Op de korte termijn lijken de doelen van bedrijfsleven, overheid en maatschappelijke ontwikkelingsorganisaties tegengesteld. Maar met de lange termijn voor ogen is er juist vanuit de verschillende krachten en rollen van deze drie actoren veel synergie te bereiken voor ontwikkeling. Partosdirecteur Alexander Kohnstamm doet een oproep om die complementariteit actief op te zoeken. De toegenomen onderlinge verbondenheid van mensen overal op deze kleine aarde noodzaakt ons allen tot structurele inzet voor een duurzame en rechtvaardige wereld. Vanuit morele overwegingen, maar ook vanuit de gedeelde belangen die wij en onze nakomelingen daarbij hebben. Internationale Samenwerking is er om deze mondiale ontwikkeling te stimuleren door voorheen kanslozen de mogelijkheid tot zelfredzaamheid te bieden, door mensen in staat te stellen aan een beter leven voor zichzelf en hun gemeenschappen – en uiteindelijk aan een betere wereld te bouwen. Die Internationale Samenwerking is, in de woorden van voormalig minister Koenders, een zaak van iedereen. Van individuele burgers ‘daar’ (denk aan voorvechters van homorechten in een land als Oeganda, aan oma’s die door Aids verweesde kleinkinderen verzorgen, of aan lokale ondernemers die een stap vooruit zetten in de manier waarop zij hun werknemers behandelen), en ‘hier’ (consumenten die ‘groene’ chocola kopen, beleggers die niet in wapenhandel investeren, of CEOs die ervoor kiezen duurzaam in te kopen). Van iedereen dus, als burgers van deze wereld. Drie groepen Op organisatieniveau worden vaak drie groepen als primair bij IS betrokken genoemd, zowel in het Westen als in ontwikkelingslanden: overheid, bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld. Deze partijen hebben de opdracht en de verantwoordelijkheid om zich, elk vanuit hun eigen positie en kracht, optimaal in te zetten voor duurzaamheid en rechtvaardigheid op de lange termijn. ‘Optimaal’ duidt in dit geval op een aantal zaken. Ten eerste dat je continue of minstens periodiek zoekt naar de beste manier om effectief aan je doelstellingen te werken. Ten tweede moet iedere organisatie de relatie tussen de lange-termijn ontwikkelingsdoelen en de eigen intrinsieke doelen expliciteren. Alleen zo kan de inzet ook op termijn gewaarborgd worden. En tenslotte gaat het erom dat je samenwerkt met andere organisaties die complementair zijn qua rol, positie en competenties. Als op deze manier structureel gezocht wordt naar wederzijds versterkende partnerships tussen organisaties uit markt, staat en civil society, kan de gezamenlijke inzet voor ontwikkeling drastisch versneld worden. Belangenverschillen op korte termijn Op de korte termijn kunnen er grote belangenverschillen bestaan tussen bijvoorbeeld NGO’s en bedrijven. Maar zodra ieder zich realiseert dat de lange-termijndoelen –zie de openingsalinea- gelijk of minimaal sterk verwant zijn, kun je naar mijn overtuiging op praktisch alle terreinen vroeger of later tot productieve samenwerking komen. Op deze manier zouden Nederlandse organisaties en vertegenwoordigers uit de drie genoemde pijlers elkaar nog veel actiever moeten opzoeken. Voor het bedrijfsleven betekent dit dat het zich dient te realiseren, en enkele grotere bedrijven hebben dat gelukkig al gedaan, dat de eigen intrinsieke groeidoelstelling gebaat is bij duurzame supply chains, versterkte afzetmarkten in ontwikkelingslanden en goede reputatie op de Westerse markten. De overheid van haar kant heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van ontwikkelingsactiviteiten die vanuit Nederland worden ondernomen, maar daarnaast ook de plicht tot het voeren van effectief en coherent beleid met optimale besteding van belastinggeld. En ook de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties moeten permanent op de topjes van hun tenen lopen, zowel in het scherp houden van de andere actoren als waar het gaat om hun eigen effectiviteit ten bate van mondiale ontwikkeling – individueel maar ook als sector. Hybride samenwerkingsvormen De analyse van wat deze drie sectoren elk voor zich specifiek kunnen verbeteren aan hun handelwijze om vervolgens in synergie tot betere ontwikkelingsresultaten te komen, is iets voor een andere, uitgebreidere verhandeling.  Het gaat mij in dit korte stukje om het principe van hybride samenwerkingsvormen gebaseerd op ieders eigen kracht, positie en doelstellingen. Maar een paar opmerkingen wil ik mij toch wel veroorloven. Zo doen Nederlandse maatschappelijke organisaties, de achterban van Partos dus, er goed aan de volgende woorden van Klaas Dijkhoff in het Kamerdebat van 6 december ter harte te nemen: “De VVD zet grote vraagtekens bij de manier waarop versnippering zou bijdragen aan de effectiviteit van ons ontwikkelingsbeleid. Uiteindelijk gaat het erom dat wij voor elke euro zo veel mogelijk bereiken en niet om welk logo er op het petje stond van degene die eraan bijdroeg.” De overheid moet zich van haar kant afvragen of de toenemende druk op NGO’s om meer op de ‘donateursmarkt’ te werven, die effectiviteit wel ten goede komt. Bovenal dient de regering een coherente globaliseringsvisie te hebben, en dat is wat anders dan een visie op bezuinigen op ODA zonder het directe Nederlands eigenbelang teveel te schaden. Het bedrijfsleven tenslotte, moet onder ogen zien dat zijn zwakkere broeders toch echt regelgeving nodig blijken te hebben om tot duurzame bedrijfsvoering te komen – iets wat overigens ook in het belang is van die bedrijven die wèl de lange termijn in het vizier hebben. Dialoog opzoeken Partos zoekt, met en namens de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties, in het nieuwe jaar actief de dialoog op met het bedrijfsleven en de overheid. Om samen te bepalen hoe we enerzijds zo effectief mogelijk mondiale ontwikkelingsdoelen kunnen nastreven en anderzijds het grote publiek daarover zo goed mogelijk kunnen informeren en bij kunnen betrekken. Ik roep alle betrokkenen op om actief en positief te kijken naar de rol die in synergie en samenhang gespeeld kan worden door alle sectoren, ten bate van een duurzame en rechtvaardige wereld waarin de komende generaties overal op aarde in welvaart en vrede samenleven. Het is in ieders belang dat die gedachte, die zo bij deze tijd van het jaar past, nooit zal verworden tot een ‘linkse hobby’.

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel