Door:
Céline Hoeks

16 november 2012

Tags

Met de Smart Five ronden we het laatste thema van het Smart Aid-debat af. Het was een bijzondere week over de worteling in de Nederlandse samenleving met bijdrages vanuit Engeland, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld, en van Pieter Winsemius, Ralf Bodelier en Jack van Ham. Wat is de laatste kritische bijdrage van de Smart Five, bestaande uit Stefan Verwer, Sara Kinsbergen, Harmen van Doorn, Amma Asante en René Grotenhuis, aan het Smart Aid-debat? De week opende met Paul Valentin van Christian Aid UK die zijn visie deelde over de worteling van een ontwikkelingsorganisatie in de maatschappij. Valentin stelde dat een organisatie zich moet specialiseren in een bepaald thema om een heldere identiteit uit te stralen, moet weten wie haar achterban is en op ooghoogte het contact moet zoeken met de achterban door deze op een symbolische reis mee te nemen. Ralf Bodelier noemde Christian Aid een organisatie van de toekomst: ‘Een organisatie met een in de traditie gewortelde identiteit en een al even duidelijke morele boodschap is vandaag cutting edge.’ In de moderne individualistische en snel veranderende samenleving keert de behoefte aan identificatie, gemeenschap en morele waarden volgens Bodelier weer terug. Ook de professionals vanuit Heineken en Douwe Egberts, en Ilco van der Linde van Masterpeace en Fatumo Farah van HIRDA, waren eensgezind met de woorden van Valentin en benadrukten het belang van een duidelijke identiteit. Zij wezen daarnaast op het belang van het creatief communiceren van de eigen boodschap naar de achterban via nieuwe media. Of deze boodschap kort en krachtig moet zijn of juist veelomvattend en uitgebreid, daar waren de professionals het niet over eens. Overheid versus maatschappelijk middenveld Vanuit de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) meende Pieter Winsemius dat ontwikkelingsorganisaties moe zijn. Maatschappelijke organisaties moeten de overheid veel meer kritisch durven aanspreken op zaken waar zij het niet mee eens zijn, terwijl de overheid op haar beurt weer open moet staan voor deze kritiek. Ook zouden ngo’s beter moeten inspelen op het eigen initiatief en de kennis en het talent van burgers, wat Valentin, Farah en Van der Linde ook aandroegen. Jack van Ham voegde hieraan toe dat ontwikkelingsorganisaties niet eeuwig op zoek moeten zijn naar de ultieme vorm van internationale samenwerking, omdat werkvormen eenmaal komen en gaan. Om teleurstelling te voorkomen zouden politici en ngo’s volgens van Ham de verwachtingen niet te hoog moeten spannen en zich juist moeten richten op de kleine stapjes vooruit. Hoe reflecteert de Smart Five op deze stellingen, opinies en suggesties afkomstig uit verschillende professionele hoeken, en welke aanbevelingen draagt zij aan voor een goede worteling? Verwer: ‘De Nederlandse ontwikkelingssector in het keurslijf’ Stefan Verwer, oprichter en directeur van lokaalmondiaal en Coolpolitics, is het eens met de woorden van Valentin en Winsemius. ‘Valentin legt de vinger op de zere plek door aan te geven dat een deel van de Nederlandse ontwikkelingssector hun achterban zijn kwijtgeraakt. Daarnaast dreigen zij steeds meer in de rol van uitvoerders van overheidsbeleid te vervallen, doordat diezelfde overheid de beleidsruimte voor organisaties meer en meer beperkt door de Nederlandse ontwikkelingssector in het keurslijf van de subsidiekaders en een evaluatiemechanisme te drukken. Valentin geeft legio voorbeelden hoe het anders kan, maar laat vooral zien dat het voeren van een eigen beleid, zelfs als dat kan leiden tot langzamere groei in begrotingstermen, cruciaal is. Nog belangrijker is het advies om de achterban serieus te nemen. Het lijkt er op dat grote delen van de Nederlandse ontwikkelingssector daar de boot hebben gemist. Er zijn uitzonderingen en positieve pogingen om die band wel weer op te bouwen, maar over de gehele bandbreedte genomen is de ontwikkelingssector daar niet in geslaagd.’ ‘Je zou kunnen zeggen dat dit een collectief falen is van de sector en natuurlijk mag daarbij de bovengenoemde rol van de overheid niet vergeten worden, want die heeft het afgelopen decennium geprobeerd het maatschappelijk middenveld vakkundig de nek om te draaien. Ik ben daarin hard in mijn oordeel, want het was jarenlang een gegeven van de Nederlandse democratie dat de overheid haar tegenwicht financierde. Maar wat we nu zien, is dat maatschappelijke acties worden afgewezen: als Greenpeace nu protesteert wordt zij automatisch verguisd. Waarom vraag ik me af? De overheid moet het nut inzien van dit soort organisaties, ook al zijn zij het misschien niet altijd eens met de gehanteerde methoden. In een democratische samenleving spelen dergelijke organisaties een belangrijke rol.’ Verwer noemt hierbij het kwalijke voorbeeld van Rob Riemen die zijn subsidie van de provincie Brabant verloor doordat hij zich op de door Coolpolitics georganiseerde Lowlands University kritisch uitsprak over de PVV. ‘De kritiek aan het adres van de Nederlandse ontwikkelingssector is wat dat betreft dat zij te lang afhankelijk is gebleven van de Nederlandse overheid. Het treurige is dat de partners van die ontwikkelingsorganisaties hier nu de dupe van worden en dat vergeten de critici nog weleens als er wordt gepleit voor het ontmantelen van het Nederlands maatschappelijk middenveld op het vlak van ontwikkelingssamenwerking.’ Kinsbergen: Neem burgers mee op een symbolische reis Sara Kinsbergen, PhD-kandidate aan het Centre for International Development Issues Nijmegen (CIDIN), voelt zich met haar eigen onderzoek naar het particulier initiatief nauw verbonden met het thema. ‘Burgers moeten meer, anders en intensiever betrokken worden bij het werk van ontwikkelingsorganisaties. Dat is kortweg samengevat de strekking van het verhaal van de verschillende specialisten die aan het woord komen in week vijf van het Smart Aid-debat. De nuances daargelaten lijken de specialisten overeenstemming te vinden over het hoe en waarom van deze betrokkenheid. Zo ervaren allen dat de burger houdt van concrete resultaten en dus ook graag op een concrete manier bijdraagt aan een betere wereld zonder armoede. Hierbij lijkt de actieve inzet van kennis en expertise van burgers in de eerste plaats geen doel in zichzelf maar een middel om hen actief te betrekken bij en te binden aan het werk van een organisatie. Denk vanuit de behoeften van de burger en dan komt het met die betrokkenheid vanzelf wel goed, zo lijkt het adagium te klinken.’ ‘We hebben dus aan de ene kant organisaties die burgers meer aan zich willen binden en aan de andere kant burgers die op een actieve manier betrokken willen worden. Dat klinkt veelbelovend. Maar tegelijkertijd worden die organisaties meer en meer uitgedaagd om zich op innovatieve wijze te verhouden tot complexe vraagstukken als global common goods en opkomende wereldeconomieën en zijn interventies lang niet meer louter concreet van aard.’ ‘Hoe dan de burger en ontwikkelingsorganisaties nader tot elkaar te brengen? Hiervoor spreekt de symbolische reis van Valentin me erg aan: de achterban meenemen op de reis die je maakt als organisatie en hen op die manier inhoudelijk betrekken bij het al dan niet concrete werk waar een organisatie zich mee bezig houdt. Een reis die wat mij betreft voorafgaat aan een eventuele fysieke reis, in de vorm van actieve inzet hier of daar. Een reis die ons loswrikt uit de ongemakkelijke praktijk waarin we langs de ene kant prediken dat verandering van onderaf moet komen en langs de andere kant het idee van ongelijkheid in stand houden door boodschappen in de trant van ‘met één euro helpt u armoede de wereld uit’ te verspreiden.’ Grotenhuis: Vanuit een organisatie met een lange traditie René Grotenhuis is de directeur van Cordaid, een organisatie die net als Christian Aid een lange traditie kent. Terwijl iedereen wijst op het afnemende draagvlak, merkt Grotenhuis hier weinig van. ‘Het is ontegenzeggelijk waar dat het heftige debat in de media en de afbrokkelende steun van de politiek een weerslag is van wat er in de samenleving leeft. En toch: de inkomsten van de ontwikkelingsorganisaties lopen niet terug en er worden voortdurend nieuwe burgerinitiatieven gestart. Het dijt eerder uit dan dat het afneemt.’ Menig professional benadrukte deze week het belang van een heldere eigen identiteit. Ook Grotenhuis is het hier mee eens: ‘Al eerder heb ik gezegd dat ontwikkeling als zodanig niet bestaat. Goede gezondheidzorg, goed onderwijs, voldoende water uit de kraan, respect voor mensenrechten,  die dingen bestaan wel. Daarom houden we ook vast aan die merken met hun thematisch profiel en daarmee kunnen mensen zich identificeren. Onze keuze voor een heldere, issue gerichte structuur van business units zal die identificatie ook voor andere partners versterken.’ Hij erkent ook de problematiek die inherent is aan de relatie tussen ngo’s en de overheid: ‘We zijn te veel onderdeel geworden van een overheidsbeleid en de afhankelijkheid van de financiering heeft dat verder versterkt. Tot het begin van deze eeuw wisten burgers niet zoveel van de overheidsfinanciering van onze organisaties. Sinds de discussie over het openbreken van de medefinanciering, de tenderprocedures van MFS-I en MFS-II, is dat een belangrijk deel van het publieke debat gaan bepalen. En dus is het ook in de beeldvorming steeds meer gaan meespelen. Het is ook om die reden dat we als Cordaid de afhankelijkheid van de overheid fors willen terugdringen om zo meer autonomie te heroveren. Dat we in een sociale onderneming afhankelijk worden van financiering van anderen is zeker waar, maar door te kiezen voor een veel  meer gespreid palet van partners en financiers wordt je afhankelijkheid van één verminderd en wordt je vermogen om ook nee te zeggen groter.’ ‘In een globaliserende wereld, waar mensen virtueel of in levende lijve over de hele wereld trekken, is er geen enkele reden te denken dat we niet in staat zijn mensen te betrekken bij wat elders gebeurt. Het verhaal moet simpeler, concreter en directer: niet wat beleidsmatig vinden, maar wat we in de praktijk doen verbindt mensen met ons.’ En hierbij sluit Grotenhuis zich aan bij de woorden van Valentin en Farah. Asante: ‘Ik zou willen pleiten voor een mobiliseringscampagne’ In lijn met Verwer richt Asante haar betoog naar ontwikkelingsorganisaties zelf én naar de overheid. ‘Ontwikkelingsorganisaties zouden zich moeten distantiëren en onderscheiden van de overheid. Dat zouden zij in de eerste plaats kunnen doen door burgers wel serieus te nemen bij hun werk en hen niet louter te beschouwen als applausmachines en donateurs. Maar ik vind het ook fair om na al die kritiek op ontwikkelingsorganisaties de politici en de Nederlandse overheid er van langs te geven. Te lang heeft de Nederlandse politiek ontwikkelingsorganisaties ingezet als een extra batterij ambtenaren: wij bepalen het beleid, wij geven geld en jullie hebben het maar uit te voeren. Het gevolg is nu dat, en ik pleit hiermee ontwikkelingsorganisaties niet vrij, politici die aan het roer staan gevrijwaard blijven van kritiek. Maar in mijn ogen zijn zij ook debet aan de ontstane crisis in de OS-sector en de woede dat armoede niet de wereld uit te helpen is door er een paar miljard tegenaan te gooien via ontwikkelingssamenwerking.’ Politici en ontwikkelingsorganisaties moeten volgens Asante eerlijk zijn over de verwachte resultaten op het gebied van internationale samenwerking, en in lijn met Van Ham niet te hoge verwachtingen scheppen. Asante: ‘De ontwikkeling van arme landen verloopt niet in termijnen van verkiezingen in Nederland.’ ‘Ik zou de sector aanraden om zich te herbezinnen op hun missie, visie en strategie en vanaf nu op een serieuze manier invulling te geven aan burgerparticipatie. Betrek hen vanaf het begin bij ieder proces, geef hen een stem vooraf en sta open voor kritiek en initiatief van burgers. Dat kan op diverse manieren. Stel bijvoorbeeld een deel van je eigen budget beschikbaar voor burgerinitiatieven, of creëer een open systeem waarin je continue in gesprek bent met burgers over hun ideeën en ervaringen.’ En dit laatste voorbeeld sluit nauw aan bij het marketingbeleid van Douwe Egberts, dat de marketing directeur coffee eerder deze week op de website deelde. ‘Ontwikkelingsorganisaties zouden daarnaast beter moeten weten wie hun achterban is, wat hen beweegt en waarom zij de organisatie wel of niet meer steunen? Om die reden zou ik willen pleiten voor een mobiliseringscampagne op landelijk, regionaal en lokaal niveau. Alleen zo kan het vertrouwen worden herwonnen. En niet door vol te houden dat je de armoede wel de wereld uit krijgt zolang er maar genoeg geld is. Waarom zeggen wij dit niet hardop en geven wij aan wel onze uiterste best te doen en dat vooral samen met burgers  te willen doen. Naar ieders vermogen!’ Van Doorn: ‘Change the world your way’ Harmen van Doorn, oprichter en directeur van Pifworld, sluit zich aan bij de woorden van Winsemius. ‘In het interview vertaalt Winsemius zijn eigen ervaring met burgerbetrokkenheid bij de WRR naar de sector ontwikkelingssamenwerking. Winsemius is diplomatiek, maar windt er geen doekjes om: mensen hebben vaak het gevoel dat ze niet serieus genomen worden, wat heeft geleid tot een lage burgerbetrokkenheid. Juist daar is nu de grote winst te behalen voor maatschappelijke organisaties.’ Van Doorn vraagt zich net als Winsemius af of maatschappelijke organisaties kunnen veranderen in de huidige politieke context, waarin de nieuwe handelsgedachte van het ministerie van Buitenlandse Zaken lijnrecht indruist tegen de visie van veel ontwikkelingsorganisaties. Een handelsgedachte waar ontwikkelingsorganisaties hun visie en werkwijze volgens Van Doorn ook niet aan kunnen conformeren. Net als iedereen die deze week heeft bijgedragen aan het debat stelt Van Doorn de terechte vraag: ‘Hoe kunnen maatschappelijke organisaties dan een actief betrokken achterban creëren?’ Dit is volgens de jonge professional simpel: ‘Stop het zielige verhaal en biedt burgers aan zelf concreet iets bij te dragen.’ Van Doorn, die Winsemius op tienjarige leeftijd leerde kennen door zijn campagne tegen zure regen en hem direct bestempelde als een held, vertaalt het veelgehoorde advies door naar zijn eigen initiatief. ‘Nu is het 25 jaar later en heb ik het crowd source platform Pifworld opgezet met de slogan change the world your way. Op het platform bieden wij burgers de mogelijkheid om concreet bij te dragen aan ontwikkelingssamenwerking, op een manier die bij eenieder past. Na het lezen van het interview met Winsemius ben ik het volledig met hem eens. Hij slaat als buitenstaander de spijker op de kop en is na 25 jaar nog steeds mijn held.’  

Vechten voor het recht op liefde

Door Siri Lijfering | 05 december 2019

De antihomowet die in Nigeria is ingevoerd, maakt de lhbt-gemeenschap nòg kwetsbaarder. Zo is opkomen voor lesbische vrouwen zowel broodnodig als gevaarlijk; een kat-en-muisspel met hoge inzet. Hoe gaat het strategisch partnerschap Count Me In! ermee om?

Lees artikel

Venezolaanse vluchtelingen op Curaçao vallen tussen wal en schip

Door Bob van Dillen | 05 december 2019

Nu er een humanitaire crisis is in onze eigen regio, geeft de Nederlandse overheid niet thuis. Dat schrijft Bob van Dillen van Cordaid, die de situatie nauwgezet volgt, in deze opiniebijdrage. Ondertussen wordt de situatie steeds nijpender en krijgen vluchtelingen op Curaçao geen menswaardige behandeling.

Lees artikel

Strijd op twee fronten

Door Siri Lijfering | 04 december 2019

De Nigerdelta is aantrekkelijk voor sekswerkers, maar ook gevaarlijk: geweld en vervolging liggen op de loer. Het strategisch partnerschap Count Me In! probeert hun rechten te beschermen; beeldvorming en beïnvloeding van beleid lijken de sleutel te zijn. Twee sekswerkers doen hun verhaal.

Lees artikel