Door:
Wiet Janssen

8 maart 2011

Categorieën

‘Paul Hassing zou inmiddels moeten weten dat ik alles wat hij zegt natrek, en dat ik zelf maar zelden iets beweer dat ik niet eerst heb geverifieerd’, schrijft Wiet Janssen. ‘Opnieuw stel ik vast dat hij van alles beweert wat niet helemaal klopt, of helemaal niet.’ Een nieuwe aflevering in het debat tussen de wetenschapper Wiet Janssen en voormalig topambtenaar op Buitenlandse Zaken, Paul Hassing. Laat ik beginnen met het hoofdthema van de discussie: de rol van bedrijven in de ontwikkelingshulp. Paul Hassing meent dat ik zijn zorg dat Knapen bezig is ‘het Nederlandse bedrijfsleven werk en markten te verschaffen’, niet weerleg. Nou kan niemand dat want de definitieve strategie voor ontwikkelingshulp is nog niet bekend. Maar vorige week was ik uitgenodigd bij een vergadering van de VVD waar over die strategie werd gediscussieerd. Het ging over klassieke activiteiten van bedrijven als baggeren en havens aanleggen, en over de inzet van de grote ingenieursbureaus, bijvoorbeeld in de landbouw. Maar ‘gewone’ bedrijven zouden eveneens kunnen helpen, bijvoorbeeld met de overdracht van kennis op het gebied van productie, logistiek en handel. Ook NGOs zouden voor BuZa kunnen werken, maar dan via opdrachten. Het subsidiëren van bedrijven werd ‘strijdig met het liberale gedachtegoed’ bevonden Dus géén cadeautjes. Was de paniekreactie van Hassing in zijn eerste stukje misschien een pietsje voorbarig? Voedselzekerheid: de honger gaat toenemen! Wat de voedsel-problematiek aangaat is Hassing volgens mij volledig op het verkeerde spoor. In de eerste plaats: in tegenstelling tot wat Hassing beweert zijn de voedselprijzen wel degelijk gestegen, tot het hoogste niveau ooit. En de kans is groot dat ze nog verder omhoog gaan. De prijzen in de periode 2002-2004 zijn gesteld op 100.[1] Vooral de arme bevolking in sub-Sahara Afrika is straks de klos. Vrijwel alle landen daar zijn netto-voedselimporteurs, met name van basisvoedsel zoals granen, het voedsel voor de arme bevolking. De importen worden nu zo duur dat die landen die niet meer kunnen betalen. En ze kunnen al helemaal niet de subsidie opbrengen die nodig is om het voedsel voor de armen betaalbaar te maken. Moraal: de ondervoeding in Afrika zal flink toenemen. De landen in Afrika kunnen dat probleem niet alleen oplossen, want de prijsstijgingen ontstaan door gebeurtenissen elders. Ik neem aan dat Hassing nu niet zegt: ‘Is toch hun probleem, laat die mensen maar verhongeren.’ Zeker de rijke landen hebben toch de morele plicht daar iets aan te doen. Maar wereldwijde voedselzekerheid kan alleen worden gerealiseerd in overleg met alle landen in de wereld, in ieder geval met alle grote voedsel exporterende en importerende landen. Volgens Hassing is voedsel net zoiets als ‘kaarsen en radio’s’, de vrije markt reguleert het wel. Ik hoop dat hij nu toch inziet dat we de voedselprijzen niet simpelweg aan de markt over kunnen laten. Mij lijkt dat immoreel. Hassing stelt overigens terecht dat de hogere prijzen de boeren een kans bieden, ook in de ontwikkelingslanden. Maar het zijn over het algemeen de grotere bedrijven die van dit soort situaties profiteren. De kleine boeren lukt dat meestal niet. Grofweg de helft van de boeren in sub-Sahara Afrika leeft van zelfvoorzienende landbouw. Die boeren kunnen veelal nog niet eens genoeg verbouwen om hun eigen familie te voeden, laat staan dat zij plotseling overschotten kunnen gaan produceren voor de markt. Honger komt niet door een tekort aan eten in de wereld of in een land Hassing zit er ook naast met zijn opmerking dat ‘gezien de bevolkingsgroei, een hogere mondiale voedselproductie in de wereld een goede zaak zou zijn.’ Wereldwijd meer voedsel produceren is echter helemaal het probleem niet. Het punt is dat de arme, zelfvoorzienende boeren niet in staat zijn genoeg te produceren voor hun familie, en dat ze evenmin geld hebben om voedsel te kopen. Ook landarbeiders en de bewoners van sloppenwijken hebben vaak geen geld om genoeg voedsel te kopen. Ook al is er voedsel in overvloed, wie het niet kopen kan heeft honger. Ondervoeding los je dus niet op met een hogere voedselproductie in het algemeen. Het probleem is de lage productiviteit van degenen die gebrek lijden. Hassing’s deskundigen hebben weinig bij te dragen aan armoedevermindering Volgens Hassing zijn er nog genoeg Nederlandse deskundigen, bijvoorbeeld bij organisaties als PSO, SNV, PUM, Nuffic, KIT, ISS en het Afrika Studie Centrum. Helaas, ook niet waar. Van de 850 deskundigen die SNV uitzendt wordt 70% lokaal gecontracteerd in het ontwikkelingsland. De SNV levert zelf de projectmanagers en die zijn inderdaad vaak afkomstig uit Nederland, maar ook vaak uit andere landen. PSO zendt geen eigen deskundigen uit. PSO verzorgt de uitzending van mensen die werken voor andere organisaties. Meestal gaat het om jonge mensen zonder ervaring in ontwikkelingslanden, dus geen deskundigen. De overige organisaties sturen wel zelf mensen uit. Maar het is de vraag of die nou echt iets bijdragen aan de armoedevermindering. PUM stuurt gepensioneerde managers uit voor een week of twee om ad hoc ergens een management probleem op te lossen. Door de korte duur van de missies is er vrijwel geen blijvende verbetering van het functioneren van de geadviseerde bedrijven [2]. De deskundigen van de Nuffic geven les aan universiteiten en hogescholen, daar hebben de armen ook niet zoveel aan. De activiteiten van de overige organisaties hebben een hoog abstractieniveau. Het KIT houdt zich bezig met de ontwikkeling van ‘stakeholder driven funding mechanisms’, ‘public-private partnerships and the role of farmer organizations’ en zo, en ISS onderwijst voornamelijk ambtenaren uit ontwikkelingslanden op het gebied van ‘development research’, ‘social movement and political culture’, etc. Het Afrika Studie Centrum richt zich op zaken als ‘The Social Construction of Linking Technologies in Africa and Beyond’. Eerlijk gezegd zie ik van dat soort theoretische bezigheden de maïs nog niet harder groeien, en de inkomens niet stijgen. Ik heb in ieder geval geen evaluaties kunnen vinden die aantonen dat die activiteiten ook maar iets hebben uitgehaald. Ik bagatelliseer de deskundigheid van de betrokken experts niet, maar wel de relevantie ervan. De ‘silver bullet’: kennis ten behoeve van inkomen Ik vrees dat ik Hassing wéér teleur moet stellen: ik denk dat er wel degelijk een type hulp is dat in de meeste gevallen wél werkt, terwijl andere soorten dat in het algemeen niet doen. Het overdragen van kennis waarmee de armen een inkomen kunnen verdienen helpt meestal wél. Vaak is daarbij aanvullende ondersteuning nodig, bijvoorbeeld op het gebied van organisatie en investeringen. In het geval van het Kataklé project zijn de kosten extreem laag, 6 € per persoon per jaar. Het project is nu bijna 2 jaar aan de gang en heeft al wat resultaten geboekt maar Hassing heeft gelijk, het kan altijd nog tegenvallen. Er zijn echter heel wat afgeronde projecten waarin de productiviteit is verhoogd en de mensen aan een hoger inkomen zijn geholpen. Een paar voorbeelden: 1. In het dorp Dickson in Malawi heerste in 2005 bittere armoede. De voedselvoorraden reikten maar zelden tot aan de nieuwe oogst en ieder jaar stierven er mensen van de honger. De kindersterfte was 40%. Met Nederlandse hulp kwam er in 2009 een jonge, lokale landbouwingenieur in het dorp wonen. Hij legden de dorpelingen uit hoe ze moesten irrigeren, kunstmest en insecticiden gebruiken, etc. In 2010 was het dorp compleet veranderd. Er was geen honger meer, de mensen verkochten hun overschotten op de markt. De gezinnen hadden wat vee, een lamp, een fiets, en geld om medicijnen te kopen en om hun kinderen te laten leren. En het dorp bruiste van de energie! 2. Begin jaren 80 participeerde ik in een landbouwproject op de hoogvlakte van Puno, Peru, mijn eerste lange buitenlandproject. De boeren hielden schapen en lama’s, maar de grond was dor en de productiviteit erg laag. Het project hielp met het installeren van een irrigatiesysteem vanuit de rivier, introduceerde andere grassoorten en schapenrassen, en trainde de boeren in het gebruik van water, kunstmest etc. De opbrengst per hectare steeg in sommige gevallen wel een factor 40! Het inkomen van de boeren nam fors toe. 3. In Mali liep al in de jaren 70 een irrigatieproject voor rijstteelt aan de oever van de Niger. Maar het systeem werd niet goed gebruikt, de opbrengst per ha was minder dan 1 ton, en voedselgebrek was normaal. Een aantal donoren, waaronder Nederland, slaagden erin de invloed van de regering op het project te verminderen en die van de boeren te versterken, bijvoorbeeld op het gebruik van de afdrachten voor irrigatie. Daardoor verbeterde het onderhoud aanzienlijk. De boeren kregen training, en hun landrechten werden geregistreerd. In 2003 was de opbrengst gestegen tot 6 ton/ha. De totale rijstopbrengst in het gebied is toegenomen van 60.000 ton in 1980 tot 424.000 in 2003. Mali is nu geen netto voedselimporterend land meer, maar een voedselexporterend land. Het inkomen van de boeren in de streek is verzesvoudigd, en er is geen honger meer. Ook in de ontwikkelingsstrategie van landen speelt kennis vaak een belangrijke rol, vooral in Oost-Azië. Vietnam is een mooi voorbeeld. Al omstreeks 1980, nog vóór het afscheid van het strakke communisme, werd er flink geïnvesteerd in technisch onderwijs. In de periode daarna heeft de industrie zich zeer snel ontwikkeld. Mede dankzij de lage koers van de munt (prijsniveau 0,2 ten opzichte van VS) is de export enorm gestegen. Het inkomen per hoofd in koopkracht groeide van $ 902 in 1990 to $ 2578 in 2008 (in constante dollars van 2005), dus bijna een factor 3. De hogere welvaart leidde tot een stijging van de levensverwachting van 65 jaar in 1990 tot 73 in 2008. Ik denk dat de overdracht van kennis waarmee mensen een inkomen kunnen verdienen een prima manier is om duurzame armoedevermindering te bereiken. Ik ken geen andere strategie die even succesvol is. Maar als iemand die wel kent, dan hoor ik dat graag. Voor mijn standpunt over de oorzaken van de revolte in de Arabische landen verwijs ik naar mijn reactie op het stukje van Ten Hoedt.


[1] FAO Food Price Index, 03-02-2011; de prijzen zijn gecorrigeerd voor inflatie http://www.fao.org/worldfoodsituation/wfs-home/foodpricesindex/en/ [2] Ecorys Annual report 2002, Rotterdam 2003

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel