Door:
Alma de Walsche

12 juni 2012

Categorieën

De VN-top over duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding komende maand in Rio de Janeiro staat helemaal in het teken van de groene economie. Maar is dat niet gewoon het vertrouwde kapitalisme met een groen jasje? De groene economie en de agenda van Rio+20 kritisch bekeken. Of de VN-top van 20 tot 22 juni in het Braziliaanse Rio de Janeiro even historisch zal worden als de fameuze Aardetop in Rio in 1992 is twijfelachtig. Toen engageerde de wereldgemeenschap zich voor het eerst om iets te doen aan de klimaatverandering, de verwoestijning, de ontbossing en het biodiversiteitsverlies. Er werden conventies aangenomen (onder meer over het klimaat en de biodiversiteit) en actieplannen uitgewerkt. Principes zoals de vervuiler betaalt en gedeelde maar verschillende verantwoordelijkheid tussen rijke en arme landen inzake het klimaatprobleem werden in verdragen gebeiteld. De conferentie was een mijlpaal in het mondiale beheer van onze planeet. Nu, twintig jaar na Rio en tien jaar na Johannesburg, zal het gaan over groene economie. Voor de VN is die het ultieme antwoord op zowel de economische crisis als de milieuproblemen. UNEP, het milieuprogramma van de VN, zette het thema op de agenda, maar lanceerde het concept eerder al tijdens de turbulenties van de economische crisis van 2008. Het riep op tot ‘a global green new deal’ als antwoord op de economische impasse. De OESO, die de industrielanden verenigt, spreekt dan weer liever over ‘groene groei’, wat meteen al een hele discussie doet oplaaien over de al dan niet verenigbaarheid van groen en groei. VN-ontwikkelingsorganisatie UNCTAD benadrukt dan weer dat het moet gaat over groene economie ‘in de context van armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling’ en dat de rijke landen geen milieumaatregelen mogen nemen uit protectionisme tegenover het Zuiden. Aan de vooravond van Rio+20 is de verwarring dan ook groot. Vooral in het Zuiden hebben middenveldorganisaties helemaal geen vertrouwen in het proces en de agenda van Rio+20. Ze spreken over opgezet spel van de industrielanden, die vooral bezig zijn met hun eigen crisis. Big business Aan de natuur kun je vandaag de dag groot geld verdienen. ‘Investeer in bosbouw en kies voor een rendement van 8 tot 14 procent per jaar’, belooft een advertentie van Greenwood, dat op zoek is naar beleggers in Braziliaanse bossen. ‘Aandelen met een looptijd van zes tot acht jaar – een veilige belegging, waarvan het rendement niet bepaald wordt door een hypergevoelige markt maar door biologische groei’, zo meldt de advertentie. Die financiële perspectieven hebben in het Zuiden een proces op gang gebracht van buitenlandse investeringen in landbouwgronden, natuurparken en waterreservoirs. Zoals de petrochemie staat of valt met de beschikbare olievoorraden, zo is de groene economie immers afhankelijk van de toevoer van groene grondstoffen en van het bezit van patenten op genetisch materiaal. En dan komt vooral het Zuiden in het vizier. Slechts een vierde van de biomassa die de aarde opbrengt, bereikt momenteel de commerciële markt, zo berekenden de voorstanders. Drie vierde is dus “onbenut”, volgens die logica. De armsten, voor wie die biomassa de basis vormt van hun levensonderhoud, huisvesting, voeding en verwarming worden dan ook direct bedreigd door een opkomende markt die loert op die onontgonnen rijkdom. De natuurlijke bronnen lopen zo een groter risico op uitputting. Naar schatting 50 tot 80 miljoen hectare in het Zuiden is in handen van internationale investeerders. Twee derde van de overeenkomsten situeren zich in Sub-Sahara-Afrika, een regio geteisterd door chronische hongersnood. In Brazilië zelf bleek onlangs nog dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat de overheid kiest voor duurzaamheid. Eind april keurde het parlement een versoepeling van de boswet goed, waardoor amnestie wordt verleend voor illegale ontbossing die plaatsgreep voor 2008 en hele gebieden die nu bescherming genieten vrij komen voor productieve activiteiten. Het debat sleepte drie jaar aan, maar uiteindelijk haalde de agro-industrie haar slag. In het jaar dat Brazilië Rio+20 ontvangt, kon er geen slechter nieuws zijn voor het land, vindt het Braziliaanse Forum voor Niet-gouvernementele Organisaties en Sociale Bewegingen voor Milieu en Ontwikkeling. Alleen een veto van president Rousseff kan de wetswijziging nog tegenhouden, maar dan jaagt ze het parlement tegen zich in het harnas. Ook de ervaring met biobrandstoffen geeft een idee van de impact van de nieuwe economie. In 2009 bedroeg de oppervlakte voor de teelt van energiegewassen naar schatting 14 miljoen hectare of 1 procent van de landbouwgrond, in 2030 zal dat aangegroeid zijn tot 35 à 54 miljoen hectare of 2,5 tot 3,8 procent van de bebouwbare grond, alleen voor biobrandstoffen. In het perspectief van de opkomende bio-economie is het maar het topje van de ijsberg. Een andere vraag bij de groene economie is of alle behoeften die momenteel gedekt worden door de petrochemie – van ons, van de toekomstige generaties, van de miljoenen die een betere levensstandaard willen –ingevuld kunnen worden door de biogebaseerde economie. Moet er ook niet iets aan de consumptiezijde worden gedaan? Natuurlijk kapitaal In de publicatie Naar een groene economie (Towards a Green Economy: Pathways to Sustainable Development and Poverty Eradication) verduidelijkt UNEP zijn visie. Vertrekpunt is de impasse waarin we terechtgekomen zijn, met het klimaatprobleem, het biodiversiteitsverlies, de grondstoffenschaarste, de honger en de stijgende voedselprijzen en – meer in het algemeen – de huidige economische en financiële crisis. De oorzaken van al die crisissen zijn enigszins verschillend, maar ze hebben één ding gemeen: de verkeerde inzet van het kapitaal, aldus UNEP. De economische ontwikkelingen en de groeistrategieën moedigden snelle accumulatie van kapitaal aan, ten koste van de uitputting van het natuurlijke kapitaal. Door de voorraden uit te putten, heeft ons groeimodel fatale gevolgen voor het welzijn van de huidige en de toekomstige generaties. De crisissen die we nu meemaken, zijn daarvan het bewijs. Het huidige beleid en de marktstimuli hebben bijgedragen tot het probleem omdat ze toelaten dat de bedrijfswereld beslag legt op sociaal en natuurlijk kapitaal en daar niet voor betaalt. Om die gang van zaken om te keren en het probleem aan te pakken, moet de natuur verrekend worden. UNEP heeft daar onderzoek naar gedaan, wat resulteerde in het TEEB-rapport (The Economics of Ecosystems and Biodiversity), dat die economische waarde van de natuur berekent. Om het te kunnen toepassen, stelt UNEP, is er nood aan een beter beleid, een juistere prijssetting, reguleringsmechanismen om perverse stimuli te vermijden, een heroriëntering van private investeringen en een aangepaste juridische structuur. Voor overheden is een belangrijke corrigerende rol weggelegd, aldus de VN. Europa staat volledig achter die visie. In een recente toespraak op een voorbereidende conferentie voor Rio+20 maakte EU-milieucommissaris Potočnik gewag van een wereldwijd potentieel voor marktopportuniteiten gebaseerd op biodiversiteit en ecosysteemdiensten voor een waarde van 800 tot 2300 miljard dollar per jaar. Het rapport wil ook een aantal mythes ontkrachten. De eerste mythe: dat ecologische duurzaamheid niet samengaat met economische vooruitgang en groei. Volgens UNEP is de groene economie een nieuwe motor voor groei, met een potentieel voor baancreatie en armoedebestrijding. De tweede mythe is dat groene economie een luxe zou zijn voor de industrielanden, of meer zelfs, een truc van de industrielanden om ontwikkelingslanden hun ontwikkeling te belemmeren, een visie die veel gehoord wordt in het Zuiden en waar ook UNCTAD voor waarschuwt. Rio -20 Ngo’s en middenveldorganisaties reageren scherp op het ontwerp van slotverklaring voor Rio+20, dat de titel ‘De toekomst die wij willen’ draagt. ‘UNEP kijkt niet voorbij het neoliberale marktfundamentalisme’, klinkt het. Ook de stelling dat ongeremde economische groei kan samengaan met respect voor de ecologische grenzen trekken ze in twijfel. Oxfam, Greenpeace en de internationale vakbond ITUC uitten in een open brief hun bezorgdheid, zowel over het proces als over de inhoud. Volgens de groepen gaat te veel aandacht naar het aantrekken van investeringen vanuit de publieke sector, als compensatie voor de leemtes van de overheid. ‘Op die manier is het risico nog groter om de natuur en het gemeengoed – zoals water en bossen – te commercialiseren, waardoor het gevaar bestaat dat dit voor velen ontoegankelijk wordt.’ Ze vrezen ook dat een aantal fundamentele principes omtrent mensenrechten, ontwikkeling, de toegang tot water, voedsel en gezondheidszorg naar de achtergrond wordt gedrukt ‘door kortzichtige diplomaten die onderhandelen over het slotdocument’. Begrippen die voortvloeiden uit de Rio-conferentie van 1992, zoals ‘de vervuiler betaalt’ en ‘gemeenschappelijke maar verschillende verantwoordelijkheden’ voor industrielanden en ontwikkelingslanden, dreigen afgevoerd te worden, aldus de ngo’s. Ze wijzen op de ernst van de ecologische en sociale crisis en beklagen zich erover dat geen enkele wereldleider van formaat tot nog toe zijn stem heeft laten horen om het belang van deze conferentie te beklemtonen. De ‘Major Groups’ (negen groepen uit de civiele samenleving die een volwaardige stem hebben in de onderhandelingen, zoals vakbonden, inheemsen, vrouwen, jongeren, boeren…) klagen dat ze uit de besprekingen worden geweerd. Ze stuurden een open brief aan VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon en aan Rio+20-conferentievoorzitter Sha Zukang om hun verbijstering uit te drukken over het feit dat verwijzingen naar mensenrechten en rechtvaardigheidsprincipes tussen haakjes werden geplaatst of helemaal geschrapt. ‘Rio+20 of Rio-20?’: onder die provocerende titel publiceerden enkele ex-milieuministers van Brazilië en prominente experts een manifest waarin ze hun bezorgdheid uitdrukken omtrent de komende top. Ze vrezen dat die een terugval kan betekenen tegenover de vorige conferenties. De auteurs uiten ook kritiek op hun eigen regering in verband met de versoepeling van de boswet. Duurzame ontwikkelingsdoelen In de hele discussie op weg naar Rio+20 werd vanuit het Zuiden een duidelijk alternatief gelanceerd. Colombia en Guatemala stellen voor om in Rio doelen voor duurzame ontwikkeling af te spreken die in 2015 de Millenniumontwikkelingsdoelen (MDG) moeten vervangen. De grote krachtlijnen voor zo’n set doelstellingen zijn armoedebestrijding, ecologische duurzaamheid en duurzame consumptie en productie. Concreet vertaald moeten die doelstellingen betrekking hebben op voedselzekerheid, het recht op water, gezondheidszorg en onderwijs, toegang tot energie, duurzaam beheer van zeeën en oceanen, ontbossing en verwoestijning tegengaan, aandacht voor gender gelijkheid en het wegwerken van de ongelijkheid tussen rijk en arm. Deze doelstellingen moeten ook rekening houden met de veranderende context van ecologische, sociale en financiële crisis. Uitdagingen van de toekomst en aspecten waarmee rekening moet gehouden worden, zijn klimaatwijziging, bestendigheid tegen rampen, energiezekerheid, Zuid-Zuid samenwerking, innovatieve financiering, technologische vernieuwing. De concrete uitwerking van die doelen is wellicht voor na de conferentie. Belangrijk is ook dat die lancering gepaard gaan met een grondige evaluatie van hoe de millenniumdoelen gewerkt hebben en hoe de toepassing kan verbeterd worden. Wat deze doelen voor elk land inhouden, moet later concreet gemaakt worden in specifieke doelstellingen en duidelijke meetinstrumenten. Aansluitend lanceerde de Sri Lankaanse wetenschapper Mohan Monasinghe de ‘millenniumconsumptiedoelen’. Terwijl de MDG’s vooral op het Zuiden gericht zijn, wil het Zuiden dat er maatregelen komen die vooral op het Noorden focussen, om daar verspilling tegen te gaan. Het voorstel lijkt gehoor te krijgen binnen de VN, waar eerder al over duurzame productie en consumptie werd gesproken. Afwachten of het effectief kan doorbreken. Europa, en ook ons land, zijn daar zeker voor gewonnen. Het zou ook de Noord-Zuidkloof binnen de VN-onderhandelingen een stap kleiner kunnen maken. Dit is een ingekorte versie van een artikel dat eerder verscheen in MO* magazine van mei. 

