De discussie over de kabinetsreactie op het WRR rapport duurt voort.  Nadat wetenschapper Wiet Janssen met felle kritiek kwam op Paul Hassing, is het vandaag tijd voor het weerwoord van de voormalig topambtenaar: ‘Als de definitie van Janssen gebruikt wordt, kan straks alles als een publiek mondiaal goed aangemerkt worden. Dan wordt global goods een politiek argument waarbij bijna elke interventie in ontwikkelingslanden beargumenteerd kan worden.’ Wiet Janssen is van mening dat mijn bijdrage aan het debat niet logisch is, niet goed geïnformeerd ben en dat ik het WRR rapport niet heb gelezen. Ik neem aan dat hij mijn eerdere bijdragen aan deze discussie niet heeft gevolgd. Anders zou hij wellicht andere bewoordingen hebben gekozen. Maar elk vogeltje zingt zoals hij gebekt is. Oude voet doorgaan Vraag is wat de essentie is van de kritiek van Janssen op mijn beoordeling van de kabinetsreactie op het WRR rapport. We zijn het eens dat er geen halt aan de versnippering van thema’s wordt doorgevoerd, terwijl dat wel in de kabinetsreactie is aangegeven. Een optimist denkt wellicht dat het nog komt, mij lijkt het niet waarschijnlijk tenzij de Kamer het afdwingt. Betere en vergaande coördinatie via de EU zou Janssen wel willen, maar hij heeft weinig vertrouwen in de EU. Met die opvatting valt nog te leven. Maar hij heeft geen alternatief. Daarmee geeft hij impliciet aan dat hij op de oude voet door wil gaan. Ik heb nergens gesteld dat ik tegen bedrijvigheid ben. Wel op de manier waarop dit nu wordt voorbereidt. Dat hij vervolgens de successen van de steun aan onderwijs en gezondheid ter discussie stelt, zoals hij dat ook doet in zijn proefschrift, staat hem natuurlijk geheel vrij. Ik meen niet dat ik juichende opmerkingen gemaakt heb over deze twee sectoren. Maar misschien dat Janssen van de gelegenheid gebruik wil maken om zijn proefschrift nog eens onder de aandacht te brengen. Dat kan. Danken voor definitie Ook meent hij te moeten definiëren wat mondiale goederen zijn: goederen die voor alle landen van de wereld van belang zijn. We moeten hem natuurlijk danken voor deze gratis definitie. Ik neem aan dat Janssen het met mij eens is dat water voor iedereen op de wereld van groot belang is: het kan een kwestie van leven en dood zijn. Maar hoezo is water een global good, zoals klimaat of biodiversiteit dat wel is? Is de wijze waarop water in Egypte wordt gebruikt van enig belang op hoe in Nederland het water verdeeld wordt? Drinken wij in Nederland een slok minder als er in Egypte water wordt verspild of vice versa? Het kan goed zijn dat Nederland zich solidair voelt met de wijze waarop water in de Egyptische samenleving wordt gebruikt, maar dat maakt het nog geen global good waarbij sprake is van gedeelde belangen. De Egyptenaren kunnen hun watervraagstuk prima binnen hun grenzen en binnen het stroomgebied van de Nijl oplossen. In het beste geval is het een regionaal vraagstuk waarbij het – in politieke zin – van geen belang is hoe wij in Nederland met water omgaan. Ons waterbeleid beïnvloedt niet het Egyptische waterbeleid. Dus – redeneer ik – is het geen publiek mondiaal goed. Als de definitie van Janssen gebruikt wordt, kan straks alles als een publiek mondiaal goed aangemerkt worden. Dan wordt global goods een politiek argument waarbij bijna elke interventie in ontwikkelingslanden beargumenteerd kan worden. En ik durf te voorspellen dat water en voedselzekerheid dan beide mondiale publieke goederen worden. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. En ik heb het vermoeden dat de WRR dat op die manier ook niet zo bedoeld heeft. Selectieve keuze Dat Janssen de beperkingen van NGO’s wil benadrukken om daarmee een nieuwe rol voor het (Nederlandse) bedrijfsleven op te eisen, is zijn goed recht. Ik vermag alleen niet in te zien waarom deze twee kanalen tegenover elkaar gesteld moeten worden. Waarom stelt hij bijvoorbeeld dan niet het multilaterale kanaal tegenover die van het bedrijfsleven of die van het bilaterale beleid. Hij komt wat selectief over en de keuze om deze tegenstelling zo neer te zetten wordt weinig onderbouwd. Het is juist dat ik het nieuwe beleid voor het versterken van bedrijvigheid als een groot risico zie, als een programma waarbij cadeautjes uitgedeeld worden aan het Nederlandse bedrijfsleven. Werkgeversvoorzitter Bernhard Wientjes lijkt hiermee een effectieve lobby binnen gehaald te hebben. De WRR heeft in haar rapport gewezen naar bedrijvigheid in ontwikkelingslanden zelf. Het stimuleren van deze lokale bedrijvigheid! Het formuleren van een pot met geld zoals nu gebeurt, om via PPP’s met Nederlandse bedrijven iets in ontwikkelingslanden te ondernemen, kan op basis van de ervaringen met het ORET en MILIEV-programma niet onderbouwd worden. En een eerste vluchtige evaluatie van de lopende PPP’s geeft aan dat er nog vele onvolkomenheden kleven aan deze vorm van Nederlandse samenwerking. Nauw eigenbelang Het nieuwe concept dat nu in de maak lijkt te zijn is die van Publiek Private Partnerschappen met het Nederlandse bedrijfsleven. Niet PPP’s tussen bedrijven en maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden zelf, maar tussen Nederlandse bedrijven en Nederlandse NGO’s, eventueel aangevuld met lokale NGO’s en lokale bedrijven. Deze vorm van PPP’s  is een politieke keuze die gebaseerd is op nauw eigenbelang, het belang van de Nederlandse industrie. Wientjes was er in zijn artikel op Vice Versa heel duidelijk over. Het moge duidelijk zijn dat ik geen aanhanger ben van dit soort eigen belang, al is het alleen maar omdat het in principe een suboptimale aanpak is van het vraagstuk om bedrijvigheid in ontwikkelingslanden te stimuleren. Veder denkt Janssen dat er sinds oud-minister Herfkens geen deskundigen meer uitgezonden worden. Ja, het is juist dat het bilaterale assistent-deskundigenprogramma niet meer bestaat. Maar alle andere deskundigenprogramma’s bestaan nog en zijn zelfs vergroot, zoals dat voor (jonge) deskundigen bij de VN, SNV en PSO. Het gaat hier om nog steeds meer dan 1000 deskundigen. In tegenstelling tot wat Janssen stelt, hebben we in Nederland nog steeds deskundigheid. Alleen die op de apenrots en bij ambassades is fors afgenomen. Maar dat constateerde Janssen in zijn proefschrift ook. Op dat punt zijn we het dus wel met elkaar eens. Tenslotte het selectief shoppen. Wiet Janssen vindt dat geen probleem. Je pakt gewoon wat je uitkomt en de rest laat je liggen. Het negeert daarmee de samenhang in het WRR rapport.  Ook dat is een politieke keuze. Hij zit daarmee op de lijn van het kabinet. Daar is niets op tegen. Het is alleen niet mijn keuze!

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel