Door:
Wiet Janssen

24 februari 2011

Categorieën

Sub-Sahara is democratischer dan Noord-Afrika als gevolg van westerse bemoeienis. Dat schrijft Ruud ten Hoedt op de website van IS (zie: ‘Zeg maar dag tegen Dambisa Moyo’ van 4 februari 2011). Volgens Wiet Janssen, die zijn pijlen voor de verandering eens niet op Paul Hassing richt, raakt zijn betoog kant noch wal. De recente revoluties in het Midden-Oosten hebben weinig te maken met buitenlandse hulp: ze laten zien dat democratisering het gevolg is van economische ontwikkeling, waardoor een middenklasse ontstaat die vrijheid eist. Het verhaal van Ten Hoedt klopt niet. Centraal in zijn betoog staat de bewering: de Westerse bemoeienis met Sub-Sahara Afrika, ‘van bilaterale ontwikkelingshulp tot IMF, was er op gericht om zoveel mogelijk politieke vrijheid en democratie op de marktplaats af te dwingen. Als gevolg daarvan is Sub-Sahara Afrika aanzienlijk democratischer dan Noord-Afrika en kent het zuiden van het continent veel meer economische groei dan het noorden’. Helaas, vrijwel alles wat hier wordt beweerd is onjuist. Ten eerste hebben de westerse mogendheden nooit zo hun best gedaan om in Afrika de democratie te introduceren. Integendeel, ze hebben er nooit mee gezeten ook de meest ondemocratische regimes in Afrika te steunen. Zo werd Mobutu, de vroegere president van wat nu de Democratische Republiek Congo heet, altijd de hand boven het hoofd gehouden, terwijl hij het land leegroofde en de bevolking terroriseerde. Een andere beruchte dictator, Idi Amin van Oeganda, kon ook altijd zijn gang gaan. Sinds een jaar of tien is Mugabe nu bezig de bevolking van Zimbabwe te terroriseren. Ten tweede: als de westerse mogendheden al hebben aangedrongen op democratisering in Afrika, dan heeft dat in ieder geval niet geholpen. De Wereld Bank rapporteert jaarlijks over de kwaliteit van het bestuur van alle landen [1]. Een van de indicatoren is ‘Voice and accountability’, vrij vertaald de invloed van de bevolking op de regering en de mate waarin de regering zich door de bevolking laat controleren. Ook landen die niet echt democratisch zijn kunnen zo langs de meetlat gelegd worden. De gebruikte indicator is zo gedefinieerd dat het gemiddelde van alle landen nul is en de standaardafwijking 1. Wat blijkt: tussen 1996 en 2006 is de indicator voor sub-Sahara Afrika van -0,56 naar -0,62 gezakt. De regeringen in Afrika zijn dus niet democratischer maar juist autocratischer geworden. Het is ook niet te verwachten dat er in sub-Sahara Afrika democratieën naar westers model kunnen functioneren. Zolang nog meer dan 30% van de bevolking ondervoed is en 40% van de kinderen ‘te kort voor hun leeftijd’ is, zoals de WHO dat noemt, is het grootste deel van de bevolking vooral geïnteresseerd in voldoende eten. En democratie kun je niet eten. Pas als de welvaart toeneemt en er een middenklasse ontstaat beginnen de mensen om democratie te roepen. Dambisa Moyo heeft dus toch wel een punt… Ten vierde is het domweg onwaar dat de economieën in sub-Sahara Afrika harder groeien dan de landen in Noord Afrika en het Midden-Oosten. De beste indicator voor economische groei is het gemiddeld inkomen per hoofd in koopkracht. De Wereld Bank heeft een webpagina waar die gegevens gemakkelijk op te vinden zijn.[2] De koopkrachtcijfers worden gepresenteerd in dollars van het jaar in kwestie, dus om de groei over een aantal jaren te laten zien moeten ze gecorrigeerd worden voor de inflatie van de dollar. Die ‘deflators’ staan op de site van het Development Assistance Committee (DAC) van de OECD. [3] Welnu, dit is het resultaat.

Groei bni/hoofd in koopkracht 1980 1985 1990 1995 2000 2005 2008 Groeifactor over 28 jr
Midden-Oosten & N. Afrika 7874 7204 7077 7475 8189 9218 10238 1.30
Sub-Sahara Afrika 1826 1647 1611 1510 1568 1770 1998 1.09

Het is duidelijk dat sinds 1980 de groei van het inkomen per hoofd in koopkracht aanzienlijk hoger lag in Noord-Afrika en het Midden-Oosten dan in Sub-Sahara Afrika. De juichende verhalen over de situatie in Afrika, waar dank zij de hulp de democratie en de hoge economische groei is gebracht, die kloppen dus gewoon niet. En daarom is het ook niet aannemelijk dat de opstanden in de Arabische wereld en de roep om democratie het resultaat zijn van het ‘taaie en geduldige werk van de verguisde instellingen als het IMF en Wereldbank die mikken op democratisering in de politiek en op de marktplaats’, zoals ten Hoedt beweert. Ook het feit dat de revoltes na dat ‘taaie en geduldige werk’ plaats vonden is geen argument voor een causaal verband. Dat er in de afgelopen eeuw steeds minder ooivaars kwamen in Nederland en dat sinds de jaren 50 het geboortecijfer sterk is gedaald, bewijst immers ook niet dat de ooievaars iets te maken hebben met het geboortecijfer. Maar er is wel een andere, en veel aannemelijkere verklaring voor het feit dat die roep om democratisering zich juist nu laat horen in de Arabische wereld. Er is namelijk een sterke correlatie tussen economische ontwikkeling en democratisering. De meeste landen die zich de laatste jaren tot een redelijk stabiele democratie hebben ontwikkeld, b.v. Brazilië, hadden een gemiddeld inkomen per hoofd zo tussen de 5000 en 10.000 $ in koopkracht. Dat is ook ongeveer het niveau waarop zich een middenklasse begint te ontwikkelen. En de meeste landen in de Arabische wereld zitten al aardig in de buurt van die 10.000. Veel van die landen zouden dus eigenlijk al lang aan het democratiseren moeten zijn. Door een traditionele hiërarchische sociale cultuur en een sterk centraal gezag gesteund door oliedollars kan dat proces een tijdje worden ophouden. Maar dat betekent ook dat de onvrede en de frustratie van de bevolking steeds verder toeneemt. En dan is er maar een klein vonkje nodig om een grote ontploffing te veroorzaken. Vandaar waarschijnlijk dat de protesten zo massaal en zo gepassioneerd zijn. Het vonkje, de aanleiding, was de snelle stijging van de voedselprijzen. Maar de achterliggende oorzaak van de roep om democratie is de economische ontwikkeling in de regio. En overigens: China heeft nu ook al een gemiddeld inkomen per hoofd van meer dan 7000 $ in koopkracht. Het kon daar de komende jaren nog wel eens spannend worden!


[1] Kaufmann D., A. Kraay, M. Mastruzzi: Governance Matters VI: Aggregate and Individual Governance      Indicators 1996–2006, World Bank [2] World Bank statistics, 2010, http://databank.worldbank.org/ddp/home.do [3] DAC Deflators, www.oecd.org/dataoecd/43/43/34980655.xls

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel