Moet er wel of geen gedragscode voor ontwikkelingssamenwerking komen? Het WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’ pleit voor een gedragscode voor particuliere initiatieven. Marc Broere is voor een gedragscode, maar die moet breder zijn dan alleen voor particuliere initiatieven. In twee eerdere bijdrages (‘Ontwikkelingswerker in opspraak‘ en ‘Gedragscode moet ook ontwikkelingswerker beschermen‘) heb ik teruggeblikt op de discussie over een gedragscode voor ontwikkelingswerkers zoals die in de jaren negentig van de vorige eeuw woedde. Na alle negatieve publiciteit destijds verdween het idee van een gedragscode in 1994 weer geruisloos van tafel. Bij ontwikkelingsorganisaties was geen draagvlak om de code ook werkelijk status te geven, bijvoorbeeld als aanhangsel bij het arbeidscontract of in de CAO. Nu komt het idee voor een gedragscode in het WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’, toch opeens weer op tafel. In dit geval is het idee voor een code vooral toegespitst op particuliere initiatieven. Peter van Lieshout en zijn co-auteurs schrijven:‘Veel burgers, zo blijkt, raken steeds meer persoonlijk bij dit soort hulp (particuliere initiatieven, mb) betrokken en nemen zelf initiatieven. De rol van de overheid daarbij is beperkt. Ze kan faciliteren dat de betrokkenen erachter kunnen komen wat ze het beste kunnen doen en hoe ze dat aan kunnen pakken. De overheid kan bovendien proberen te voorkomen dat Afrika een speeltuin wordt van onverantwoord  hobbyisme. Zo wordt in het Verenigd Koninkrijk inmiddels aan regelgeving gewerkt voor een gedragscode om misstanden in het Zuiden te voorkomen. Nederland zou zich daarbij aan kunnen sluiten of iets vergelijkbaars kunnen doen.’ Slecht verantwoording afleggen Ik vind het prikkelend idee. De Nijmeegse wetenschapper Lau Schulpen presenteerde eind 2007 zijn onderzoek naar de effectiviteit van de hulp die Nederlandse doe-het-zelvers bieden. Hij onderzocht bijna dertig kleinschalige hulpinitiatieven in Malawi en Ghana. De bevindingen logen er niet om. Schulpen concludeerde dat kleine particuliere initiatieven slecht zijn in het afleggen van verantwoording over de effectiviteit van hun projecten. Ze kunnen wel laten zien dat ze een schooltje bouwen of medicijnen aan een kliniek leveren, maar niet aantonen wat nu echt de impact of effectiviteit van hun werk is op het gebied van armoedebestrijding. Kritiek had Schulpen ook op de manier waarop de kleine stichtingen samenwerken met de lokale bevolking in ontwikkelingslanden. Het viel hem op dat er een groot wantrouwen bestaat onder Nederlandse doe-het-zelvers ten opzichte van de lokale bevolking in Ghana en Malawi. In Mali werden zes van de onderzochte projecten door de Nederlanders zelf gerund en had Schulpen de indruk dat men geen hoge dunk had van de Malawiërs. Vaak werd dat op een dusdanige manier uitgedrukt dat er sprake was van paternalisme. Schulpen vertelde me in een interview naar aanleiding van het verschijnen van het rapport zelfs dat hij het idee kreeg dat men bezig was met de rekolonisatie van Afrika. ‘En daar kreeg ik geen prettig gevoel bij’, voegde hij daar aan toe. Andere doe-het-zelvers vlogen twee of drie keer per jaar naar Malawi voor een controlebezoek. Dan werden letterlijk alle kasten in het weeshuis opengetrokken om te kijken of de geleverde spullen uit Nederland ook echt gebruikt werden. Illegaal bezig Een ander punt dat Schulpen aanstipte was de overdracht van kennis aan de lokale bevolking, zodat de projecten op den duur zonder steun van buitenaf verder kunnen. Hij concludeerde dat er bij de onderzochte projecten hiervan nauwelijks sprake is. Doe-het-zelvers zijn bezig met het bouwen van schooltjes of het regelen van een ambulance voor het plaatselijke ziekenhuis. Het idee dat de partner of lokale bevolking de projecten later zelf over moeten nemen is ondergeschikt. ‘Op deze manier kun je wel tot sint-juttemis kunstmest blijven sturen of schooltjes blijven bouwen’, aldus Schulpen. Ook concludeerde hij dat de meeste particuliere organisaties geïsoleerd werken. Ze hebben weinig zicht op wat de overheid of andere organisaties doen, en weten nauwelijks of hun activiteiten daar wel bij aansluiten. In Malawi bijvoorbeeld hebben veel dorpen hun eigen lokale organisatie die zich met de opvang van aidswezen bezighouden. In diezelfde dorpen zijn soms ook Nederlands stichtingen actief op dat vlak. Toch werken ze niet samen. De Malawische overheid heeft volgens Schulpen nauwelijks zicht op de vele honderden particuliere initiatieven in het land. Officieel mag je alleen ontwikkelingswerk in Malawi doen als je geregistreerd staat. Ruim driekwart van de Nederlandse organisaties die hij in Malawi onderzocht hebt waren dat niet. ‘Eigenlijk zijn ze dus illegaal bezig’, concludeerde Schulpen. Discutabele hulp Ik denk dat de WRR een goed punt heeft als ze voor een gedragscode pleit. Alleen vind ik wel dat die gedragscode verder moet gaan dan alleen de particuliere organisaties. Want ook bij ‘professionele’ organisaties komen nog steeds soortgelijke problemen voor zoals Schulpen die in zijn onderzoek schetst. Ook de afgelopen maanden heb ik me weer verwonderd over een aantal zaken die mijns inziens de invoering van een gedragscode rechtvaardigen. Lees bijvoorbeeld de discussie op de Vice Versa site maar eens terug over de door Trouw-journalist Han Koch geschetste ‘foute hulp’ van Dorcas (voedselpakketten voor Oost-Europa) en Save the Children (breinaalden voor India). Onder het mom van draagvlak creëren onder de Nederlandse samenleving werd hulp gegeven waarbij je gerede twijfels kunt zetten. Ik vind dat het creëren van draagvlak onder de Nederlandse bevolking nooit een argument mag zijn om slechte hulp te geven, en denk dat een gedragscode hier duidelijke uitspraken over kan doen. Bovendien ben ik er van overtuigd dat slechte hulp uiteindelijk altijd zal leiden tot het verminderen van draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking. Daarnaast heb ik me verwonderd over de aidslobby tijdens het begrotingsdebat over Buitenlandse Zaken. In plaats van aan de belangen van de sector als geheel te denken en uit te gaan van de vraag uit ontwikkelingslanden, voerde aidsorganisaties –die daarbij de Kamerleden Kathleen Ferrier en Ewout Irrgang als bondgenoten hadden- een lobby die vooral op hun eigen belangen gericht was. Ook hier was een gedragscode op zijn plaats geweest. Perverse gevolgen van hulp Dus een gedragscode: ja. Alleen moet die breder zijn dan particuliere initiatieven alleen. Gelukkig geeft het WRR-rapport hier ook een handreiking. Er staat namelijk ook in het rapport: ‘Hoe aan het  vereiste lerend vermogen vorm te geven?  In het Verenigd Koninkrijk wordt in dit kader wel gesproken over gedragscodes voor ontwikkelingsorganisaties, met name om perverse gevolgen van hulp tegen te gaan. Zo speelt de vraag of lokaal personeel in dienst van een door een donor gefinancierde NGO maximaal evenveel betaald zou mogen krijgen als overheidspersoneel. Daarover (en over vergelijkbare kwesties) onderlinge afspraken maken is belangrijk, en dat zou in internationaal verband moeten gebeuren. Nog essentiëler is het dat verantwoording een bijdrage zou moeten leveren aan een leerproces.’ En zo ken ik nog wel een paar perverse gevolgen van hulp, zoals bijvoorbeeld de ontwrichtende gevolgen van de zogeheten ‘sitting-allowances’, die door ontwikkelingsorganisaties worden betaald aan mensen om workshops bij te wonen. Lees bijvoorbeeld het verhaal van Job de Graaf in de laatste Vice Versa hierover maar eens. Maar bovenal vind ik ook dat een gedragscode er niet alleen moet zijn om misstanden aan de kaak te stellen, maar ook om goed ontwikkelingswerk te beschermen. Het moet ook een steun in de rug zijn voor organisaties of ontwikkelingswerkers die door goed werk in conflict komen met lokale machthebbers of bijvoorbeeld de Nederlandse overheid. Helaas heeft Ben Knapen het advies van de WRR niet meegenomen in zijn Basisbrief. Maar ik hoop dat hierdoor de discussie over een gedragscode in ieder geval niet van tafel is.

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel