Door:
Vera Hendriks

28 maart 2012

Categorieën

Tags

De overheid zet in flink op Nederlandse bedrijven die moeten gaan ondernemen in ontwikkelingslanden. Mooi natuurlijk, want bedrijven creëren werkgelegenheid en kunnen producten van lokale ondernemers afnemen, die daardoor een nieuwe impuls krijgen. Maar in de praktijk blijkt dat de ideale match tussen Nederlandse en lokale bedrijven nog ver te zoeken is, observeerde Vera Hendriks tijdens haar reis naar Rwanda. Vorige maand bracht ik twee weken door in Rwanda; een land dat ik eerst alleen associeerde met genocide, maar dat me inmiddels een frisse blik op Afrika heeft gegeven. De hoofdstad Kigali is een keurig aangeharkte stad, met prachtige asfaltwegen, verkeersborden en stoplichten die aftellen tot je verder mag. Plastic zakken zijn verboden en nergens ligt afval in de goot. Op de heuvels van het stadscentrum verrijzen steeds nieuwe gebouwen. En ook buiten de stad vind je bedrijvigheid; het land ligt vol akkers, zelfs op de meest steile hellingen.   Het gaat goed met Rwanda, zo te zien. En dat is precies wat de Rwandese regering graag hoort; de ambitie van Rwanda is om ‘het Singapore van Afrika’ te worden. Dat houdt ook in dat het land aantrekkelijk moet worden gemaakt voor samenwerking met buitenlandse investeerders. Liever dát dan al die ngo’s. Ondernemen Stel, je hebt een Nederlands bedrijf. Wat is er dan nodig voor ondernemen in een land als Rwanda? Ten eerste een lokaal netwerk: weten bij wie je terecht kunt met je deal. Veel bedrijven kloppen daarom aan bij de Nederlandse ambassade; de afgelopen twee jaar is de aanloop aantoonbaar gestegen. Ook via andere wegen, zoals ngo’s en netwerken als Agri-ProFocus, komen bedrijven bij lokale partners terecht. Dit kan snel of langzaam gaan, maar over het algemeen is eerste contacten leggen niet het lastigste onderdeel. Ten tweede heb je geschikte lokale partners nodig. Dat kunnen coöperatieven zijn die maïs aanleveren, of het lokale midden- en kleinbedrijf (speerpunt van staatssecretaris Knapen) die voor ondersteunende diensten zorgen. En daar blijkt het vaak spaak te lopen. Er is in Rwanda nauwelijks sprake van een middensector. De Rwandese bedrijven die bij de Nederlandse ambassade aankloppen voor zaken, zijn meestal te klein en hebben te weinig omzet om interessant te zijn voor Nederland. Ook is de kwaliteit van de geleverde producten vaak niet goed genoeg. En dan haken de Nederlanders weer af, want ondernemen is nu eenmaal geen liefdadigheid. Voorwaarden scheppen Om Rwandese partners rendabel te maken, zou er langdurig geïnvesteerd moeten worden in schaalvergroting en omzetverhoging. Dat houdt voor landbouw in dat de ‘professionele’ boerenondernemers land moeten kopen van hen die alleen hun eigen eten verbouwen. Met meer land kunnen ze hogere kredieten krijgen, investeren in machines, en werken aan kwaliteitsverbetering. Daarnaast moeten coöperatieven hun administratie en leiderschap op orde krijgen en markten moeten beter en centraler worden georganiseerd.  Er moet kortom een ´enabling environment´ worden gecreëerd. Maar wie gaat daarvoor zorgen? President Kagame doet zijn best, maar zijn regering bestaat vooral uit technocraten, generaals en PR-medewerkers, niet uit boeren. Ngo’s die al jaren in Rwanda werken kunnen een klein deel voor hun rekening nemen, maar ze hebben niet het geld (en het politieke fiat) om grootschalige veranderingen in gang te zetten. En bedrijven raken pas geïnteresseerd als ze hun investering snel weer terug kunnen verdienen, waar capaciteitsontwikkeling juist een langetermijnproces is. Nu nog even niet Dit ontwikkelingsproces kan nog jaren gaan duren. De ideale match tussen een Nederlands en een Rwandees bedrijf wordt voorlopig maar mondjesmaat gevonden, en vaak alleen nog op ideële basis. Zolang Rwanda niet de voorwaarden kan scheppen die het zinnig maken om er te investeren, en zolang de Rwandese afzetmarkt verwaarloosbaar is door het ontbreken van een koopkrachtige middenklasse, zullen ondernemers hun neus blijven ophalen voor Afrika, alle subsidies ten spijt. Wat niet wil zeggen dat Afrika hopeloos is: integendeel, het is een prachtig continent met ongelooflijk veel potentieel. Door Afrika te negeren, lopen Nederlandse ondernemers misschien miljoenen mis. Maar voordat het zover is dat we massaal naar het zuiden trekken, moet er worden stilgestaan bij de realistische mogelijkheden, en hoe die ontplooid kunnen worden. En volgens mij is (niet-winstgerichte)ontwikkelingssamenwerking daar nog steeds hard bij nodig.

Deugen de meeste mensen nu wel of niet?

Door Hans Beerends | 31 oktober 2019

Historicus Rutger Bregman stelt in zijn nieuwe boek dat de meeste mensen deugen, verwijzend naar de prehistorie. Daar staat volgens Hans Beerends tegenover dat veel deugende mensen zich ook gemakkelijk laten misleiden.

Lees artikel

Het Raadsel van de ander

Door Vice Versa | 08 oktober 2019

In de nieuwe Vice Versa die komend weekend verschijnt staat ‘de ander’ centraal en zoeken we naar een nieuw, progressief narratief. Angst voor de ander kun je alleen bestrijden met menselijke verhalen, schrijven Ayaan Abukar en Marc Broere.

Lees artikel

Bouwstenen voor een nieuw Latijns-Amerika beleid

Door Vice Versa | 01 oktober 2019

Hoewel Latijns-Amerika al een tijd verdwenen is uit de spotlichten van de Nederlandse politiek, hebben we meer met elkaar te maken dan we denken. Is het niet tijd voor een nieuw en actief Latijns-Amerika beleid? Op maandagmiddag 14 oktober gaan we hierover in Den Haag tijdens de bijeenkomst ‘Het Koninkrijk en zijn buren’ in gesprek met experts en politici.

Lees artikel