Door:
Wiet Janssen

23 maart 2011

Categorieën

Tags

Vandaag de  afronding van de discussie tussen Paul Hassing en Wiet Janssen. De voormalig topambtenaar en de wetenschapper kruisten afgelopen weken op een pittige manier de degens met elkaar. Vandaag het slotwoord aan Wiet Janssen. Dat deze specifieke discussie over is betekent overigens niet dat beide heren  stoppen met hun bijdragen aan deze site. Allebei hebben ze alweer nieuwe stukken in de maak. Een ieder is uitgenodigd om het debat met hen aan te gaan. Paul Hassing waardeert het dat ik er erg mijn best voor doe mijn betoog te ondersteunen met bronnen. Ja, dat doe ik bewust. Ik geef ermee aan dat ik niet toevallig maar iets zus of zo vind. Ik probeer zo goed als het gaat aan betrouwbare kennis te komen. En iedereen kan zo nagaan waar ik mijn beweringen op baseer. Het is best een hoop werk om die bronnen op te zoeken, ik ben er vaak uren mee bezig en ik kan me goed voorstellen dat  Hassing daar geen tijd voor heeft. Maar hij neemt dan wel het risico dat hij dingen beweert die niet kloppen. Bijvoorbeeld dat de voedselprijzen weer dalen, terwijl ze volgens de FAO al een tijd juist snel stijgen, en inmiddels het hoogste niveau ooit hebben bereikt. Allemaal bekeken Dat geldt ook voor de beschikbaarheid van deskundigen in Nederland. Ik heb de websites van de organisaties die Hassing noemde allemaal bekeken. In de meeste gevallen kon uit de informatie van die organisaties werkelijk niet de conclusie worden getrokken dat ze beschikten over deskundigen van wie een concrete bijdrage verwacht mocht worden aan duurzame armoedevermindering. Dat heeft overigens geleid tot een reactie van het PUM, de organisatie die managers uitzendt naar bedrijven in ontwikkelingslanden. Het blijkt dat zo’n uitzending vaak te kort is om blijvende effecten te realiseren. Maar het PUM is inmiddels begonnen met een nieuw programma waarvan zeker wel verwacht mag worden dat het bijdraagt aan duurzame armoedevermindering. Het betreft marktgericht beroepsonderwijs in ontwikkelingslanden. Ook wordt er nagedacht hoe het toegankelijk gemaakt kan worden voor kinderen uit arme gezinnen. Daar ben ik bijzonder blij mee, want ik ben een groot voorstander van een dergelijke aanpak. Het lijkt me een uitstekend middel om mensen te helpen ontsnappen uit de armoede. Conclusie niet juist Ook  kreeg ik  forse kritiek van Prof. Dietz, directeur van het Afrika-Studiecentrum.(ASC). Het Afrika-Studiecentrum houdt zich blijkbaar wel degelijk bezig met activiteiten die praktisch bijdragen aan armoedevermindering, bijvoorbeeld haar onderzoek naar het functioneren van landbouw in stedelijke gebieden. Het onderzoeksrapport is inderdaad zeer concreet en biedt handvatten om die landbouw te faciliteren en te verbeteren. Ik vond zelfs nog een ander interessant rapport van het ASC, en wel over landbouw op lagere scholen. Niet alleen zorgt die ervoor dat de kinderen genoeg te eten hebben en dat het schoolgeld omlaag kan, maar de kinderen leren er ook nieuwe landbouwtechnieken. Ik geef dan ook direct toe dat mijn conclusie dat het ASC zich louter met abstracte zaken bezig houdt niet juist was. En ook daar ben ik alleen maar blij om, er gaan blijkbaar meer dingen goed dan ik dacht. Tot mijn verdediging moet ik er wel bijzeggen dat ik die twee studies nooit gevonden zou hebben als Dietz de naam van dat eerste rapport niet had genoemd. En het is me ook niet gelukt bij het ASC nog andere studies met een directe relevantie ten aanzien van armoedevermindering te vinden. Voor zover mij bekend zijn er ook geen evaluaties van de effecten van de activiteiten van het ASC op armoedevermindering. Maar wellicht heb ik die over het hoofd gezien. Karikatuur Ik zal hier niet verder ingaan op de rol van het bedrijfsleven in de ontwikkelingshulp en op het onvermogen van arme, zelfvoorzienende boeren om te profiteren van hoge voedselprijzen. Aan mijn betoog heb ik niet veel toe te voegen. Wel wil ik reageren op Hassing’s opmerkingen over de silver bullet, ‘dé oplossing voor het ontwikkelingsvraagstuk’, zoals Hassing het noemt. In de eerste plaats: natuurlijk is alleen kennisoverdracht in de meeste gevallen niet genoeg. Op school leerde ik al dat voor economische groei de productiefactoren arbeid en kapitaal nodig zijn, en later dat er ook kennis nodig is en organisatie. Hassing maakt van mijn standpunt een karikatuur als hij het simplificeert tot ‘met kennisoverdracht geen armoede meer’. Zo simpel is het natuurlijk niet. Ik ben er echter van overtuigd dat kennis echt de cruciale factor is. De factor kapitaal, geld dus, is meestal in voldoende mate aanwezig. Er werd en wordt door de donoren grote hoeveelheden geld aan de ontwikkelingslanden ter beschikking gesteld. Sommigen menen zelfs dat dat eerder teveel is dan te weinig, en dat het heeft geleid tot hulpafhankelijkheid en een hoog prijsniveau. Voor de armen zijn bovendien in veel gevallen microkredieten beschikbaar. De factor arbeid is eveneens voldoende aanwezig. Het ontbreekt in de ontwikkelingslanden zeker niet aan mensen. De factor organisatie is echter vaak onvoldoende voorradig, evenals kennis van het productieproces, de marketing, etc. Maar net als bij de productie van de goederen en diensten gaat het ook bij organisatie vooral om kennis. Ook organiseren is een vak dat je kunt leren. Kennis is dus de factor waar het om draait. Nu zullen er onmiddellijk lezers opmerken dat organisatie ook sociale en culturele dimensies heeft, en dat machtsverhoudingen eveneens een belangrijke rol spelen. Dat is waar, maar via de hulp is daar meestal niet zoveel aan te veranderen. De sociale cultuur verander je niet één-twee-drie. Prima initiatieven Maar relevante inhoudelijke kennis is wél over te dragen. Dat wordt ook wel geprobeerd, maar de huidige aanpak werkt niet goed. Kinderen uit arme gezinnen gaan nu weliswaar dankzij de hulp naar school, maar ze leren daar alleen een klein beetje lezen en schrijven. Daar hebben ze nauwelijks iets aan, zeker als ze op hun tiende op het land gaan werken en nooit meer een opleiding volgen, zoals vaak het geval is. Dat kan echt veel beter! Er zijn prima initiatieven, zoals de onderzoeken van het ASC en het nieuwe programma van het PUM laten zien. Er zijn voorbeelden te over waaruit blijkt dat zulke activiteiten werken. En daar zou de hulp zich dus veel meer op moeten richten! Tot slot wil ik Paul Hassing graag danken voor zijn bijdragen aan deze interessante discussie.

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel