Door:
Vera Hendriks

12 augustus 2011

Categorieën

Het IOB-rapport over capaciteitsontwikkeling dat afgelopen vrijdag verscheen ‘bewijst dat de Nederlandse aanpak gericht op capaciteitsontwikkeling belangrijk is’. Vice Versa vroeg samensteller Piet de Lange en ook deelnemende organisaties PSO, SNV en Partos naar hun reacties op het rapport. Piet de Lange, evaluator bij IOB die het syntheserapport heeft samengesteld uit 26 verschillende case studies uit het zuiden, laat weten dat hij ‘zeker tevreden’ is. ‘Het is een heel mooi rapport geworden, al zeg ik het zelf.’ En daarbij: ‘Dat Staatssecretaris Knapen het belang van het rapport in zijn beleidsreactie onderschrijft en de conclusies en lessen zonder enig voorbehoud heeft overgenomen geeft mij het vertrouwen dat het rapport van betekenis zal zijn voor toekomstige beleidsontwikkeling.’ Zijn tevredenheid wordt onderschreven door Hilde van der Vegt van PSO: ‘Het rapport biedt ons nieuw inzicht in capaciteitsontwikkeling en bevat waardevolle lessen. We kunnen er onze praktijk direct mee verbeteren.’ PSO is ‘heel blij dat het rapport erkent dat capaciteitsontwikkeling een endogeen proces is, iets wat essentieel is voor de hele aanpak van ontwikkelingssamenwerking. Dat is wat PSO altijd al in de praktijk brengt,’ aldus Hilde. Elsa Scholte van SNV zegt ook dat haar organisatie blij is met de evaluatie. ‘Het laat zien dat een aantal interventies in waardeketens van SNV effectief zijn geweest.’ Partos is eveneens tevreden met de uitkomst. Verrassing De Lange vertelt dat het IOB van te voren geen scherp beeld van de uitkomst had. ‘Ik ben wel verrast door de bevinding dat zuidelijke organisaties zo weinig zicht hebben op wat ze willen en wat ze al hebben bereikt. Met alle aandacht die de sector in de afgelopen tien jaar heeft besteed aan het verbeteren van planning en rapportages, zou je toch denken dat het beter op orde zou zijn.’ De zuidelijke partners lijken veelal nog ver van echte verankering in de samenleving, zo stelt de Lange. ‘En al met al hebben de zuidelijke organisaties geen duidelijk beeld van welke capaciteiten ze nodig hebben om effectief te zijn voor hun doelgroep.’ ‘Uiteindelijk blijkt toch dat er bij 20 van de 26 onderzochte zuidelijke partners er 20 op tenminste één capaciteit vooruitgang hebben geboekt,’ zegt Hilde van der Vegt tamelijk tevreden. Wel vindt PSO dat sommige conclusies te snel zijn getrokken. ‘De IOB heeft zich bij sommige gevolgtrekkingen beperkt tot input-output relaties. PSO vindt dat het IOB meer gebruik had kunnen maken van anekdotisch materiaal. Je moet letten op subtiele gedrag- en houdingsveranderingen om veranderingen in capaciteit waar te kunnen nemen. Maak gebruik van verschillende soorten bewijs, dat is onze kanttekening.’ Aase Kretzschmar van Partos is het hier volledig mee eens: ‘Wij zijn van mening dat het IOB-rapport een vollediger beeld zou schetsen indien breder gebruik zou zijn gemaakt van het onderliggende materiaal.’ Opmerkelijk commentaar, aangezien het rapport zelf een sterk standpunt inneemt tegen monocausale monitoring & evaluatie. Scholte (SNV) merkt op dat het jammer is dat de focus halverwege het onderzoek is verschoven van aandacht voor leren en kennisopbouw naar de resultaten. Volgens haar delen de Nederlandse organisaties die mening. Te hoge eisen? Waarom hebben zuidelijke partners voornamelijk verbeterde capaciteiten getoond als het ging om omgaan met externe relaties, zoals donoren? De Lange geeft antwoord:‘Dat ligt misschien aan het perspectief van Nederlandse organisaties op het gebied van capaciteitsontwikkeling: ze willen graag risico’s wegnemen. Ze moeten weten of hun geld goed wordt besteed, en letten dus vooral op of de planning en boekhouding op orde zijn. Zuidelijke organisaties voelen dat heel goed aan,want dat geld is hun lifeline – ze hebben niet veel andere bronnen van inkomsten. Door om te leren gaan met donoren, kunnen ze meer fondsen werven. Er ligt dus een gezamenlijk belang om die capaciteiten te versterken.’ Dat het onmogelijk is gebleken om voldoende data over impact van capaciteitsontwikkeling te verzamelen, kan De Lange wel begrijpen. ‘Het aantonen van impact is een moeilijk vraagstuk, dat zie je ook in andere IOB-evaluaties. Voor outcome daarentegen had ik meer bevindingen verwacht.’ Stelt de IOB eigenlijk wel realistische eisen aan zuidelijke partners? ‘Dat zuidelijke organisaties niet de benodigde data hebben verzameld, ligt denk ik niet aan de te hoge eisen van het IOB. Daar waren we juist heel open in.’ Maar De Lange geeft wel toe: ‘In het algemeen denk ik dat de administratieve eisen van de donorwereld nog steeds niet sporen met die van zuidelijke partners.’ Nederlandse invloed, een druppel op een gloeiende plaat? Gezien de conclusie dat effecten van Nederlandse hulp in capaciteitsontwikkeling vaak worden tenietgedaan door politieke en economische omstandigheden, is onze invloed als land niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat? Van der Vegt (PSO) is het daar niet mee eens: ‘Politieke en economische factoren hebben altijd invloed op de capaciteitsontwikkeling van zuidelijke partners, natuurlijk. Maar binnen Nederland heeft beleid gericht op capaciteitsontwikkeling wel altijd de nadruk gehad. Nederland besteedt haar geld hieraan niet zomaar! Zuidelijke organisaties geven juist terug dat het waardevol is dat er ruimte is voor de ontwikkeling is van de eigen organisatie naast de financiering van projecten. Nederland is daarin als donor bijzonder.’ aldus Van der Vegt. Volgens Kretzschmar (Partos) ‘toont het rapport de meerwaarde aan van de langdurige vertrouwensrelaties van de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties met hun Zuidelijke partnerorganisaties voor duurzame capaciteitsopbouw. Deze uitkomsten geven ons vertrouwen in onze werkwijze en aanpak.’ De Lange (IOB): ‘Het feit dat organisaties kunnen bestaan dankzij Nederlands geld is ook heel belangrijk!’ Hij voegt eraan toe:‘Of wij invloed richting ontwikkeling hebben? Nederlandse hulp kan zeker van betekenis zijn,wanneer overige krachten ook meewerken.’ Vertaling naar het veld Nu ligt er een lijvig onderzoeksrapport. Wat gaan de IOB en deelnemende organisaties doen om deze ambtelijke taal naar het veld te vertalen? ‘We hebben wel een samenvatting in het Engels en in het Nederlands gemaakt,’ aldus De Lange.‘Verder werken we aan een referentienotitie, zeg maar een soort how-to guide, over hoe je het 5c-model ook toepasbaar kunt maken op uitvoering van ontwikkelingssamenwerking. En we hebben nog steeds een uitnodiging staan aan de deelnemende organisaties om samen te praten over hoe de bevindingen van het rapport doorgevoerd kunnen worden in het zuiden. Tot nu toe hebben ze niet gereageerd.’ Toch zegt Van der Vegt: ‘Het syntheserapport biedt behoorlijk wat aangrijpingspunten, zeker ook de afzonderlijke rapportages. Aangezien de evaluatie gezamenlijk is uitgevoerd,lijkt het me het meest logisch om de uitvoering van verbeterpunten ook gezamenlijk aan te pakken.’ SNV reageert: ‘We nemen de aanbevelingen van het rapport zeer serieus.’ Volgens Elsa Scholte is een groepje van organisaties al bezig met een vervolgplan. Ook Partos onderschrijft dit: ‘Deze lessen en aanbevelingen zullen we proactief oppakken in vervolgactiviteiten.’ Van belang is vooral dat Knapen in zijn beleidsreactie een conferentie heeft aangekondigd om de bevindingen te bespreken en een veranderingsagenda op te stellen. Dat sluit aan op de bevinding in het rapport dat er een professionaliseringsslag is te maken, maar dat het Ministerie en de Nederlandse organisaties dat niet op eigen houtje kunnen: zij moeten dat doen in samenwerking met hun zuidelijke partners en internationale experts.

Het Raadsel van de ander

Door Vice Versa | 08 oktober 2019

In de nieuwe Vice Versa die komend weekend verschijnt staat ‘de ander’ centraal en zoeken we naar een nieuw, progressief narratief. Angst voor de ander kun je alleen bestrijden met menselijke verhalen, schrijven Ayaan Abukar en Marc Broere.

Lees artikel

Bouwstenen voor een nieuw Latijns-Amerika beleid

Door Vice Versa | 01 oktober 2019

Hoewel Latijns-Amerika al een tijd verdwenen is uit de spotlichten van de Nederlandse politiek, hebben we meer met elkaar te maken dan we denken. Is het niet tijd voor een nieuw en actief Latijns-Amerika beleid? Op maandagmiddag 14 oktober gaan we hierover in Den Haag tijdens de bijeenkomst ‘Het Koninkrijk en zijn buren’ in gesprek met experts en politici.

Lees artikel

Amsterdam ontmoet Mogadishu

Door Lizan Nijkrake | 28 september 2019

Daily Paper, het Amsterdamse straatmodemerk, maakte een collectie T-shirts met tekeningen van voormalige kindsoldaten in Somalië. Wat begon als een klein project voor het Elman Peace Center, leidde dankzij sociale media tot iets groters: fotografen en filmmakers, muzikanten en klanten bieden hun hulp aan. ‘Jonge mensen zijn vaak zó idealistisch, ze willen betrokken blijven.’ Een profiel.

Lees artikel