Gister betoogde Femke van Zeijl op deze site dat we, met de huidige nadruk op landbouw, de steden niet moesten vergeten. Maar Arie Kuyvenhoven, emeritus hoogleraar ontwikkelingseconomie aan de Wageningen Universiteit, vindt het juist de hoogste tijd dat Nederland weer iets aan landbouw gaat doen. De voedselcrisis vraagt om investeringen in landbouw, en landbouw behoort bij uitstek tot de Nederlandse expertise. In een interview met Vice Versa vertelt hij over het belang van landbouw en de toegevoegde waarde die Nederland heeft. Voor een ontwikkelingseconoom die afkomstig is van de Wageningen Universiteit, is het nieuwe beleid van Ben Knapen met de nadruk op economische ontwikkeling en landbouw, begrijpelijkerwijs welkom. De emeritus hoogleraar vindt armoedebestrijding in combinatie met economische verzelfstandiging ‘een zinvolle aanpak van het ontwikkelingsvraagstuk.’ Arie Kuyvenhoven: ‘Economische groei is volstrekt niet de enige voorwaarde, maar zonder groei wordt het aanpakken van het armoedevraagstuk bijzonder ingewikkeld.’ ‘Met het nieuwe beleid van Knapen, keren we weer terug naar normale verhoudingen: er zit nu meer evenwicht tussen de sectoren waarop Nederland zich wil richten. Onderwijs en gezondheidszorg zijn natuurlijk erg belangrijk: iedere euro die daar minder naartoe gaat, gaat me aan het hart. Maar het grotendeels ondersteunen van sociale sectoren is niet het complete verhaal.’ Overigens is deze benadering niet nieuw, weet Kuyvenhoven te vertellen. Na jaren van focus op sociale sectoren, besloot oud-minister van ontwikkelingssamenwerking De Koning in de jaren ’80 economische verzelfstandiging en structurele armoedebestrijding tot uitgangspunt van zijn beleid te maken. Afhankelijk van landbouw Behalve economische groei, juicht Kuyvenhoven ook de thematische keuze voor landbouw toe. De gehele samenleving profiteert als de landbouw wordt ontwikkeld – dus ook de mensen in de steden, waar Femke van Zeijl gister op deze site een lans voor brak. Boeren kunnen namelijk hun inkomen verbeteren, sommigen behoeven daarom minder voedsel aan te kopen, anderen kunnen een surplus realiseren en dat verkopen. Door de gestegen koopkracht ontstaat meer werkgelegenheid en als gevolg van de productiviteitsstijging kunnen voedselprijzen voor consumenten dalen. Maar nog belangrijker: ‘Driekwart van de mensen in Afrika woont op het platteland en is van landbouw afhankelijk. Als die sector niet goed loopt, moet men in dat andere kwart wel heel hard werken wil je de welvaart verhogen. Als je dus armoede wilt bestrijden, moet je daar beginnen. Je kunt het je gewoon niet permitteren om landbouw te verwaarlozen.’ Desastreuze gevolgen Want dat is wat er de afgelopen jaren wel is gebeurd. ‘Landbouw is enorm verwaarloosd, vooral in Afrika. Vanaf het midden van de jaren ’70 daalden voedselprijzen geleidelijk en werd er genoeg geproduceerd. De veronderstelling was dat het wel goed zat met de landbouw. Afrikaanse leiders hadden ook niet zoveel affiniteit met het rurale gebied: zij wilden moderniseren en richtten zich vooral op de steden. Daarbij komt dat Afrika aan het begin van de jaren ’60 zelfvoorzienend was in voedsel.’ Ook donoren gaven de afgelopen decennia niet veel prioriteit aan landbouw. De emeritus hoogleraar vertelt dat na 2000 het besef pas echt doordrong dat het niet goed ging in Afrika en dat er serieus iets moest worden omgezet. Tegelijkertijd ging het in Azië steeds beter: daar had een Groene Revolutie plaats gevonden die er voor zorgde dat de graanopbrengsten, die rond 1960 een ton bedroegen, stegen tot drie ton in India en meer dan vijf ton in China per hectare. Maar Afrikaanse leiders investeerden niet in landbouw; in Afrika bleef de productiviteit op een ton per hectare steken. Langzamerhand, mede onder invloed van de voedselcrisis, kwam er weer aandacht voor landbouw. Kuyvenhoven: ‘Er is nu duidelijk meer politieke wil bij Afrikaanse leiders om te investeren. USAID, de Wereldbank en de Gates Foundation zagen als eersten in dat het desastreuze gevolgen zou hebben als er niet wordt geïnvesteerd wordt in landbouw.’ Nederland ‘goed’ in landbouw? En nu geeft ook Nederland, dat de afgelopen decennia landbouw op een laag pitje had staan, weer prioriteit aan landbouw. Paul Hassing en Paul Hoebink beargumenteerden eerder op deze site dat, juist omdat Nederland landbouw niet veel aandacht schonk, het onlogisch zou zijn dit tot prioriteit te benoemen. Maar Kuyvenhoven heeft juist de afgelopen jaren herhaaldelijk aangegeven hoe belangrijk het is meer aan landbouw te doen, en is tevreden met de nieuw benoemde prioriteit. Hij deelt daarbij het standpunt van het WRR- rapport en van Knapen dat Nederland ‘goed’ is in de sectoren landbouw en water, en denkt ook dat het belangrijk is dat je als klein land, met weinig macht, moet doen waar je goed in bent om op die manier invloed en resultaat te krijgen. Maar is Nederland wel zo goed om de Afrikanen, die toch met heel andere problemen te maken hebben dan wij te helpen? Kuyvenhoven: ‘Het complex Wageningen heeft een buitengewoon hoog en relevant kennisniveau. Die kennis is er overigens niet alleen op universitair niveau, maar ook in de praktijk van de gehele agri-business sector, bijvoorbeeld bij tuinders of zaadveredelaars. We zijn niet ten onrechte de tweede exporteur ter wereld van landbouwproducten.’ Afrikanen moeten het zelf doen ‘Maar waar het om gaat is: wat willen ontwikkelingslanden zelf? Daarbij kun je uiteraard wel gebruik maken van kennis die in Nederland geaccumuleerd is. In Wageningen komen studenten van heinde en verre en wordt er in samenwerking met veel instellingen in ontwikkelingslanden over tal van onderwerpen kennis vergaard. Verder ontbreekt het in ontwikkelingslanden nogal eens aan analysecapaciteit of gespecialiseerde kennis op bepaalde gebieden. Daar kun je dan bij assisteren en van elkaar leren.’ Nederland kan dus assisteren, maar Kuyvenhoven wil af van buitenlandse deskundigen die vertellen wat de Afrikanen moeten doen. Landen moeten zelf met ideeën komen. En die ideeën uit Afrika zijn er wel, denkt Kuyvenhoven. ‘Er is daar een nieuwe generatie economen en technici die anders tegen ontwikkeling aankijkt dan de vaders van de onafhankelijkheid: veel minder polariserend, veel realistischer. Daar kunnen wij constructief een dialoog mee voeren. Die mensen weten tegenwoordig vaak meer dan zogenaamde “experts” of deskundigen van ambassades en NGO’s die om de paar jaar weer ergens anders zitten.’ Aansluiten bij internationale activiteiten Kuyvenhoven ziet dan ook het meeste heil in internationale hulpactiviteiten die gedragen worden door lokale initiatieven. Met de Worldconnectors heeft hij aanbevolen dat 40 % van het budget daaraan zou moeten worden besteed. Als voorbeeld van zo’n internationaal initiatief waar Nederland bij aan kan schuiven, noemt Kuyvenhoven het beleidsadvieswerk van het International Food Policy Research Institute. Dit initiatief brengt buitenlandse en Afrikaanse experts samen om duurzame oplossingen te zoeken voor rurale ontwikkeling en voedselvoorziening Veel donoren operen al op deze wijze. Waar Nederland zich volgens Arie Kuyvenhoven vooral mee kan onderscheiden is de meer technische kant van landbouw. ‘Dan gaat het om vragen als: Hoe verbeter je gewasopbrengsten? Hoe krijg je je gewassen droogtebestendig? Hoe ontwikkel je lokaal aangepaste variëteiten? Hoe ga je om met intellectuele eigendom? Sommige landen zijn beter in de beleidsmatige kant, wij beter in de technische kant. Daarnaast hebben we een omvangrijk bedrijfsleven dat internationaal zeer actief is.’ Internationaal of lokaal Uiteindelijk zijn het echter wel de Afrikaanse bedrijven die de grootste rol moeten hebben in de ontwikkeling van de Afrikaanse landbouw. Kuyvenhoven: ‘De rol van Nederlandse bedrijven is natuurlijk beperkt: zij zitten aan de export kant. Maar als het om ketenontwikkeling in de landbouw gaat, van producent to consument, zijn heel veel activiteiten lokaal. Dan moet je zorgen dat het Afrikaanse bedrijfsleven tot bloei kan komen.’ Tussen uitvoer en lokale productie lijkt nu juist een spanningsveld te zitten. Een van de punten waarover de Worldconnectors het in hun visiedocument niet eens konden worden, is de vraag of boeren vooral zouden moeten produceren voor de lokale markt of voor de export. Volgens Kuyvenhoven is het niet een zaak van of/of, maar van en/en. ‘Als je het over de uitvoer van Keniase bloemen hebt, is dat betrekkelijk onomstreden. Maar het is wel schrijnend als Afrikaanse landen groenten exporteren, terwijl er honger heerst. Maar waarom kan het niet allebei, produceren voor de lokale markt en voor de uitvoer? We kunnen niet tegen de Ethiopische boer die boontjes wil exporteren zeggen dat hij dat niet mag doen.’ Een groene revolutie in Afrika Maar om de landbouw zo te ontwikkelen dat er volop geëxporteerd én geproduceerd kan worden voor lokale behoeften, zal Afrika’s landbouw wel een verandering moeten ondergaan. Is een Groene Revolutie, zoals die zich in Azië voltrokken heeft, een oplossing? Een Groene Revolutie in termen van productiviteitsverhoging zeker, denkt Kuyvenhoven. Maar Afrika kent daarbij wel een aantal struikelblokken die Azië niet had. Kuyvenhoven: ‘In Azië heeft de Groene Revolutie zich snel kunnen verspreiden. De gebieden zijn daar vrij homogeen: wat één boer toepast, kunnen tallozen nadoen. In Afrika is dat anders: de bodems zijn minder vruchtbaar; de agro-ecologie is divers, de infrastructuur is slecht ontwikkeld, er zijn minder irrigatiemogelijkheden en instituties en organisaties zijn zwak.’ Politieke wil Ook een belangrijk verschil is de politieke wil en de kwaliteit van bestuur. ‘Aziatische regimes begrepen dat het onaanvaardbaar was dat ze hun eigen mensen niet konden voeden. Men wilde metterdaad zelfstandig zijn en trots op de eigen voedselvoorziening. Maar zover zijn veel Afrikaanse leiders nog niet. Ze begrijpen het voedselzekerheidsprobleem wel, maar de vraag is of zij voldoende politiek druk ervaren, nationaal en internationaal, om er hun beleid in brede zin op te richten.’ Daaraan zijn wij zelf medeschuldig, denkt Kuyvenhoven. Want als je als Afrikaans leider hulp kunt blíjven ontvangen, wat heeft dat dan intern voor gevolgen? Dat het voedselprobleem afhankelijk is van politieke wil, laat de complexiteit van het probleem zien. Want ook conflicten om land, eigendomsrechten, onderwijs en de positie van vrouwen is belangrijk. Kuyvenhoven: ‘Het gaat ook om de omgeving van het boerenbedrijf zoals zaken als vrije transacties en rechtszekerheid. Als je bijvoorbeeld producten aan een handelaar hebt verkocht en die komt vervolgens roadblocks tegen waar betaald moet worden, drukt dat natuurlijk de opbrengstprijs en verhoogt het de consumentenprijs. Volgens Kuyvenhoven zijn Nederlandse experts er goed in om dit type problemen in onderlinge samenhang te kunnen zien. Voorzichtig optimistisch Ondanks de vele struikelblokken, is Kuyvenhoven voorzichtig optimistisch gestemd over het realiseren van een Groene Revolutie in Afrika. ‘Ooit zal het lukken. Er zijn een aantal Afrikaanse landen waar goede vorderingen zijn gemaakt met het opzetten van nieuwe variëteiten. Die worden in toenemende mate toegepast en hebben nu het niveau van Azië van zo’n 20 à 30 jaar geleden bereikt.’ Ook de programma’s binnen het Alliance for a Green Revolution (AGRA), een organisatie dat zich richt op het ontwikkelen van kleinschalige landbouw, zijn veelbelovend. Kuyvenhoven pleit er dan ook voor dat de Nederlandse regering zich bij deze initiatieven aansluit. Wel is het belangrijk dat, ondanks de prestigieuze instituten met hun wetenschappelijke kennis, de ‘gewone boer’ centraal moet blijven staan. Zo wordt de fout vermeden waarbij kennisontwikkeling te ver bij de boer af staat. Kuyvenhoven: ‘We nemen vaak wat wij belangrijk vinden als vertrekpunt. Maar uiteindelijk moet het vertrekpunt de boer blijven. Je moet kijken naar wat hem beweegt om iets wel of niet te ondernemen. En zorgen voor een stimulerende omgeving met goed toegesneden overheidstaken. Op die manier zal Afrika er in kunnen slagen de strategie die Azië zoveel successen bracht uit te voeren: state-led, market-driven, small-farmer based

‘Beloon koplopers en reken af met freeriders’

Door Lennaert Rooijakkers | 02 juni 2020

Minister Kaag van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wil na de zomer een nieuw beleid rond Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen vormgeven. Wat is er de afgelopen jaren bereikt, hoe staat Nederland ervoor, en wat zijn de uitdagingen? Vandaag deel een van een tweeluik: met vrijblijvende convenanten hebben Nederlandse bedrijven nog een flinke slag te maken.

Lees artikel

Wacht nou eens op de hulpvraag!

Door Anika Altaf | 29 mei 2020

Bij deze COVID-19 crisis initiëren ontwikkelingsorganisaties allerlei acties in tientallen landen in Azië en Afrika. Maar sluiten die wel aan op waar mensen behoefte aan hebben en zijn deze wel kosteneffectief? Anika Altaf en Betteke de Gaay Fortman pleiten ervoor om niet in oude reflexen terug te vallen, maar nauwgezet uit te zoeken wat de hulpvraag is en goed te luisteren naar de mensen om wie het gaat.

Lees artikel

Corona steun via particuliere initiatieven

Door Marc Broere | 28 mei 2020

Niet alleen grote organisaties zijn actief met het geven van noodhulp tijdens de coronacrisis. Wilde Ganzen is een speciaal corona fonds gestart voor Nederlandse particuliere initiatieven en hun lokale partners. Zij zitten vaak in haarvaten van de samenleving en kunnen de meest gemarginaliseerde groepen bereiken.

Lees artikel