De rol van het bedrijfsleven is een nieuw speerpunt van het Nederlands ontwikkelingsbeleid. Maar volgens Harm van Oudenhoven, die een chocoladefabriek in Nicaragua heeft en die winnaar was van de eerste BID-challenge voor het beste businessplan om via economische bedrijvigheid de armoede te bestrijden, zijn er een hoop vraagtekens te plaatsen bij dit nieuwe speerpunt. Hebben ontwikkelingsorganisaties überhaupt wel expertise op dit terrein en hoe integer zijn multinationals eigenlijk? Van Oudenhoven laat zien hoe het nu in de praktijk misgaat en hoe het naar zijn mening wél zou moeten. Het staat nogal in het nieuws: het ondersteunen van bedrijven die willen investeren in ontwikkelingslanden om zo de armoede de wereld uit te helpen. Er wordt veel gesproken over investeren in eerlijke handel, samenwerking tussen de publieke sector en bedrijven, en het belang van duurzaam ondernemen. Er is bijna geen ontwikkelingsorganisatie die dit soort ideeën niet naar voren brengt en ook multinationals hebben het over duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Men zou bijna het idee krijgen dat dit het enige antwoord is voor de problemen waar honderden miljoenen mensen dagelijks mee leven. Op het eerste gezicht lijkt het allemaal erg mooi. Door te investeren in duurzame bedrijven kan het milieu worden gered. Maatschappelijk verantwoorde ondernemingen helpen arme mensen aan een waardige baan. Hierbij zou dan het fameuze “trickle down” effect ontstaan, waar de armste mensen ook meeprofiteren van de economische groei; de middenklassen worden sterker en zo ook de democratie. Het hoeft ook niet veel te kosten, want uiteindelijk maken bedrijven winst en zijn donor landen af van de eindeloze subsidies die uiteindelijk alleen maar afhankelijkheid scheppen. Trotse folders Massaal veranderen ontwikkelingsorganisaties hun strategieën en gaan ze mee met deze algemene veronderstelling.  Ze analyseren productie en marktketens en proberen de export uit ontwikkelingslanden te vergroten. Ze werken samen met multinationals om hen te helpen de duurzaamheid van hun productiesystemen te verbeteren. Ze praten trots over “matching funds” waar de multinational een deel van de projectkosten op zich neemt en laten in hun bladen en folders zien hoe kleine boeren erop vooruitgaan wanneer ze onder een eerlijke handelsmerknaam hun waren exporteren. Steeds vaker zijn er ook voorbeelden van bedrijven die een bedrag beschikbaar stellen voor een goed doel om te laten zien hoe maatschappelijk verantwoord ze zijn. Ze stoppen geld en tijd in een bedrijf in Afrika die dan hogere kwaliteitsproducten kan verkopen op de Europese markt. Een bekend oliebedrijf reikt prijzen uit voor de beste duurzame bedrijfsplannen. Het bedrijfslogo staat dan naast die van een vertrouwde kinderhulporganisatie of bosbeheerproject. Het is natuurlijk prachtig dat wij in het westen steeds bewuster worden van de schade die onze massaconsumptie aanricht in de wereld en dat we bijna allemaal, als we het kunnen betalen, kiezen voor eerlijke producten zodat boeren in arme landen wat centen meer verdienen voor hun koffie of katoen. En, het is zeker waar, dat als we doorgaan zoals we nu bezig zijn, de wereld langzaam maar zeker naar de knoppen gaat en dat mijn kleinkinderen (onze oudste zoon is nu 13) waarschijnlijk nooit een oerwoud zien en zonder zorgen tropische kikkers vangen zoals ik en mijn kinderen dat ooit hebben gedaan. Vreemde smaak Echter, als ik de artikelen lees en redeneringen volg, blijft er bij mij altijd een vreemde smaak hangen. Zijn de huidige modellen voor duurzame handel nu echt de oplossing voor armoedebestrijding of zijn we gewoon bezig met mooie woorden elkaar wat wijs te maken? Praten ontwikkelingsorganisaties alleen mee met de politiek omdat die op het moment niks liever hoort dan makkelijke, korte termijn oplossingen? En zijn de multinationals echt uit op armoedebestrijding en duurzaamheid, of blijft het bij winstmaximalisering: als de klant maar blijft kopen? Niemand houdt van armoede, en iedereen wil een goede wereld voor hun kinderen. Maar het lijkt dat de strategieën vooral worden beïnvloed door het gevecht om overheidsubsidies (hoe krijgt men geld voor een project) en niet zo zeer door wat er werkelijk nodig voor duurzame armoedebestrijding. Er zijn drie centrale punten waar ik over val. De concepten duurzaam ondernemen en eerlijke handel zijn erg eurocentrisch of, beter gezegd, erg gericht op onszelf. Ten tweede zie ik ontwikkelingsorganisaties investeren in bedrijvigheid vaak zonder praktijk ervaring: ze hebben zelf nooit een bedrijf opgezet in een dergelijk land en weten en kennen noch de moeilijkheden noch de realiteit die lokale ondernemers ondervinden. Een derde punt is het vertrouwen in de multinationals, en een zekere trots die men heeft als zo’n bedrijf meedoet aan een duurzaam project. Prachtige concepten Eerlijke handel en duurzaam ondernemen zijn prachtige concepten. Echter waar het bijna altijd om gaat is het verbeteren van een productie keten van boer naar export product. Eerlijke koffie kennen we allemaal. De boer is gegarandeerd van een vaste prijs, heeft vaak toegang tot een voorschot en krijgt een prijs boven de wereldmarktprijs van gewone koffie. De koffie wordt als groene boon geëxporteerd naar het westen en daar betaald men iets meer voor een pak in Nederland geroosterde koffie in de supermarkt. Dit is het verhaal van de meeste “eerlijke”producten: cacao, hout, katoen en pindas. Wij betalen een kleine premie en de arme boer verdient wat meer. Maar wat hier in mijn ogen mist is een duidelijke impuls voor ontwikkeling van de lokale markt. Er zijn niet alleen boeren in ontwikkelingslanden. Er zijn ook consumenten, en net zoals bij ons, heel veel mensen die er baat bij hebben als een product lokaal verwerkt, verhandeld, verkocht en geconsumeerd zou worden. Bij standaard eerlijke handel ontstaat er in het land van herkomst een waardeketen van kleine boer, transporteur en exporteur naar exportland. Echter, bij lokale productie kan men praten over een heel waardenetwerk. Niet alleen de kleine boer verdient meer, ook de verwerkingsindustrie heeft mensen in dienst, lokale distributiebedrijven verdienen er aan, en de winkeltjes en supermarkten maken een grotere omzet. Hiernaast vergroot het de inkomsten voor lokale dienstverleners: de elektricien en ingenieur die de machines onderhouden en het lokale reclamebureau dat nieuwe opdrachten krijgt. Dan zijn er de nationale energie bedrijven die meer kunnen leveren en niet te vergeten de overheid, die door de meerwaarde en banen gecreëerd op lokale bodem, meer belasting binnen krijgt. Weinig begrip In analyses en methodes van ontwikkelingsorganisaties is er weinig begrip voor lokale marktontwikkelingsprocessen. Door het vasthouden aan waardeketens van bepaalde producten verliest men het overzicht van de grotere werkelijkheid: het waardenetwerk of productienetwerk dat veel complexer is dan een uni-lineaire waardeketen. Ik ben er van overtuigd dat, zonder een meer holistisch besef, er zelfs schade wordt aangericht door gesubsidieerde investeringen van het soort die nu vaak worden gepromoot. Zo kan het ondersteunen van boeren coöperatieven (gratis trainingen, goedkope leningen, betaalde certificering, gemakkelijke toegang tot onze markt etc) lokale privé bedrijven weg concurreren. Deze moeten namelijk zonder enige subsidies en met hun eigen kapitaal en mankracht stand houden in de agressieve markt. Geselecteerde privé bedrijven in ontwikkelingslanden die grote subsidies krijgen vormen eveneens valse concurrentie op de lokale markt. Een bloemkweekbedrijf dat een investerings ‘gift’ van een paar ton krijgt omdat het exporteert naar Nederland en met een consultant een mooi plan heeft ingediend, heeft natuurlijk een duidelijke voorsprong op welk ander ongesubsidieerde privé onderneming. Free money Dan zijn er de allianties tussen multinationals en ontwikkelingsorganisaties: samen delen ze de kosten om duurzame producten te ontwikkelen. De ontwikkelingsorganisatie geeft aan hoe het kan en de multinational zorgt dat de producten op de markt komen. Zou een meubelbedrijf of voedselhandelsfirma die de hele wereld heeft veroverd niet weten hoe ze duurzaam moeten produceren of zelf daar de expertise niet voor in huis kunnen halen? Ik heb zelf, met de pet op van ondernemer, vaak andere ondernemers horen lachen over hoe makkelijk er geld is te krijgen uit ontwikkelingsorganisaties: “free money” zo wordt het genoemd. Moet hier nu ons zwaar gekort ontwikkelingsgeld heen gaan? Begrijp mij niet verkeerd. Ik probeer hier niet de ontwikkelingsector onderuit te halen. Die doen vaak fantastisch werk met heel concrete resultaten. Bedrijven zijn natuurlijk ook een essentieel deel van het ontwikkelingsproces. Maar het subsidiëren van het bedrijfsleven uit ontwikkelingshulpgeld en dat te presenteren als oplossing voor de armoede is te simplistisch. Uit eigen ervaring zie ik dat het niet werkt. Gelijk speelveld Dus wat dan wel? Ik pleit altijd voor het creëren van een ‘vlak economisch speelveld’ waar iedereen zoveel mogelijk gelijke kansen krijgt, in plaats van het voortrekken van willekeurige actoren. In ons eigen land doen we dit prima. Wij werken er hard aan om een goed ondernemersklimaat te ontwikkelen, door veiligheid te garanderen, corruptie te bevechten en onze investering en spaargelden veilig te stellen in tijden van crisis. Wij subsidiëren onderwijs, gezondheidszorg, sociale zorg, onderhouden een prachtige infrastructuur en denken en investeren voor de lange termijn. Wij geven belastingssubsidies aan bedrijven die dingen ondernemen waar we achterstaan en heffen toeslagen op diegenen die ons schade aandoen. Wij bekijken ons land ook als een systeem, een samenhangend geheel, en niet als een verzameling losse ketens. Dit “systeem denken” zou ook van toepassing moeten worden in de strategieën voor armoede bestrijding met een holistische analyse van de factoren die invloed hebben. Want uiteindelijk is een land wat arm is, maar veilig, met een goede infrastructuur, met mensen die een goed onderwijs hebben genoten en gezond zijn, waar corruptie minimaal is en de lokale economie zich autonoom ontwikkeld,  niet alleen beter voor de mensen daar, maar uiteindelijk veel aantrekkelijker voor (onze) bedrijven en individuen die daar willen investeren. En mochten we toch iets willen doen om duurzame bedrijven te bevorderen, gooi dan de btw omhoog voor niet duurzame producten. Multinationals zullen dan ineens wel doorhebben hoe het moet. Over de auteur: Harm van Oudenhoven studeerde antropologie in Leiden. Tijdens zijn studie beheerde hij een eenmanszaak en importeerde kunstnijverheid uit Azië en Afrika. Na zijn studie werkte hij tijdelijk in een Nederlands ontwikkelingsproject in Sri Lanka. Vanuit dit project begon hij Hansa Coffee, een klein koffiefabriek in Sri Lanka. Hierna werkte hij voor de Verenigde Naties in Ethiopië en El Salvador. In 2004 stichtte hij El Castillo del Cacao, de eerste chocolade fabriek in Nicaragua. In 2005 won hij met zijn businessplan de eerste prijs van de Bid Challenge. Sinds een  jaar woont hij weer in Nederland, beheert weer zijn eigen bedrijf en geeft  hij advies aan ondernemers die zaken willen doen in ontwikkelingslanden.

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel