiling van de Nigerdelta, vraagt men hen zelden naar de oplossing. Het partnerschap Global Alliance for Green and Gender Action wil dat veranderen: ‘Te lang hebben mannen hier de beslissingen genomen en daaruit is niet veel goeds voortgekomen’, zegt Martha Agbani. Op pad door de Delta.

Lees artikel

‘Niets dan verwoesting van ons land’

Door Siri Lijfering | 10 december 2019

De olie-industrie levert de Nigeriaanse staat miljarden op, maar de bevolking van de Nigerdelta ziet haast niets ervan terug en lijdt zeer onder de vervuiling. De lokale koning daagt Shell voor de rechter en twee strategische partnerschappen gaan de problemen te lijf. Vandaag: deel één.

Lees artikel

‘Wie ik tegenkom, wil ik in beweging brengen’

Door Lizan Nijkrake | 09 december 2019

Houda Loukili was Nederlands jeugdkampioen kickboksen en baande zich, als meisje met Marokkaanse achtergrond, een weg door een traditioneel mannelijke wereld. Nu geeft ze sporttraining aan kinderen en vrouwen buiten de boksring. ‘Ik wil doen wat mijn coach voor míj heeft gedaan.’

Lees artikel