Door:
Vera Hendriks

9 augustus 2011

Categorieën

Afgelopen vrijdag  kwam een langverwacht synthese-rapport van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) uit, waarin het effect van Nederlandse hulp op de capaciteitsontwikkeling van zuidelijke partners wordt beschreven. Het rapport is overwegend positief over de Nederlandse invloed, maar stelt wel dat bij gebrek aan data het moeilijk te bewijzen is of en door wie er iets is veranderd. Het onderzoek werd uitgevoerd door de IOB in samenwerking met de Commissie voor de Milieueffectrapportage, het Nederlands Instituut voor Meerpartijendemocratie, PSO, Agriterra, Partos (Quality House), SNV en het Ghanese Ministerie van Gezondheid. Eigenlijk bestaat het uit 26 case studies, waaruit gezamenlijke trends en lessen zijn gehaald die tot doel hebben een beter inzicht te verlenen in capaciteitsontwikkeling en wat daarvoor nodig is. De case studies zijn niet gekozen als representatieve steekproef, maar op basis van welke ervaring het meest te leren viel. Aan de basis van de evaluatie liggen vier hoofdvragen. De IOB wil weten welke veranderingen in capaciteit van zuidelijke partners hebben plaatsgevonden en hoe die veranderingen het bereiken van ontwikkelingsdoelen hebben beïnvloed. Daarnaast is onderzocht hoe effectief Nederlandse interventies voor capaciteitsontwikkeling zijn geweest en welke factoren daarbij bepalend zijn. De methodologie leunt sterk op het concept van de ‘5 capabilities’ (zie hier voor uitleg). Moeilijk verbanden leggen bij gebrek aan data De meest in het oog springende conclusie is dat Nederlandse hulp heeft geleid tot het verbeteren van vooral de ‘capability to act and commit’ en de ‘capability to relate to external stakeholders’. Dit zijn bekwaamheden die van doen hebben met het omgaan met buitenlandse donoren. Zuidelijke organisaties blijken opmerkelijk veel waarde hieraan te hechten, omdat ze voor een groot deel van buitenlands geld afhankelijk zijn. Er is ook een aannemelijk verband aangetoond tussen de ‘capability to act and commit’ en de ‘capability to deliver on development objectives.’ Het Nederlands beleid is op deze punten dus grotendeels positief geweest. Wel wordt de aantekening gemaakt dat het heel moeilijk is te bepalen of Nederlandse hulp nu de doorslag heeft gegeven in het verbeteren van capabilities, aangezien er veel meer factoren meespelen. Vaak heeft bijvoorbeeld het politieke klimaat veel meer invloed dan buitenlandse hulp. Lastig was ook het om een verband te leggen tussen verbeterde ‘capabilities’ en betere outputs, en vrijwel onmogelijk was het om invloed op outcomes te onderscheiden. Dit komt voornamelijk door een gebrek aan data aan de kant van zuidelijke organisaties, die gebrekkige of geen monitoring en evaluatiesystemen hebben en niet goed weten wat ze precies willen bereiken. Faciliteren van vindingrijkheid Het rapport is kritisch over donoren van wie het PME-systeem te veel steunt op simpele monocausale relaties. Er wordt benadrukt dat de werkelijkheid veel complexer is. Daarom moeten donoren beter onderzoeken wat de politieke en economische context is, voordat ze een programma in capaciteitsontwikkeling opstarten – anders kan de uitkomst wel eens tegenovergesteld uitpakken. Verder is de donorondersteuning te vaak van lage kwaliteit en te veel aanbodgestuurd. Tenslotte moeten donoren beter kijken naar welke ‘capabilities’ er al bestaan en die proberen te versterken, in plaats van zich alleen te richten op het bouwen van nieuwe capaciteit. Het rapport concludeert dat een behoorlijke professionalisering van Nederlandse capaciteitsontwikkeling nodig is. Een verschuiving van een aanpak gebaseerd op het verstrekken van middelen naar één die uitgaat van het faciliteren van vindingrijkheid is noodzakelijk. Meer aandacht moet uitgaan naar het creëren van een leercultuur bij zuidelijke organisaties, zodat ze niet alleen evalueren op wat de donor wil weten, maar dat er kritisch wordt gekeken naar de eigen visie en strategie. Geleerde lessen moeten veel meer ten goede gaan komen aan de eigen organisatie en daardoor ook aan de mensen voor wie ontwikkelingshulp uiteindelijk bedoeld is. Het volledige rapport van de IOB is te downloaden op http://www.minbuza.nl/dsresource?objectid=buzabeheer:296935&type=org.

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel