Landbouw is één van de speerpunten van Ben Knapen, de nieuwe staatssecretaris van ontwikkelingssamenwerking. Maar tot nu toe wordt de discussie over landbouw en rurale ontwikkeling vooral gekenmerkt door verwarring, vindt landbouwdeskundige Leonardo van den Berg. Hoe moet het dan wel? Landbouw is één van de speerpunten van Ben Knapen, de nieuwe staatssecretaris van ontwikkelingssamenwerking. Maar tot nu toe wordt de discussie over landbouw en rurale ontwikkeling vooral gekenmerkt door verwarring. Zo is op deze website de discussie ontstaan over het platteland versus de stad. Ook verwarrend is het grote scala aan, soms tegenstrijdige, initiatieven die zich richten op bijvoorbeeld industrialisatie, biologische productie, maatschappelijk verantwoord ondernemen, eerlijke handel, export en lokale markten. Achter de meeste initiatieven schuilt, al dan niet impliciet, een visie op landbouw en voedselproductie. En elk van deze visies is gebaseerd op, vaak onbewuste, aannames. Verhelderend is om deze initiatieven in te delen in twee hoofd ‘projecten’: het modernisatie project en het rurale ontwikkelings project. Elk heeft een min of meer samenhangende visie en elk is in meer of mindere mate geïnstitutionaliseerd. Het “modernisatie project” heeft een lange geschiedenis en speelde een belangrijke rol bij zowel de reconstructie van Europa na de tweede wereldoorlog als bij de ontwikkeling van de communistische Sovjet Unie. In zijn hedendaagse vorm is modernisatie onlosmakelijk verbonden aan het neoliberalisme. Wetenschappelijke kennis, moderne technologie en de goederenmarkten spelen hier de hoofdrol. Concurrentie op de markt leidt tot efficiënt gebruik van hulpbronnen en daardoor tot de beste prijs voor de consument. Met het gebruik van moderne technologieën en organisatievormen kan de productie nog efficiënter verlopen. Vanuit dit oogpunt is de ideale boer: een door winst maximalisatie gedreven ondernemer, vooral gericht op goederenmarkten, en technologisch vooruitstrevend. De groene revolutie: een voorbeeld Een voorbeeld waar neoliberale modernisatie in de praktijk is gebracht, is de groene revolutie. Boeren werden hierbij gestimuleerd gebruik te maken van hybride zaden, irrigatie, kunstmest, pesticiden en herbiciden. Ook werd aangeraden om zich toe te spitsen op een bepaald gewas en de productie te richten op de markt. In sommige gebieden, vooral in Azië, is de productie aanzienlijk gestegen door deze technologieën. In marginale gebieden, veelal bewoond door kleinschalige boeren, niet. De nieuwe variëteiten werkten vaak alleen als er voldoende werd bemest, bewaterd en bespoten. Deze technieken waren grote investeringen voor kleinschalige boeren die voorheen weinig kochten. Bovendien presteerden de nieuwe variëteiten vaak slecht op marginale gronden en waren ze niet bestendig tegen droogtes en plagen. Opbrengsten waren daardoor vaak lager dan beloofd met als gevolg dat boeren in de schulden kwamen wat tot het afstoten van deze technologieën leidde of, in extreme gevallen, zoals beschreven door Vandana Shiva, zelfs tot zelfmoorden om van schuldeisers af te komen. Ook is de groene revolutie is vaak gepaard gegaan met degradatie van natuurlijke hulpbronnen, luchtvervuiling en grondwaterverontreiniging, toenemende ongelijkheid, en rurale exodus. Alternatieve modernisatie Mede door dit soort falen van modernisatie hebben meerdere ideeën over alternatieve modernisatie zich ontpopt. Wat precies als probleem wordt gezien en hoe dingen anders moeten verschilt. Volgens sommigen moet bij het ontwerpen van technologieën niet alleen aan efficiëntie maar ook aan het milieu gedacht worden. Anderen zeggen dat supermarkten of tussenhandelaren, die de meeste macht hebben in de voedselketen, verantwoordelijk zijn om socialere en milieubewustere handel en productie te garanderen. Weer anderen zeggen dat het aan oneerlijke of ongunstige handels verdragen ligt (zie bijvoorbeeld Niek Koning). Ondanks deze verschillen blijft bij de meesten de overtuiging dat ontwikkeling in de landbouw gedreven moet worden door, al dan niet gestuurde of