Door:
Céline Hoeks

16 mei 2012

Categorieën

Tags

Welke landen zijn goed voorbereid op verandering? En welke landen hebben het vermogen te profiteren van de mogelijkheden die verandering met zich meebrengt? Dat zijn de vragen die KPMG International en het Overseas Development Institute (ODI) pogen te beantwoorden met hun nieuw ontwikkelde Change Readiness Index 2012. In de huidige wereld, die constant ontwikkelt en waarin landen in toegenomen mate met elkaar in verbinding staan, is verandering onontkoombaar. Landen, bedrijven en instellingen overal ter wereld hebben iedere dag te maken met verandering en de mogelijkheden en gevaren die dat met zich meebrengt. Een voor de hand liggend voorbeeld is de impact van de financiële crisis op Nederland, Europa en nagenoeg de hele wereld. Maar ook de crises omtrent voedselzekerheid, klimaatverandering, politieke instabiliteit, urbanisatie en bevolkingsgroei zijn in toenemende mate globaal voelbaar. Toch blijken sommige landen beter dan andere landen in staat adequaat te reageren op verandering. Die landen hebben het vermogen goed in te spelen op ontstane mogelijkheden en kunnen tegelijkertijd bijkomend risico verminderen. Dit vermogen om te gaan met verandering, zo luidt de hypothese waarop de Change Readiness Index is gebaseerd, lijkt een belangrijke determinant te zijn in de duurzame ontwikkeling en groei van een land. In de huidige tijdsgeest, waarin het begrip duurzaamheid aan populariteit wint, komt de index als geroepen. Het idee voor een index, die meet in hoeverre een land nationale groei in stand kan houden en toekomstige uitdagingen de kop kan bieden, ontstond in 2010 tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van het World Economic Forum. De index is daarna ontwikkeld in nauwe samenwerking met belangrijke stakeholders en landendeskundigen en door raadpleging van bestaande academische literatuur. De vooruitkijkende index meet niet alleen de capaciteit van de overheid, maar kijkt naar het vermogen van het hele land, inclusief de private sector en het maatschappelijk middenveld, om effectief om te gaan met verandering. Door de onderliggende factoren van dit  ‘change readiness’ vermogen bloot te leggen, beoogt de index nieuwe inzichten te bieden voor nationale en internationale beleidsontwikkeling en donoracties gericht op het versterken van het gouvernementeel, economisch en sociaal vermogen van een land. Chili De index is ontwikkeld rondom een set van indicatoren, die nader onverdeeld kunnen worden in drie categorieën: economische capaciteit, beleidscapaciteit en sociale capaciteit. De index bouwt voort op een aantal bestaande indices van onder andere het World Economic Forum en de Wereldbank. Maar ze voegt ook zelf een aantal nationale indicatoren toe, zoals het nationale beheer rondom het macro-economisch klimaat, de diversificatie van de economische structuur en het vermogen risico te minimaliseren, de relatie tussen de staat en het bedrijfsleven en de rol van het maatschappelijk middenveld. De index toont een paar opvallende uitkomsten, die de algemeen heersende verwachting tegenspreken. Zo komt Chili als eerste uit de meting, terwijl een hoog aangeschreven land als Brazilië de 31ste plaats inneemt. Maleisië scoort met haar zevende plek veel hoger dan Thailand (32ste plek), terwijl de twee landen een redelijk gelijke groeitrend laten zien in BNP. Ook komt Ghana (18de plek) veel positiever uit de meting dan Zimbabwe, die op de 58ste plek staat. Dit terwijl beide landen laag scoren op conventionele metingen, zoals die van het World Economic Forum. De Change Readiness Index kan daarmee ook dienen als een belangrijk medium waarmee de uitkomsten van andere reeds conventionele meetinstrumenten kunnen worden geverifieerd. De index staat echter nog wel in haar kinderschoenen en dus is enige terughoudendheid geboden. De aankomende jaren zullen KPMG en ODI de index nader onderzoeken en verfijnen en de jaarlijkse vooruitgang van landen op de index meten, om op die manier te werken aan de verdere verbetering en versterking van het meetinstrument.  

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel