Door:
Guus Berkhout

5 april 2012

Categorieën

Wiet Janssen maakte onlangs korte metten met het proefschrift van Rutger van den Noort. Promotor Guus Berkhout geeft een reactie. Volgens hem is de boodschap van het proefschrift volstrekt helder: het moet helemaal anders. Hulp zou veel meer dan nu gericht moeten zijn op economische groei. Maar volgens Berkhout hebben we te maken met een ‘conservatieve sector die weinig bereid is zichzelf te transformeren.’ De standaard boodschap van de ontwikkelingshulpsector aan publieke en private financiers komt neer op: (1) we doen het goed en (2) we willen meer geld. De werkelijkheid laat echter een heel ander beeld zien, een beeld van versnippering en verspilling. De ontwikkelingshulpsector is uitermate complex en verkokerd. Te vaak overschaduwt competitie de samenwerking tussen overheden, non-gouvernementele organisaties, kerkelijke instanties en filantropische organisaties. De grote verscheidenheid aan actoren volgen primair hun eigen doelen, in plaats van met elkaar een gezamenlijke agenda uit te voeren. Een voorbeeld: in Tanzania werken er zo’n 10.000 ngo’s die allemaal met elkaar strijden om de pot met ontwikkelingsgeld. Men is meer bezig met zichzelf dan met de mensen waar het om gaat. Dat blijkt ook overduidelijk uit de cijfers. In de afgelopen 25 jaar is er wereldwijd € 2000 miljard aan ontwikkelingshulp uitgegeven, maar het aantal mensen dat onder de armoede grens leven is niet afgenomen en ligt nog steeds boven de 2.5 miljard. Als we China niet meerekent neemt het aantal armen zelfs toe! De recente, nogal demagogische, lobby van de Nederlandse hulpindustrie voor het behoud van hun subsidies, is dan ook een gênante vertoning. De boodschap in het proefschrift van Rutger van den Noort is volstrekt helder: ‘Sector het moet in de toekomst helemaal anders’. De sector zou ontwikkelingslanden in staat moeten stellen om zichzelf uit de armoede te trekken. Dit betekent dat ontwikkelingshulp veel meer dan nu gericht moet zijn op het bevorderen van economische groei en voorts dat alle lagen van de bevolking daarvan profiteren. Na de vele negatieve publicaties over ontwikkelingshulp een uitermate constructieve boodschap vanuit de wetenschap. Maar de realiteit is dat we te maken hebben met een conservatieve sector die weinig bereid is zichzelf te transformeren. Zo langzamerhand zie ik steeds meer signalen dat de sector helemaal niet geïnteresseerd is om de armoede de wereld uit te helpen. Men lijkt vooral gefocust op de eigen toekomst: meer ellende betekent meer inkomsten. De feitelijk onjuiste weergave van het proefschrift door hulpverlener Wiet Jansen bevestigt helaas dat beeld. Toekomstvisie ontbreekt Naast de verregaande versnippering wordt de ontwikkelingshulpsector ook geplaagd door een onbegrijpelijke kortzichtigheid. Het proefschrift laat zien dat geld en goederen vanuit goedwillende donoren naar de ontvangers worden gestuurd via  een onoverzichtelijke kluwen aan onsamenhangende projecten, waarbij lange-termijn verankering zwak is of geheel ontbreekt. In de ontwikkelingshulpsector is er groot gebrek aan een helder toekomstbeeld, een nieuw wenkend perspectief. Er is daardoor geen gezamenlijke route waarlangs de armoede wordt aangepakt. Hoe kunnen we er voor zorgen dat de lappendekens van geldstromen en projecten elkaar gaan versterken? Over die verandering gaat het proefschrift: meer resultaat met minder geld. Nieuwe inzichten in armoede Ontwikkelingslanden laten grote verschillen in inkomen zien. Het Delftse proefschrift maakt deze verschillen inzichtelijk met behulp van het ‘Global Poverty Framework (GPF)’, waarbij het inkomen per hoofd van de bevolking wordt uitgezet tegen het percentage armen in de bevolking (zie hiervoor de bijgevoegde illustratie). Het GPF laat zien dat er wereldwijd vijf groepen van landen zijn (clusters). Die vijf mondiale clusters verschillen significant van elkaar wat betreft armoede en inkomensniveau.                   Saillant detail is dat Griekenland het armste land is van het rijkste cluster; Nederland zit bij de rijksten onder de rijken. De vijf clusters laten duidelijk zien dat ontwikkelingshulp geen eenheidsworst moet zijn, maar een aparte aanpak per cluster vereist. In de bijgevoegde illustratie worden de BRIC-landen apart zichtbaar gemaakt. Hieruit blijkt dat deze landen grote onderlinge verschillen vertonen en dus niet, zoals zo vaak gebeurt, op één hoop mogen worden gegooid. Het is interessant om deze indeling in vijf clusters te vergelijken met de aanpak van de Wereldbank, waarbij alleen de informatie over het BNP per capita wordt gebruikt (World Bank Atlas Method, 2012). Door deze beperkte één-dimensionale aanpak positioneert de Wereldbank de clusters 4 en 5 in één groep omdat de absolute inkomens dicht bij elkaar liggen (zie illustratie). Een extra dimensie in de ordening laat zien dat de clusters 4 en 5 grote verschillen tonen in het percentage armen (ca. 30 %) en dus niet in één groep horen. Merk ook op dat het verschil tussen China en India nog groter is en 40% bedraagt. Een belangwekkende ontdekking is dat de clusters op een mondiale ontwikkelingskromme liggen en dat ze zich in de tijd langs die kromme bewegen. In de afgelopen decennia hebben de landen in het rijkste cluster (cluster 1) de landen in de andere vier clusters ver achter zich gelaten. En, met uitzondering van China, hebben in die tijd de landen in het armste cluster (cluster 5) geen vooruitgang geboekt. Daarnaast laat het raamwerk zien dat er landen zijn die niet op maar duidelijk boven de armoedekromme liggen. Dit betekent dat daar het beschikbare inkomen naar een kleine groep rijken gaat, met als gevolg een onnodig hoog percentage armen. Maar er zijn ook landen die duidelijk onder de armoedekromme liggen. Dit betekent dat daar de inkomens te veel genivelleerd worden, waardoor de economische groei achterblijft. Dit zijn uiterst belangrijke indicatoren die aangeven welke prioriteit in een ontwikkelingsland moet worden gekozen: bestuurlijke hervormingen gericht op een rechtvaardiger verdeling van inkomens of op economische hervormingen gericht op het verhogen van de economische groei of op beide. Tenslotte laat het proefschrift ook nog de mondiale armoedekaart zien, waarop de geografische ligging van de landen in de vijf clusters zichtbaar wordt gemaakt. Aangrenzende landen met een groot verschil in welvaart zijn bronnen van grote sociale onrust en geweld. In de toekomstige activiteiten voor vrede en veiligheid zou meer aandacht moeten uitgaan naar deze grensgebieden. Versnelling armoedereductie Om een zinvolle bijdrage te leveren aan de noodzakelijke bestuurlijke en economische hervormingen moet de ontwikkelingshulpsector radicaal worden vernieuwd. Het Cyclisch Innovatie Model geeft aan dat daarvoor drie complementaire leiderschapstaken met elkaar moeten worden verbonden: het formuleren van een toekomstbeeld (waar willen we naar toe met de ontwikkelingshulpsector?), het ontwerpen van een transitiepad (hoe gaan we dit aanpakken?) en het toepassen van een cyclisch procesmodel (hoe gaan we de veranderingen daadwerkelijk realiseren?). Het procesmodel geeft aan met welke concrete activiteiten de ontwikkelingshulpsector, in nauwe samenwerking met het ontwikkelingsland in kwestie, zich moet gaan bezighouden: (1) wetenschappelijk onderzoek uitvoeren naar de technische en economische mogelijkheden van het ontwikkelingsland; (2) moderne technologieën aanpassen die toepasbaar zijn in de veelal beperkte infrastructuren van het ontwikkelingsland; (3) nieuwe producten ontwikkelen die nodig zijn in het ontwikkelingsland zelf, maar die ook nodig zijn om de concurrentiekracht van dat land te versterken en, tenslotte, (4) handelsrelaties opbouwen om de nieuwe producten onder eerlijke en concurrerende voorwaarden op de wereldmarkt te brengen. Zo laat het proefschrift zien dat op een samenhangende manier een eigen kenniseconomie kan worden opgebouwd die een volwaardige rol speelt in de mondiale economie. Het is duidelijk dat deze nieuwe aanpak totaal andere vaardigheden eist van de ontwikkelingshulpsector. Het Cyclisch Innovatie Model voor de ontwikkelingshulpsector functioneert hierbij als een ‘game-changing tool’ voor de sector. Aanbevelingen Nederland is een filantropisch paradijs. Er zijn ongeveer een kwart miljoen organisaties (stichtingen en verenigingen) ingeschreven bij de Kamer van Koophandel die private gelden inzamelen en uitgeven voor goede doelen, in totaal geschat op vier en een half miljard euro per jaar (onderzoek van de Vrije Universiteit van Amsterdam). Daarnaast geven we ook nog eens verplicht zo’n zelfde bedrag uit aan ontwikkelingshulp. De politiek heeft er voor gekozen om hier focus aan te brengen en hulp te geven aan slechts 15 landen. Interessant is dat al die landen onder de armoede kromme liggen, hetgeen betekent dat de aandacht zich vooral zou moeten richten op economische versterking. Opmerkelijk is wel dat er landen bij zitten die in cluster 3 zitten (Indonesië en de Palestijnse gebieden) en dus veel welvarender zijn in vergelijking met de landen in de clusters 4 en 5. Het proefschrift formuleert voor de Nederlandse beleidsmakers de volgende concrete adviezen: 1.     Formuleer een inspirerende toekomstvisie die aansluit bij de nieuwe inzichten over armoede en ontwikkel generiek armoedebeleid dat verschilt per cluster; 2.     Maak vervolgens het clusterbeleid specifiek door, in nauwe samenwerking met elk gekozen land in dat cluster, concrete ambities te kiezen en een meerjarig transitiepad in te richten (roadmapping); 3.     Formuleer nu pas de projecten, gebaseerd op de inzichten van het cyclisch procesmodel en breng binnen deze projecten synergie aan tussen de eerste geldstroom (overheid), tweede geldstroom (filantropie) en derde  geldstroom (bedrijfsleven) activiteiten; 4.     Meet de effectiviteit van het nieuwe beleid door jaarlijks de beweging van elk land langs de armoedekromme te monitoren; pas de aanpak aan als resultaten achterblijven (leerproces); Tenslotte raad ik het kabinet Rutte aan om de Nederlandse bijdrage aan ‘het vergroten van de veiligheid’ en ‘het verminderen van de ongelijkheid’ in de wereld te optimaliseren door het beleid voor asielverlening, vredesmissies en ontwikkelingshulp sterk te integreren, zowel inhoudelijk als financieel. Guus Berkhout, promotor van Rutger

‘De allerarmsten worden niet geholpen. En dat kan wél.’

Door Marc van Dijk | 05 augustus 2020

Te vaak lanceren hulporganisaties projecten zonder eerst te praten met degenen om wie het gaat. Onderzoeker Anika Altaf sprak met de allerarmsten in Ethiopië, Benin en Bangladesh. Om hen te bereiken moet het roer om.

Lees artikel

Richt je niet alleen op laaghangend fruit

Door Marc Broere | 30 juli 2020

In zijn hoofdredactioneel commentaar in de nieuwe Vice Versa doet Marc Broere een oproep aan ontwikkelingsorganisaties om een extra mijl te lopen om ook de meest gemarginaliseerden in te sluiten in hun projecten. Onderzoeker Anika Altaf laat zien dat het kan.

Lees artikel

Column Eva Nakato: Van nadeel tot voordeel

Door Eva Nakato | 27 juli 2020

Wat vroeger in je leven als ‘ongepast’ werd gezien door je omgeving, blijkt vaak de sleutel tot succes in je latere leven te zijn. Ook voor onze columniste Eva Nakato. Vroeger werd ze soms gepest om haar zware stem, nu wordt ze juist hiervoor uitgekozen voor het spreken in het openbaar en het inspreken van teksten.

Lees artikel