gereguleerde, wetenschappelijke kennis, moderne technologie, goederen, markten en goed ondernemerschap. Voorstanders van alternatieve modernisatie zijn dan ook vóór een nieuwe groene revolutie in Afrika, waar bijvoorbeeld Arie van Kuyenhoven eerder op deze website over sprak. Rurale ontwikkeling Het veel minder invloedrijke rurale ontwikkeling project is ontstaan uit een fundamentelere kritiek op modernisatie en op ervaringen die voorbij het modernisatie project gaan. Centraal staan de aspiraties en omstandigheden van de boer en de lokaal specifieke sociale, culturele en agro-ecologische context. Goederenmarkten zijn vanuit dit oogpunt niet altijd gunstig voor boeren. Boeren die afhankelijk zijn van goederen markten voor hun afzet en hulpbronnen zijn onderhevig aan plotselinge prijsfluctuaties, crises en de double squeeze on agriculture. Dit laatste houdt in dat door toenemende concurrentie voedselprijzen op de wereldmarkt steeds lager worden, terwijl kosten van niet hernieuwbare grondstoffen zoals fosfaat voor kunstmest stijgen. Hierdoor ervaren boeren een zogenaamde squeeze op hun inkomen. De markt creëert bovendien afhankelijkheid. Boeren moeten een bepaald rendement behalen om geld dat is geïnvesteerd in inputs, zoals kunstmest en zaden, terug te verdienen. Als dit lukt, door bijvoorbeeld droogte of door daling in de marktprijs van een gewas, komen ze in de schulden en kunnen ze in een negatieve spiraal terecht komen omdat ze geen nieuwe inputs kunnen kopen om de productie voor het volgende seizoen te garanderen. Ook hebben boeren dan weinig ruimte over om hun arbeid en geld te gebruiken voor onverwachte gebeurtenissen zoals het zorgen van een ziek familie lid. Een soortgelijk punt geldt voor het voorschrijven van ‘moderne’ technologieën: deze sluiten vaak niet aan op de stijl van bedrijfsvoering en aspiraties van de boeren en zijn vaak niet geschikt voor de lokale agro-ecologische context. Daarom komen uit het rurale ontwikkelingsproject alternatieve strategieën voort, die afhankelijkheid en risico voor boeren verminderen en de kennis van de boer centraal stellen. Voorbeelden zijn: het gebruik van eigen hulpbronnen bijvoorbeeld in de vorm van dierlijke mest in plaats van kunstmest, het meer richten op lokale markten en alternatieve vormen van handel, het gebruik van functies van het ecosysteem om ziektes te bestrijden en voedingsstoffen voor gewassen te verkrijgen, diversifiëren van gewassen, diversifiëren van inkomstenbronnen, en het produceren van voedsel voor eigen consumptie. Hoe verder Doordat modernisatie wordt beschouwd als een op universele wetten gebaseerde waarheid, er zeer specifieke en uitsluitende vormen van markt en technologie worden voorgeschreven, en er veel grootschalige interventies in haar naam plaatsvinden, heeft het modernisatie project, en in mindere mate de projecten van alternatieve modernisatie, veel weg van een kruistocht. Het rurale ontwikkelings project is wat dat betreft opener en minder voorschrijvend, maar veel minder invloedrijk. In feite is modernisatie niet meer als een verhaal, dat niet bij voorbaat meer of minder waar is dan verhalen van anderen die zich bezig houden met landbouw en rurale ontwikkeling. Als dit erkend zou worden zouden voorstanders van het modernisatie project, hun verhaal moeten verkopen op lokaal niveau. Ze zouden moeten discussiëren en onderhandelen met boeren en andere belangstellenden. Een dergelijk proces is moeilijk en langdurig en vereist daardoor veel toewijding. Toch is dit nodig om ervoor te zorgen dat plannen aansluiten op de lokale realiteit en de aspiraties van boeren.

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel

Vluchtelingen en migranten in de klem van corona en falend beleid

Door Frank van Lierde | 16 juni 2020

Wereldwijd raakt de coronacrisis migranten, ontheemden en vluchtelingen misschien nog wel het hardste. Ook in Nederland. Asielprocedures staan stil, opvangcentra zitten vol, en wie al wat verdiende verdient bijna niets meer. Migratie-expert Bob van Dillen geeft uitleg en komt met oplossingen en aanbevelingen.

Lees artikel