Ook Wiet Janssen mengt zich in de discussie die Manon Stravens aanzwengelde naar aanleiding van een bijeenkomst van het Agentschap NL in Bamako, Mali. Volgens de wetenschapper komt Manon met geen enkel concreet feit of logisch argument om haar kritiek te onderbouwen. En ze maakt zich zorgen om niets.Als de boeren in Mali net zo productief zouden zijn als die in Nederland, zouden ze hun Nederlandse collega’s er finaal uit kunnen concurreren, en ze zouden allemaal stinkend rijk worden.’ In het artikel van Manon Stravens (medewerkster van het regiokantoor van ICCO in West-Afrika, red),  dat de aanzet gaf tot deze discussie, laat ze duidelijk merken dat ze van de samenwerking tussen gesubsidieerde Nederlandse bedrijven met lokale bedrijven in Mali niets moet hebben. Ze komt echter met geen enkel concreet feit of logisch argument waaruit zou blijken dat die samenwerking niet deugt. Ze geeft hoogstens hier en daar een sneer, bijvoorbeeld dat de Nederlandse export van voedselproducten de boeren in Afrika van de kaart veegt. Maar waar ze dat op baseert wordt nergens duidelijk. In Mali is er in ieder geval geen sprake van dat de boeren van de kaart worden geveegd. Mali is een van de weinige landen in sub-Sahara Afrika waar de import en export van voedselproducten ongeveer in evenwicht is. Dat komt onder andere door een groot project voor geïrrigeerde rijstbouw langs de Niger, waar Nederland aanzienlijk aan heeft bijgedragen. Tienduizenden boeren verdienen daar nu een goed inkomen en netto zijn er in Mali geen voedseltekorten (zie de IOB evaluatie Het Nederlandse Afrikabeleid 1998-2006). Ook Stravens’ twijfels over de verkoopbaarheid van in Afrika geproduceerde aardappelen worden niet gestaafd met welk feit dan ook. Om er iets zinnigs van te zeggen zou je de prijs van aardappelen op de wereldmarkt moeten vergelijken met de kostprijs bij de Afrikaanse boer plus de kosten van transport, opslag etc. Zonder zo’n onderbouwing blijft haar bewering een loze kreet. Akelig idee Stravens heeft haar artikel wellicht niet geschreven met de motivatie om een inhoudelijk betoog neer te zetten, maar meer om haar afkeer te uiten ten aanzien van ‘het sfeertje’ op de ambassade, de steun aan bedrijven in ontwikkelingslanden, en vooral de rol daarbij van Nederlandse bedrijven en ontwikkelingsorganisaties. Ze vindt het blijkbaar een akelig idee dat Nederlandse bedrijven ook geld verdienen aan de Nederlandse hulp, die toch in de eerste plaats bedoeld is om de Malinese bedrijven er beter van te laten worden. Blijkbaar mag de gever zelf niet ook nog wat verdienen aan het geven van de hulp, dat is niet kies. Ik moet bekennen dat ik die reserves helemaal niet heb. Ik vind het best als een bedrijf er iets aan verdient, onder de voorwaarde natuurlijk dat er voldoende duurzame armoedevermindering tegenover staat. Ook uit veel van de reacties op Stravens’ artikel spreken negatieve emoties  ten aanzien van de betrokkenheid van Nederlandse bedrijven. Paul Hassing komt bijvoorbeeld met de bewering dat “andere landen dat ons na moeten doen (de handel in voedselproducten – WJ). Dat komt ons goed uit want dan behouden we onze positie in de wereld als een belangrijke speler in de handel van landbouwproducten. Zo houden we ons zelf in stand en geven we verkeerde signalen af aan armere landen.” Het blijft echter volkomen duister waarom andere landen ook wereldwijd in voedsel zouden moeten handelen, waarom ‘wij’ ons zelf dan in stand houden (en anders niet), en wat voor verkeerde signalen we dan afgeven aan armere landen. Hassing doet zelfs geen poging om te onderbouwen hoe hij aan deze verrassende conclusies komt. Ook beweert hij, eveneens zonder onderbouwing, dat “investeren in de landbouw geen optie is om uit de armoede te komen“. Voor tienduizenden boeren in Mali blijkt dat dus wél zo te zijn. Maar goed dat die Hassing niet lezen! Verkuijl en Nugteren hebben de kritiek die van diverse kanten is geuit deskundig met inhoudelijke argumenten weerlegd. Dat hebben ze heel beleefd gedaan, al komt het er wel op neer dat er van die kritiek echt helemaal niets heel blijft. Maar wat mij dan wel weer verbaast is dat niemand van de andere deelnemers aan de discussie de moeite neemt om de argumenten van beide heren eens goed te checken. Want er is nogal wat op af te dingen! IJselijk duren banen Beginnen we bij het PSI programma (private sector investment), een subsidiepot voor Nederlandse bedrijven die investeren in arme ontwikkelingslanden, om het bedrijfsleven daar te bevorderen. Per jaar wordt 70 miljoen euro verdeeld met als doel 3500 banen te creëren (Begrotingen BuZa 2009, 2010, 2011). De bedrijven kunnen hun plannen indienen en de meest kansrijke worden gehonoreerd. Klinkt mooi. Maar een klein sommetje leert dat het ijselijk dure banen zijn. € 70 miljoen gedeeld door 3500 banen is € 20.000 per baan. Het gecreëerde werk is meestal laaggeschoold, het salaris ligt doorgaans nauwelijks boven het minimum loon. In Mali was dat in 2009 $ 61 per maand (State Department, 2009 Human rights report Mali), ofwel $ 732 per jaar, en in 2009 was dat € 520. De kosten van zo’n baan komen dus overeen met 38,5 jaar salaris! Dat is waanzin. Ter vergelijking: een landbouwproject waarin door kennisoverdracht en hulp bij irrigatie etc. de inkomens worden verhoogd kost hoogstens een paar honderd euro per gezin. Voor 2011 is bovendien het aantal banen dat met die 70 miljoen moet worden gegenereerd verlaagd tot 2500, en nu kost één baan zelfs € 28.000! Je kunt het PSI programma dus godsonmogelijk rechtvaardigen door het werkgelegenheidseffect ervan. En de vraag is welk ontwikkelingseffect het PSI programma dan nog heeft. Nauwelijks een blijvend effect Dan het PUM, dat gepensioneerde managers uitstuurt naar bedrijven in ontwikkelingslanden. Ze gaan meestal voor een week of twee, en soms gaan ze later nog eens terug, en ze krijgen alleen een reiskostenvergoeding. Er zijn heel wat voorbeelden waarbij dat prima heeft gewerkt. Maar volgens de evaluatie van Ecorys (2003) is er gemiddeld genomen nauwelijks een blijvend effect waar te nemen op de prestaties van de ondersteunde bedrijven. Dat komt omdat de missies zo kort zijn. De manager lost het voorliggende probleem op, maar al snel doet zich het volgende probleem voor, en dan is die manager alweer thuis. De Pummers schrijven vaak een kort verslag van hun ervaringen op de PUM website. Eén van hen adviseerde een kleine keten van restaurants in Thailand. Hij schreef dat er teveel problemen tegelijk waren en er steeds nieuwe opdoken. Zijn conclusie was: “Wat dit land nodig heeft is een goede hotelschool.” Ik denk dat hij daarmee een fundamenteel punt heeft. Om armoede blijvend te verminderen is een verhoging van de kwaliteit, de productiviteit en de efficiency nodig. Dat geldt voor iedereen die werk verricht, wat hij of zij ook doet. Dat vereist vooral overdracht van allerlei kennis en vaardigheden, en dus langdurige, intensieve begeleiding. En dat kost jaren. Idealistische motieven De PSI en PUM programma’s leveren dus niet veel op. Ik heb ook andere private sectorprogramma’s van BuZa geanalyseerd, en van de meeste daarvan komt ook niet erg veel terecht. Nogmaals, in principe vindt ik het prima dat bedrijven of particulieren, of wie dan ook een bijdrage leveren aan ontwikkeling en armoedevermindering, en daar mogen ze van mij ook best iets aan verdienen. En Nederlandse bedrijven zijn niet per se allemaal op subsidiegeld uit. Er is bijvoorbeeld een groep bedrijven in Rotterdam die samen een enorm landbouwproject in Benin steunen. Het gaat daar om 700.000 mensen, die over een lange periode worden begeleid, en opgeleid op het gebied van landbouw. Het project wordt geheel uit eigen middelen gefinancierd. Ook bedrijven doen wel eens iets uit idealistische motieven. Maar er moet natuurlijk wel een concept zijn dat werkt, en er moet een zekere controle uitgeoefend worden om er zeker van te zijn dat de boel niet in de soep loopt. Uit de informatie die ik heb maak ik op dat BuZa daar niet veel van bakt. Het zijn ambtenaren daar. De Rotterdamse ondernemers lijken het beter te doen. Geen zorgen maken In Stravens’ laatste commentaar maakt ze zich zorgen over de concurrentie door Nederland met betrekking tot de Malinese industrie en landbouw. Uit de gegevens die ik heb opgeduikeld maak ik echter op dat ze zich geen zorgen hoeft te maken. Wat de industrie betreft, Nederland is een land met hoogopgeleide werknemers die een hoog salaris verdienen. Daarom worden er in Nederland alleen nog gecompliceerde, kennisintensieve industrieproducten gemaakt, voor simpele dingen is het hier te duur. Philips bouwt MRI-scanners voor medische analyses met