Door:
Vera Hendriks

11 april 2011

Categorieën

Hoe kun je ‘civil society’ meten? En dat op een manier die inzicht verschaft in sterktes en zwaktes van maatschappelijke organisaties, en de invloed van de politieke en economische omgeving op hun werk? De Civil Society Index (CSI) is een methode die probeert de kracht van het maatschappelijk middenveld te meten per land en deze te vergelijken tussen landen, om zo tot een analyse te komen van hoe de maatschappelijke positie van het middenveld versterkt kan worden. PSO hield er afgelopen donderdag een seminar over in Madurodam en Vice Versa was erbij.

Een voorbeeld van de Civil Society Index-diamant

De CSI werd ontwikkeld door Civicus, een ngo uit Johannesburg. Als één van de eersten begonnen zij in 1999 met het ‘meten’ van verschillende aspecten van het maatschappelijk middenveld, door middel van grootschalige onderzoeken die twee tot vier jaar kunnen duren. De onderzoeken richten zich vooral op het maatschappelijk middenveld zelf en percepties van hun eigen vermogen, aangevuld met data uit publieke onderzoeken en reflecties van externe belanghebbenden. Na de vorige rondes (2003-2007 en 2008-2011) is een raamwerk opgesteld dat uitgaat van vijf dimensies met bijbehorende indicatoren. Vier ervan worden in een diamantvormige grafiek geplot, zodat een plaatje ontstaat waar in een oogopslag de score van de CSI zichtbaar is: 1)     De mate waarin het maatschappelijk middenveld zich georganiseerd heeft 2)     In hoeverre de doelen ook in de praktijk uitgevoerd worden 3)     In hoeverre burgers sociaal en politiek actief zijn in het maatschappelijk middenveld 4)     De perceptie van impact van het maatschappelijk middenveld, door henzelf en door anderen. De vijfde dimensie is de invloed van de externe omgeving. Deze wordt als een cirkel toegevoegd aan het plaatje. De cirkel doorsnijdt de diamant op sommige punten en laat daarmee zien hoe de omgeving van invloed is op de mogelijkheden van het maatschappelijk middenveld. Het grootste knelpunt van de methode zit erin dat aan de ene kant de indicatoren aanpasbaar moeten zijn aan de context van elk land, terwijl aan de andere kant ervoor gezorgd moet worden dat dit niet ten koste gaat van de vergelijking tussen landen. De CSI methode wordt steeds weer opnieuw geüpdate om beide aspecten zoveel mogelijk tot hun recht te laten komen. Het seminar van donderdag 7 april, georganiseerd door PSO, kon op warme belangstelling rekenen van de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Civil Society Index namelijk opgenomen als onderdeel van het monitoringprotocol van MFS-II. Bijna alle penvoerders van de 22 MFS-II allianties waren aanwezig om de vertegenwoordigers van Buitenlandse Zaken, Robert Petri en Loes Lammerts, uit te horen over hoe de CSI toegepast zou moeten worden in hun programma’s. Er heerste angst dat de index strikt gehanteerd zou gaan worden en een extra last zou gaan vormen bovenop de huidige richtlijnen. “Ze gaan het nog zwaar krijgen vandaag”, voorspelde meer dan één deelnemer. Gelijk bij het eerste vragenrondje greep Hettie Walters van ICCO de kans om de meest brandende vraag te stellen: wat wordt van ons verwacht? Het ministerie verwachtte vooral dat er meer gekeken ging worden naar de invloed van Nederlandse capaciteitsopbouwprogramma’s op het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden, omdat dit één van de speerpunten van het beleid is. De CSI kan helpen om te meten hoe groot die invloed over vijf jaar is. Ook wil Buitenlandse Zaken graag zien dat MFS-II allianties zich niet alleen gaan richten op capaciteitsopbouw van individuele organisaties, maar dat ze meer kijken naar de institutionele omgeving en hoe daarin veranderingen kunnen ontstaan. Allianties hoeven niet alle vragen en indicatoren precies over te nemen van het papier, maar moeten die aanpassen naar hun eigen praktijk. Civicus gaat meewerken om een versie van de CSI te ontwikkelen die toepasbaar is op MFS-II. Op vrijdag 8 april stond daarom ook een vergadering gepland om dit samen met de penvoerders verder uit te werken. De grootste kritiek op deze uitleg was, dat de verandering in het maatschappelijk middenveld moeilijk is toe te schrijven aan het werk van één alliantie in vijf jaar tijd. Hoe wilde Civicus dit attributievraagstuk omzeilen? Daarop konden de vertegenwoordigers nog geen duidelijk antwoord geven, maar het was een onderwerp dat zeker onderzocht zou worden. Het volgende punt dat naar boven kwam is dat de deadline voor de nulmetingen op 1 juni 2011 is gesteld – dus hoe kan de CSI dan nog worden meegenomen in het M&E proces? Sommigen vonden dat het ministerie er nogal laat mee kwam. “Helemaal niet,” zegt Loes Lammerts, “dit was al vanaf november bekend.” Reinier van Hoffen van PSO, die de dag faciliteerde, zag liever dat allianties nog langer de tijd krijgen voor het uitvoeren van de baselines. Hij zou Civicus ook liever meer tijd geven voor het uitwerken van de Civil Society Index in het Nederlandse beleid om de volledige potentie te kunnen benutten. Vragen werden ook gesteld over het baseren van de CSI op percepties van ondervraagden, en niet op absolute cijfers. Volgens Andrew Firmin en Mark Nowottny van Civicus zijn percepties de enige manier waarop de kracht van het maatschappelijk middenveld wetenschappelijk gemeten kan worden. Percepties zijn zelfs instrumenteel in het bereiken van een sterk maatschappelijk middenveld: er zijn correlaties gevonden tussen een grote perceptie van impact en de daadwerkelijke uitvoering van doelen, wat dus inhoudt dat als het publiek achter de organisaties staat, deze organisaties ook veel meer kunnen en willen bereiken. Is het gebrek aan publieke steun in Nederland misschien meer van invloed op de kwaliteit van ontwikkelingssamenwerking dan we denken? Stof tot nadenken, in elk geval. Hopelijk weet Civicus de context van MFS-II in een raamwerk te vatten dat zowel het monitoringproces ondersteunt met data, als inbreng levert op het beleid van Buitenlandse Zaken en de MFS-II allianties, en dat zonder een extra last te vormen. Een flinke taak; maar als er genoeg tijd voor beschikbaar is, kan het een waardevolle toevoeging zijn om de effectiviteit van Nederlandse ontwikkelingshulp aan te tonen. Voor meer over de Civil Society Index en voor het lezen van de laatste ronde van rapportages kunt u kijken op http://www.civicus.org/csi.

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel