Door:
Wiet Janssen

4 mei 2011

Categorieën

Vorige week beschreef Wiet Janssen waarom hij vond dat er een NL-Aid moet komen. De kwaliteit van het personeel van Buitenlandse Zaken op het gebied van ontwikkelingssamenwerking laat ernstig te wensen over, betoogde hij. Het leidde tot enkele felle reacties. Vandaag de repliek van de wetenschapper. Graag ga ik in op de reacties van Mirjam, Grant Rhodes en Rinus van Klinken op mijn stuk over Buitenlandse Zaken en de eventuele rol van NL-Aid. Ik stel het op prijs dat jullie ingegaan zijn op mijn stuk. Allereerst Mirjam. Zij stelt terecht de vraag waarop ik mijn mening over medewerkers van BZ baseer. Wel, ik heb met zo’n 25 medewerkers van Buitenlandse Zaken gesprekken gevoerd, en 15 ervan heb ik serieus geïnterviewd. Die interviews duurde meestal anderhalf tot twee uur. Is je eerste vraag daarmee afdoende beantwoord? (Omdat je achternaam me onbekend is tutoyeer ik je maar.) Openhartig Die interviews waren vaak zeer openhartig, waarschijnlijk ook omdat ze geanonimiseerd werden. Eén medewerker heeft mij in een anderhalf uur durende uiteenzetting uitgelegd hoe de besluitvorming verliep ten aanzien van steun aan partnerlanden. Per land is daar een team van vijf of zes mensen een paar maanden mee bezig. Er moeten ruim 400 vragen worden beantwoord, en er worden centimeters dikke rapporten geschreven. En dan worden de miljoenen overgemaakt. Meestal is er geen enkele betrokkenheid bij de uitvoering. Behalve bij hulp via projecten (waar dan vaak Nederlandse adviesbureaus bij betrokken zijn) is er geen controle. Soms worden er wel eens accountants gestuurd om de boeken op de betrokken ministeries na te kijken. Die cijfers kloppen meestal wel, maar of ze enige relatie met de werkelijkheid hebben kunnen die accountants ook niet zien. Dus ja, er worden criteria gebruikt, en daar ben ik in principe ook helemaal vóór. Dus daarmee is ook die vraag beantwoord. Maar het probleem is: daar blijft het dan bij? En het enige dat zeker is, is dat het geld dan weg is. Niet professioneel uitgevoerd Dan de vraag waarom BZ ambtenaren zouden moeten weten ‘hoeveel capaciteit de put moet hebben’? Wel, omdat zij (of een door hen ingehuurde deskundige!) moeten kunnen beoordelen of die waterprojecten wel deugen. Als die niet deugen is geld van de Nederlandse belastingbetaler voor niets uitgegeven. Door de lokale ambtenaren en aannemers worden die projecten namelijk meestal niet erg professioneel uitgevoerd. In de eerste plaats hebben de lokale planners vaak te weinig kennis van zaken, zijn er onvoldoende gegevens, deugen de ontwerpen niet, en worden er ook fouten gemaakt bij de installatie. Daar komt dan nog bij dat er door de corruptie vaak te weinig geld is om het goed te doen, en er bezuinigd wordt op materialen en apparatuur. Experts op het gebied van corruptie schatten dat ongeveer een derde deel van de fondsen verdwijnt. Problemen ontstaan bijvoorbeeld door galvanische corrosie, cavitatie in de waaiers van centrifugaalpompen, waterslag, een te hoge stroomsterkte in de elektromotoren bij opstarten, en blikseminslag door een slechte bliksembeveiliging. Maar om je uit te leggen hoe dat precies zit heb je een zekere deskundigheid nodig, en ik vermoed dat je die niet hebt. Buiten werking Ook wordt er vaak geen goede dorpsorganisatie opgezet voor onderhoud, reparatie en vervanging. En om je een voorbeeld te geven van wat dan het resultaat is: in een evaluatiemissie van een groot waterproject in Nigeria die ik uitvoerde voor de EU, bleek dat van de nieuw geïnstalleerde installaties zo’n 20% direct na ingebruikname kapot waren gegaan, of zelfs helemaal nooit hadden gewerkt. Überhaupt zijn de meeste installaties in Afrika binnen een paar jaar buiten werking. Kortom, waar de Nederlandse burger er inderdaad van uit kan gaan dat de meeste dingen die de overheid doet wel redelijk functioneren, kan de Afrikaanse burger dat niet. Dat is nu net het verschil tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden: in ontwikkelingslanden gaan een heleboel dingen niet goed die in ontwikkelde landen wél goed gaan. Maar deskundigen kunnen helpen om ervoor te zorgen dat veel dingen wél goed gaan. De deskundige kan inderdaad ook een Nederlandse ambtenaar zijn op een lokaal ministerie, als hij/zij tenminste flink wat jaren ervaring heeft in ontwikkelingslanden. Ik denk overigens niet dat diplomaten dan het meest geschikt zijn om bijvoorbeeld het ministerie van onderwijs beter te laten functioneren. Er zijn gespecialiseerde consultingbureaus die ook ex-ambtenaren in dienst hebben en die daar veel beter in zijn. Kennisoverdracht Verder schrijf je over de inzet van deskundigen: “Logisch, als je het beter weet, heb je de neiging om het dan maar zelf te doen nietwaar?” Jammer dat je mijn stuk niet goed gelezen hebt. Als je dat wel gedaan had, had je gezien dat ik er juist voor pleit dat de deskundigen zich vooral richten op kennisoverdracht, zodat de lokale planners, ingenieurs, installateurs, etc. steeds beter worden in hun vak en het uiteindelijk zelf kunnen. En ook, dat die lokale mensen dan hun kennis weer verder doorgeven aan collega’s, studenten etc. In al mijn stukken schrijf ik dat kennis en kunde de belangrijkste ingrediënten van het ontwikkelingsproces zijn. Dat geldt niet alleen voor goed opgeleide lokale mensen, maar ook voor de armen. Als de armen kennis en vaardigheden leren waarmee ze een inkomen kunnen verdienen kunnen ze uit de armoede ontsnappen. Dus jouw kreet over deskundigen die het allemaal zelf willen doen heeft geen enkele relatie met mijn betoog. Bij mij ben je ermee aan het verkeerde adres. Tenslotte: Natuurlijk moeten de politieke processen ook veranderen. Maar zoals de IOB evaluatie van de Nederlandse inspanningen tot het bevorderen van meer-partijen democratie concludeert: dat zijn endogene processen, en die zijn van buitenaf vrijwel niet te beïnvloeden. Dus het heeft niet veel zin om te proberen die politieke processen met Nederlandse hulp te gaan veranderen.  Mijn conclusie is dat je geen enkel feit of argument naar voren brengt waardoor ik mijn beweringen zou moeten herzien. Culturele sensitiviteit Dan de opmerkingen van Grant Rhodes. Wat betreft het soort deskundigen, het gaat om een combinatie van inhoudelijke kennis op het vakgebied in kwestie, van ervaring in ontwikkelingslanden, en om het vermogen in samenspraak oplossingen te vinden voor de problemen en relevante kennis over te dragen, en dat in steeds andere omstandigheden. Dat vereist ook culturele sensitiviteit, je moet je aanpassen aan de lokale omgangsvormen. En iedere situatie is weer anders, dus een standaardoplossing die overal werkt is er niet. Je kunt maar zelden Nederlandse oplossingen 1 op 1 overplanten in een ontwikkelingsland. In Nederland heb je voor ieder probleem wel een bedrijf dat erin gespecialiseerd is, of is er een apparaat waarmee je iets snel voor elkaar krijgt. In ontwikkelingslanden moet je het vaak zelf bedenken en zonder die apparatuur. Bovendien zijn ingewikkelde apparaten voor de lokale bevolking vaak te duur, en kun je ze ter plaatse niet gerepareerd krijgen. Om effectief te zijn heb je ook een paar jaar ervaring nodig. De eerste keer dat je wordt uitgezonden duurt het zo’n anderhalf jaar voordat je de lokale cultuur snapt, en je je op je gemak begint te voelen. Ieder volgend land gaat sneller. 50 plus Omdat oud-minister Herfkens de deskundige heeft afgeschaft, zijn de meeste mensen met ervaring 50 plus, en hebben ze 20 jaar geen ervaring opgedaan. Sommigen zijn onderwijl voor andere internationale organisaties gaan werken, ikzelf b.v. voor de Duitse ontwikkelingshulp. Ik denk dat je er in Nederland nog wel een paar honderd kunt vinden die inzetbaar zijn. Verder zitten er nog een heel stel bij de grote consultingbureaus, zoals Haskoning, DHV, Grondmij etc., maar die zijn meestal niet zo op kennisoverdracht georiënteerd, ze zijn meer op de uitvoering van technische projecten gericht. Als er goede lokale mensen zijn heb je natuurlijk minder Nederlanders nodig. Ik ben het ermee eens dat we niet zo heel veel monitoring en evaluatie experts nodig hebben. Als je eens in de twee jaar één of twee mensen een week of twee-drie naar zo’n project stuurt ben je een heel eind. Een evaluator moet met veel mensen praten, ook met de doelgroep, vooral ook goed luisteren, en dan komen de problemen vanzelf op tafel. Een ervaren evaluator kan vaak meteen meehelpen met het formuleren van oplossingen. Neerkijken op zwarte medemens De deskundigen hoeven natuurlijk niet per se allemaal Nederlanders te zijn. Ik ben er wel voor om alleen buitenlanders in te huren als die duidelijk beter zijn, of even goed maar veel goedkoper. De communicatie met de lokale mensen is al moeilijk genoeg, maar als je team dan ook nog uit een meertalige, culturele ratjetoe bestaat wordt de communicatie er niet makkelijker op. En hoogopgeleide Indiërs houden er vaak een top-down stijl van leiding geven op na, en ze hebben ook nog al eens de neiging om  neer te kijken op de zwarte medemens. In de meeste delen van de wereld ben je als westerling redelijk veilig. Het grootste risico dat je loopt is een verkeersongeluk. Meestal weten de ambassades wel of een land veilig is, en waar er eventueel in het land spanningen zijn. Ook kom je snel genoeg te weten welke stadswijken je beter kunt mijden. Doelgroep moet flink meewerken Wat de rare gewoontes van de mensen in de wereld, ze hebben een ding gemeen: ze willen allemaal graag een beetje meer verdienen. Hoe armer ze zijn, hoe belangrijker dat voor ze is. Maar ook arme mensen zijn net mensen, en die handelen niet altijd even rationeel. Soms hebben ze totaal andere ideeën dan de deskundige. Dat mag, maar ik ben er een groot voorstander van om alleen hulp te bieden als er werkelijk een vraag is. En ik vind ook dat de doelgroep flink moet meewerken om het projectdoel voor elkaar te krijgen. De organisatie The Hunger Project geeft als een dorp bijvoorbeeld een school wil eerst cement om zelf stenen van te maken. Pas als ze genoeg stenen gemaakt hebben krijgen ze advies bij het bouwen van de school en nog wat meer materiaal, maar ze moeten die school zelf bouwen. Zo garandeer je dat de mensen werkelijk gemotiveerd zijn. Een deskundige gaat natuurlijk ook niet 5 jaar in één dorp zitten, de bedoeling is dat hij/zij een hele regio aan de gang brengt. En het ambitieniveau zal in het binnenland van Malawi minder hoog moeten zijn dan in een flinke stad in Vietnam, waar al een redelijk bestuur bestaat, en waar ook economische ontwikkeling is. Of de Nederlandse organisatie NL-Aid moet heten of iets anders, tja, misschien heeft er iemand een beter voorstel? En hoe je het precies moet organiseren daar moet ook nog over nagedacht worden. Ik denk dat we eerst moeten bedenken welke doelen we willen realiseren, vervolgens hoe het hulpproces er uit moet zien, en dan welke structuur de organisatie moet hebben, en tenslotte wat voor mensen we nodig hebben. Je zou bijvoorbeeld als leidend principe kunnen nemen dat de hulp zodanig moet zijn dat hij zichzelf zo snel mogelijk overbodig maakt. Ik nodig iedereen uit om zijn/haar ideeën uiteen te zetten. Niet met inhoud bemoeien Tenslotte wil ik nog even ingaan op de opmerkingen van Rinus van Klinken. Wat de medewerkers van Buitenlandse Zaken betreft, ik wil nogmaals betonen dat al degenen die ik ontmoet heb en vaak lang mee heb gepraat, stuk voor stuk sympathiek, heel intelligent en zeer gemotiveerd waren, en dat ze allemaal beschikten over excellente communicatieve vaardigheden. Ook zijn er de laatste jaren wat meer medewerkers aangenomen met inhoudelijke kennis van bepaalde thema’s. Maar het feit blijft dat de BuZa medewerkers zich met de inhoud van de programma’s niet bemoeien, tenzij het gaat om hulp die op projectbasis wordt gegeven. Of het moet zijn dat er inmiddels in de organisatie grote veranderingen zijn geweest die ik heb gemist. Maar voor zover ik weet is het ‘eigenaarschap’ concept nog steeds leidend. Als het gaat over onderwijs geeft Nederland geld voor het bouwen van scholen en de aanschaf van lesmateriaal en dergelijke. Maar de kwaliteit van het onderwijs is bedroevend, slechts een klein gedeelte van de kinderen kan uiteindelijk redelijk lezen en schrijven. Door meer betrokkenheid van de hulp bij het onderwijsproces zou de kwaliteit aanzienlijk kunnen worden verbeterd. Kennis missen Mijn ervaring is dat de gemiddelde diplomaat de kennis mist en ook de interesse om zich echt in het inhoudelijke proces te verdiepen. Wat de bean-counting betreft, ik erger me er vooral aan dat hulpmaatregelen worden verkocht als ontwikkelingsresultaten. Het voordeel van lange termijn aanwezigheid van deskundigen (en dat geldt ook voor de SNV’ers) is ook dat die veel meer mee krijgen omdat ze er immers met hun neus bovenop zitten. Je werkt mee aan het plan  en aan de implementatie, je ziet de resultaten, je wordt geconfronteerd met de problemen en je helpt mee met de oplossingen. Je weet dan ook welke externe processen invloed hebben gehad op het eindresultaat, bijvoorbeeld stijgende of dalende landbouwprijzen. En dan kun je ook iets zinnigs zeggen over de Nederlandse bijdrage aan het ontwikkelingsdoel. Dan hoef je niet te schermen met ‘Plausibiliteit’. Verder ben ik het eens met de opmerking dat het niet alleen gaat om deskundigen met kennis van water en gezondheidszorg etc. en met de vaardigheden om die kennis over te brengen. Het moeten tevens mensen zijn die binnen de socio-culturele context kunnen helpen om effectieve processen op te tuigen die in de lokale situatie beklijven. Dat kan bijvoorbeeld het product-to-market proces zijn in een regio, of de samenwerking tussen boeren die melk produceren en de melkfabriek. En dat zijn typisch problemen van een complexiteit die met de lokaal aanwezige kennis en kunde vaak niet goed opgelost kunnen worden. Ook daar kan de deskundige goede diensten verlenen. Wiet Janssen

Hoe de ziel uit de ngo-sector verdwijnt

Door Marc Broere | 13 november 2019

Ze behoren tot de pioniers en innovators van de milieubeweging en ontwikkelingssamenwerking in Nederland en vormden decennialang een spraakmakend duo. Hoewel ze volop genieten van hun pensioen, luiden Ron van Huizen en Hans Guijt de noodklok over een ontwikkeling die hen zorgen baart: raden van toezicht die ontwikkelingsorganisaties willen laten besturen alsof het bedrijven zijn. ‘Stop met de idiote doelstelling dat je altijd moet groeien.’

Lees artikel

Deugen de meeste mensen nu wel of niet?

Door Hans Beerends | 31 oktober 2019

Historicus Rutger Bregman stelt in zijn nieuwe boek dat de meeste mensen deugen, verwijzend naar de prehistorie. Daar staat volgens Hans Beerends tegenover dat veel deugende mensen zich ook gemakkelijk laten misleiden.

Lees artikel

Het Raadsel van de ander

Door Vice Versa | 08 oktober 2019

In de nieuwe Vice Versa die komend weekend verschijnt staat ‘de ander’ centraal en zoeken we naar een nieuw, progressief narratief. Angst voor de ander kun je alleen bestrijden met menselijke verhalen, schrijven Ayaan Abukar en Marc Broere.

Lees artikel