Hoe de ziel uit de ngo-sector verdwijnt

Door Marc Broere | 13 november 2019

Ze behoren tot de pioniers en innovators van de milieubeweging en ontwikkelingssamenwerking in Nederland en vormden decennialang een spraakmakend duo. Hoewel ze volop genieten van hun pensioen, luiden Ron van Huizen en Hans Guijt de noodklok over een ontwikkeling die hen zorgen baart: raden van toezicht die ontwikkelingsorganisaties willen laten besturen alsof het bedrijven zijn. ‘Stop met de idiote doelstelling dat je altijd moet groeien.’

Lees artikel

Deugen de meeste mensen nu wel of niet?

Door Hans Beerends | 31 oktober 2019

Historicus Rutger Bregman stelt in zijn nieuwe boek dat de meeste mensen deugen, verwijzend naar de prehistorie. Daar staat volgens Hans Beerends tegenover dat veel deugende mensen zich ook gemakkelijk laten misleiden.

Lees artikel

Het Raadsel van de ander

Door Vice Versa | 08 oktober 2019

In de nieuwe Vice Versa die komend weekend verschijnt staat ‘de ander’ centraal en zoeken we naar een nieuw, progressief narratief. Angst voor de ander kun je alleen bestrijden met menselijke verhalen, schrijven Ayaan Abukar en Marc Broere.

Lees artikel