Door:
Mieke Olde Engberink

28 april 2011

Categorieën

Nog een kleine maand en dan wordt het langverwachte debat in de Tweede Kamer gevoerd over de Focusbrief, oftewel over de landenkeuze in het ontwikkelingsbeleid. Vice Versa reisde af naar Nijmegen voor een gesprek met Paul Hoebink, directeur van het CIDIN en bijzonder hoogleraar aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Wat vindt deze wetenschapper van de landenkeuze van Knapen en hoe kan het beter? ‘De criteria waarmee de landen zijn geselecteerd vormen een belangrijk struikelblok in de Focusbrief. Het laatste criterium over het sluiten van ambassades doet totaal niet ter zake en er zijn twee overlappende criteria als het gaat om de thema’s’, aldus Hoebink. Volgens hem kan de landenlijst niet getoetst worden aan de gegeven criteria, omdat nergens vermeld staat hoe de criteria gewogen zijn. ‘Op deze manier lijkt het wel alsof de landen met een grabbelton zijn geselecteerd’, vertelt Hoebink. Zijn collega op het CIDIN Lau Schulpen heeft een briefing opgesteld waarin de willekeurigheid van de landenkeuze wordt aangetoond, waar Hoebink aan refereert. Hoebink: ‘Voor ieder land dat geselecteerd is, valt een argument te bedenken waarom het zou moeten afvallen en andersom’. Staatssecretaris Hoebink en zijn landenkeuze Op de vraag hoe hij het zelf zou doen als hij staatssecretaris van Buitenlandse Zaken was, antwoordt Hoebink dat hij lessen zou trekken uit het beleid van de Britten. Hij vertelt over de stappen die het Verenigd Koninkrijk heeft genomen ten opzichte van hun ontwikkelingsbeleid. Hoebink: ‘Ten eerste hebben ze een multilateral aid review ingesteld, waardoor de effectiviteit van de multilaterale instellingen nog eens goed bekeken wordt. Ten tweede hebben de Britten een needs index opgemaakt, waarin de vraag van ontwikkelingslanden geïndexeerd wordt. Daaropvolgend hebben experts de doelstellingen van het Britse beleid uitgebreid geanalyseerd.’ Volgens Hoebink zou ook Nederland op deze manier maximaal haar kennis moeten inzetten om tot een beter programma te komen. Wat betreft de landenkeuze zegt Hoebink: ‘Nederland zou twintig partnerlanden moeten hebben. Een belangrijk criterium zou namelijk de toegevoegde waarde van Nederland zijn. Nederland moet ergens het verschil kunnen maken. Wanneer je je ontwikkelingshulpbudget verdeelt over teveel partnerlanden, wordt dit moeilijker. Op dit moment wordt hier ook door Knapen naar verwezen, maar blijkt dit niet uit het lijstje met landen dat hij vervolgens presenteert. Het is op dit onderdeel bijvoorbeeld onlogisch dat Kenia partnerland blijft, terwijl Tanzania en Zambia afvallen. In deze twee laatste landen is Nederland een grote donor.’ Donorcoördinatie en de criteriadiscussie De bijzonder hoogleraar maakt zich ook zorgen over de donorcoördinatie. Hoebink: ‘Hier is niets aan gedaan. Donorlanden zijn nog steeds bezig met hun eigen programma en kiezen ervoor om solo te werken in plaats van onderlinge afstemming van de hulp met andere donorlanden.’ Hoebink benadrukt het probleem dat zich gaat voordoen wanneer Nederland vertrekt uit de afgevallen partnerlanden: ‘In veel van deze landen is Nederland een medetrekker van de Europese taakverdeling van ontwikkelingshulp. Deze rol gaat dan verloren.’ Het armoedecriterium, de behoefte aan hulp en de mate van good governance zijn traditionele criteria wat betreft de landenkeuze. De nieuwe criteria in de Focusbrief zijn volgens Hoebink slecht onderzocht. Ook collega Lau Schulpen is hier niet over te spreken. ‘De argumenten waarmee de landen gekozen zijn kunnen vaak net zo goed als tegenargument gebruikt worden. Het feit dat er geen onderbouwing is waarom de afgevallen landen niet geselecteerd zijn, brengt Knapen in een gemakkelijke positie. Op deze manier kan de beargumentering van de wel en niet-geselecteerde landen niet vergeleken worden. Zo hoeft Knapen minder uit te leggen, en daar gaat hij mooi mee weg komen’, zo voorspelt Schulpen. De wetenschapper vreest namelijk dat de Tweede Kamerleden vooral vragen gaan stellen over de afgevallen landen, in plaats van over te gaan op een inhoudelijke discussie over de criteria.  

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel