Door:
Wiet Janssen

15 februari 2012

Categorieën

Hoogleraar Ontwikkelingsstudies Annelies Zoomers maakte enige tijd geleden voor Vice Versa een uitgebreide analyse van de beleidskeuzes van staatssecretaris Knapen. Ze heeft terecht zorgen, vindt Wiet Janssen. De activiteiten van de ‘nieuwe partnerlanden’ kunnen we echter niet tegenhouden. Maar we kunnen wel degelijk de armoede helpen verminderen! Maar of ngo’s hierin een rol kunnen spelen? Wetenschapper Janssen denkt van niet. ‘Wat betreft de hulp aan het maatschappelijk middenveld: er kon in de evaluatie Maatgesneden Monitoring: ‘Het verhaal achter de cijfers’ en Beperkte beleidsdoorlichting Medefinancieringsstelsel 2007-2010 geen enkel resultaat worden gevonden.’

Door Wiet Janssen

Annelies Zoomers maakt zich zorgen over allerlei nieuwe ontwikkelingen op het gebied van ontwikkelingshulp. Er ontstaan Zuid-Zuid relaties: nieuwe partnerlanden worden actief, zoals China, India en Saoedi-Arabië, die enthousiast investeren in Afrika, grondstoffen en land opkopen, enzovoorts. Ook ontstaan er steeds meer contacten tussen ontwikkelingslanden van waaruit mensen zijn geëmigreerd en de landen waar de migranten heen zijn gegaan. Dat alles leidt ertoe dat de invloed van de Westerse landen afneemt.

Hoe moet het Westen daarop reageren, vraagt Zoomers zich af. Zijn de nieuwe Nederlandse speerpunten wel het juiste antwoord?  Volgens haar ‘is niet het gebrek aan economische zelfredzaamheid het probleem, maar vooral de grootschalige instroom van kapitaal die ten koste gaat van het milieu en armoedebestrijding.’ Die bewering wordt in haar betoog echter nauwelijks onderbouwd.

Er zijn helemaal geen nieuwe speerpunten

In de eerste plaats staan de zogenaamde nieuwe speerpunten voedselzekerheid, water, reproductieve gezondheidszorg (in het de Toelichting op de Begroting samengevoegd met HIV/AIDS) en veiligheid al jaren in de Toelichting, en het zijn maar kleine posten. Ze zijn noch nieuw, noch speerpunten. Hieronder een samenvatting van de begroting:

Tabel 1: Niet opgenomen in dit overzicht zijn posten kleiner dan 1% van de begroting: rechtsorde, mensenrechten, veiligheid, ontwapening, gelijke kansen voor vrouwen en HBO onderwijs. Effectiviteit van het EU optreden, 3,9%, wordt toegevoegd aan de EU begroting.

Maar speerpunten of niet, de vraag blijft: waar zou het Nederlandse beleid zich, gezien de internationale ontwikkelingen, op moeten richten? Om op die vraag een antwoord te vinden dienen we even stil te staan bij de situatie van de ontwikkelingslanden in Afrika, en na te gaan wat de effecten zijn van de activiteiten van de nieuwe donoren.

De groei van de economie in Afrika zuidelijk van de Sahara: ca. 2,8%

De laatste maanden staan er vaak stukken in de krant waarin beweerd wordt dat Afrika een geweldige economische groei doormaakt. Groeicijfers van 10% en meer worden genoemd.  Maar daarbij wordt geen rekening gehouden met de inflatie van de dollar, noch met de daling van de koers van de dollar ten opzichte van andere munten. Ook wordt er geen rekening gehouden met de bevolkingsaanwas, die in Afrika de afgelopen jaren zo’n 2,6% bedroeg. Het nationaal product moet daardoor immers met steeds meer mensen gedeeld worden. Bovendien is de omrekening van de lokale munt in dollars tegen de geldende wisselkoers niet correct. In de meeste ontwikkelingslanden is het prijsniveau veel lager dan in de VS, en je kunt er dus voor een dollar veel meer kopen dan in de VS.

Om de mate van welvaartstijging in een land te meten hanteert de Wereld Bank daarom de groei van de koopkracht per inwoner. De Bank gebruikt daarvoor een groot pakket goederen en diensten, met elk een gewichtsfactor, en gaat in ieder land na hoeveel daarvan met een gemiddeld inkomen kan worden gekocht. De Bank kijkt dan hoeveel dollars er nodig zouden zijn om een vergelijkbaar pakket te kopen in de VS. Zo wordt voor ieder land het gemiddeld inkomen per inwoner in koopkracht vastgesteld. In het Engels is dat het Gross Domestic Product per capita in purchasing power parity, ofwel GDP/cap PPP. Dat wordt nu algemeen gezien als de beste maat voor ontwikkeling en welvaart. Als je dat gebruikt blijkt dat de groei in Afrika lang zo geweldig niet is. Het was 2,5% in 2010, en dat is ook het gemiddelde sinds 2000 (World dataBank).

De nieuwe partnerlanden dragen niet bij aan armoedevermindering

De groei in sub-Sahara Afrika is dus wel veel sterker dan in de jaren vóór 1995, maar het is geen China. De groei is bovendien voor een groot deel te danken aan de stijgende prijzen van grondstoffen, zoals olie en mineralen. De arme bevolking heeft daar maar heel weinig voordeel van. Dat blijkt ook uit de armoede-indicatoren. Het percentage ondervoede kinderen onder de vijf volgens het criterium ‘Te kort voor hun lengte’ (dus ernstige groeiachterstand), is al jaren boven de 40% en het daalt maar heel langzaam.

De nieuwe partnerlanden zijn ook helemaal niet bezig met armoedevermindering. Hun activiteiten zijn het beste samen te vatten als een vorm van neokolonialisme. Het is in de eerste plaats de lokale elite die profiteert van de verkoop van grondstoffen en van land. Vaak hebben arme boeren geen eigendomspapieren en worden ze eenvoudigweg van hun land gejaagd. En op de grote, door Chinezen gerunde landerijen, zijn weliswaar landarbeiders nodig, maar die krijgen een bedroevend laag loon. Ook levert de exploitatie van grondstoffen maar heel weinig banen op. Mogelijk ontstaat er in de steden wat meer werkgelegenheid, bijvoorbeeld in de handel. Maar de industrie, in veel opkomende landen de banenmotor bij uitstek, wil in sub-Sahara Afrika nog niet erg van de grond komen.

Eén van de redenen is dat het prijsniveau er te hoog is. In Azië is het veel lager terwijl de productiviteit er hoger is. In India bijvoorbeeld is het prijsniveau gemiddeld twee-derde van dat in Afrika, terwijl het GDP/cap PPP er ongeveer anderhalf maal zo hoog ligt, wat wil zeggen dat de gemiddelde productiviteit er ook anderhalf maal hoger is. Afrikaanse ondernemers kunnen daarom vaak niet concurreren met geïmporteerde goederen, laat staan op exportmarkten. Bijna alle Afrikaanse landen zijn tegenwoordig netto voedselimporteurs. En het is vooral de export van grondstoffen die verantwoordelijk is voor het hoge prijsniveau. De regering wisselt de vreemde valuta voor een groot deel om in lokale munt, en door de hogere vraag stijgt dan de wisselkoers. Overigens, ook de dollars en euro’s van de ontwikkelingshulp dragen bij aan de stijging van de wisselkoers. Vooral de arme boeren hebben daar last van. Hun kosten zijn relatief hoog, maar hun productiviteit is niet meegestegen en zo raken ze achterop.

De activiteiten van de nieuwe partnerlanden dragen dus niet bij aan vermindering van de armoede. Er is dus alle reden om gewoon door te gaan met de ontwikkelingshulp!

Welke ontwikkelingshulp? 

Tot nu toe is de hulp in Afrika niet erg succesvol geweest. Voor zover de armoede verminderd is, lijkt dat meer een gevolg van de economische ontwikkeling van de laatste jaren dan van de hulp. De Nederlandse hulp is ook nauwelijks gericht geweest op economische ontwikkeling. Uit bovenstaand overzichtje van de begrotingsposten blijkt dat er niet één post specifiek is gericht op het genereren van inkomen.

Ook beroepsopleidingen dragen daar niet aan bij. Kinderen van arme families gaan maar een paar jaar naar school want ze moeten al vroeg meewerken om het gezinsinkomen bij elkaar te verdienen, in geld of in natura. Ze komen nooit op die beroepsopleidingen. Ze leren dus hoogstens een klein beetje lezen en schrijven, maar daar gaat de maïs niet harder van groeien. Wat betreft de hulp aan het ‘Maatschappelijk middenveld’, er kon in de evaluatie Maatgesneden Monitoring: ‘Het verhaal achter de cijfers’, Beperkte beleidsdoorlichting Medefinancieringsstelsel 2007-2010 geen enkel resultaat worden gevonden, terwijl het toch ging om een bedrag van € 382 miljoen.

Gezondheidszorg draagt er weliswaar toe bij dat bepaalde groepen zieken genezen, maar andere groepen blijven juist langer leven met hun ziekte, zodat de gemiddelde gezondheidstoestand toch niet verbetert (World health statistics 2010, WHO, Geneva). Schoon drinkwater dichtbij de huizen leidt ertoe dat de vrouwen niet meer zo ver hoeven te sjouwen met waterblikken, waardoor ze fitter zijn en meer kinderen krijgen. Maar waar voedsel schaars is neemt de kinderondervoeding dan fors toe (Gibson M.A., R. Mace, 2006: An energy-saving development initiative increases birth rate and childhood malnutrition in rural Ethiopia, PLoS Medicine, 2006 Vol. 3, No. 4, e87, Cambridge UK, p 0476 – 0484). Ook van de andere posities kan niet worden verwacht dat ze leiden tot inkomen.

Hulp richten op inkomen voor de armen en het uitbannen van de honger

Is inkomen dan zo vreselijk belangrijk? Ja! Wie geld heeft kan voedsel en medicijnen kopen, samen met andere dorpelingen een pomp laten installeren, de kinderen naar een school sturen waar ze iets leren waar ze wel wat aan hebben, een huisje kopen met een golfplaten dak en een betonnen vloer zodat je geen last hebt van allerlei insecten en andere viezigheid, een deken kopen om onder te slapen, etc. Maar om een inkomen te verdienen moeten mensen beschikken over kennis en vaardigheden. Ruim twee-derde van de bevolking in Afrika leeft van de landbouw, en het overgrote deel ervan is straatarm. Dus het overbrengen van kennis en vaardigheden aan arme boeren waardoor ze meer en/of lucratievere producten kunnen produceren, zou een enorm effect hebben.

De post ‘voedselzekerheid’ is nu maar 5% van de Nederlandse hulp. Op basis van een plan van de FAO van een paar jaar geleden heb ik een schatting gemaakt van de kosten om 10 miljoen mensen in Afrika uit te honger te bevrijden. Dat zou ca. € 750 miljoen kosten gedurende 15 jaar, dat is jaarlijks zo’n 17% van de ontwikkelingshulp. Er zijn uitstekende resultaten geboekt met zulke landbouwprojecten. De boeren kunnen overschotten creëren en zo een inkomen genereren. En als ze de kennis eenmaal hebben dan blijven ze die ook gebruiken, en hebben ze geen hulp meer nodig. En dáár moet het naartoe.

Tot slot: de zorgen van Zoomers

Volgens Zoomers ‘is niet het gebrek aan economische zelfredzaamheid het probleem, maar vooral de grootschalige instroom van kapitaal die ten koste gaat van het milieu en armoedebestrijding.’ Ik denk dat voor de armen economische zelfredzaamheid nou juist wél het probleem is. Maar ik denk niet dat de armen wakker liggen van schade aan het milieu, tenzij het hun eigen land of drinkwater betreft. Maar hoe dan ook, behalve waarschuwen kan Nederland niet zo verschrikkelijk veel doen aan die milieuschade. Aan de armoede kunnen we echter wél wat doen. Bijvoorbeeld kennis overbrengen en de honger verminderen, en wel zó dat de hulp overbodig wordt. Laten we dát dan gaan doen.

Deugen de meeste mensen nu wel of niet?

Door Hans Beerends | 31 oktober 2019

Historicus Rutger Bregman stelt in zijn nieuwe boek dat de meeste mensen deugen, verwijzend naar de prehistorie. Daar staat volgens Hans Beerends tegenover dat veel deugende mensen zich ook gemakkelijk laten misleiden.

Lees artikel

Het Raadsel van de ander

Door Vice Versa | 08 oktober 2019

In de nieuwe Vice Versa die komend weekend verschijnt staat ‘de ander’ centraal en zoeken we naar een nieuw, progressief narratief. Angst voor de ander kun je alleen bestrijden met menselijke verhalen, schrijven Ayaan Abukar en Marc Broere.

Lees artikel

Bouwstenen voor een nieuw Latijns-Amerika beleid

Door Vice Versa | 01 oktober 2019

Hoewel Latijns-Amerika al een tijd verdwenen is uit de spotlichten van de Nederlandse politiek, hebben we meer met elkaar te maken dan we denken. Is het niet tijd voor een nieuw en actief Latijns-Amerika beleid? Op maandagmiddag 14 oktober gaan we hierover in Den Haag tijdens de bijeenkomst ‘Het Koninkrijk en zijn buren’ in gesprek met experts en politici.

Lees artikel