duizelingwekkend complexe computerprogramma’s. ASML fabriceert zeer geavanceerde machines voor de chip-industrie. Shell bouwt een deel van zijn olieraffinaderijen zelf, al komt bijna alle apparatuur uit het buitenland. De industrie van Mali betreft juist simpele producten, zoals sigaretten, azijn, meubels, schoenen en cement. Ook is er wat montage van b.v. radio’s en fietsen, maar die exporteren ze niet naar Europa. Op het gebied van industrie is er dus geen sprake van concurrentie met Nederland. Wat de landbouw aangaat: de importheffingen voor producten die de armste landen exporteren naar de EU zijn vrijwel nul, dus ook voor Mali. Omgekeerd is de importtax in Mali ca. 18%. (zie World Bank: World development indicators 2010, sectie 6) Dat is gunstig voor de boeren in Mali. Maar, ja, er zijn landbouwsubsidies in de EU, en ja, die zijn hoog. Twee-derde van het inkomen van de boeren in de EU (en andere landbouwers) komt uit de subsidie (LEI Wageningen UR, Den Haag, publicaties, 2009). Je zou dus zeggen dat dat een heel oneerlijke concurrentie is. Vast bedrag Maar, ten eerste: sinds een paar jaar zijn die subsidies losgekoppeld van de omvang van de productie van de boer. Vroeger was die koppeling er wel: de boer kreeg zoveel cent per kg boter, dus kon hij die boter ook goedkoper op de markt brengen, en bovendien: hoe meer boter hoe meer subsidie, dus produceerde hij zoveel mogelijk. Vandaar de boterberg. Nu krijgt de boer een vast bedrag, dat kan bijvoorbeeld gekoppeld zijn aan het aantal hectare land dat hij heeft, of aan het aantal koeien. Maar het is niet meer gerelateerd aan het aantal liters melk of de hoeveelheid geoogste aardappelen. In Nederland is de subsidie lager dan het EU gemiddelde, het is zo’n 40% van het inkomen van de boer (uit het landbouwbedrijf, zijn camping telt niet mee), het gemiddelde bedrag is € 12.500 (www. farmsubsidy.org/NL). En dan, ten tweede: de waarde van de jaarlijkse productie is vele malen hoger dan het inkomen, het grootste deel zijn namelijk de productiekosten. En de subsidie is maar een heel klein deel van de productiekosten, in Nederland gemiddeld 4,2% (LEI, Den Haag). De extra kosten door de invoerheffing in Mali van 18% zijn veel hoger dan het voordeel van die 4,2% subsidie (World Bank 2010). En, ten derde: de boeren in Mali hebben ook nog een ander voordeel, het prijsniveau is er ongeveer half zo hoog als in Nederland (World Bank 2010, table 1.1). Verhuist de Nederlandse boer naar Mali, en blijven alle kosten, prijzen, belastingen etc. verder hetzelfde, dan kan hij zijn aardappelen (gerekend in Euro’s) produceren voor grofweg de helft van de kosten die hij in Nederland had. (Hoeveel het verschil precies is hangt ook af van het aandeel geïmporteerde goederen versus het aandeel lokaal geproduceerde goederen -en diensten- in zijn productiekosten.) Bovendien hoeft hij als hij exporteert naar de EU geen inporttax te betalen. Er finaal uit concurreren Ten opzichte van die andere effecten speelt de subsidie van 4,2% van de productiekosten voor de Nederlandse boer dus nauwelijks een rol wat betreft zijn concurrentievermogen. Als de boeren in Mali net zo productief zouden zijn als die in Nederland zouden ze hun Nederlandse collega’s er dus finaal uit kunnen concurreren, en ze zouden allemaal stinkend rijk worden. Hetzelfde verhaal geldt ook voor de uien, en wat je ook verder maar bedenken kan. In de andere EU landen liggen die percentages wel iets anders, en hebben bepaalde boeren meer voordeel van de subsidie, wat er toe kan leiden dat er wel degelijk concurrentievervalsing op kan treden. Maar Knapen alléén kan daar niets aan doen. Het enige wat Nederland kan doen is het aankaarten bij de EU. De conclusie is dat we de ontwikkelingshulp moeten gebruiken om die Malinese (en andere Afrikaanse) boeren wat productiever en efficiënter te maken, zodat ze uien, aardappelen etc. kunnen produceren voor een prijs per ton die royaal onder die van de Nederlandse ligt. Er zijn heel veel voorbeelden van landbouwprojecten waar dat is gelukt. Dus ik zou zeggen tegen Knapen: stop met PSI en PUM, dan heb je 70 plus 11 is 81 miljoen euro over. Bel Wageningen International, en zet de landbouw in Afrika op poten! Lees ook: ‘Manon Stravens reageert: Nederlands beleid is hypocriet’ (7-3-2011)

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel