Mark Rutte schreef in het regeerakkoord dat het WRR rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’ de leidraad zal vormen van het nieuwe Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Tot welke onvermijdelijke keuzes zal dit leiden? Stefan Verwer, uitgever van Vice Versa, schrijft op basis van het WRR rapport de blauwdruk van dit nieuwe beleid. Op basis van de analyses van de WRR is het betrekkelijk eenvoudig om de contouren van het nieuwe ontwikkelingsbeleid (volgens de WRR)  te schetsen en dat is wat de redactie van Vice Versa heeft gedaan. Natuurlijk: politieke keuzes kunnen anders ingevuld worden, maar op basis van het WRR- rapport zou in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid radicaal het roer omgegooid worden. En waarom ook niet, want na ruim zestig jaar ontwikkelingssamenwerking leeft nog steeds een te groot deel van de wereldbevolking onder de armoedegrens en is de kloof tussen het rijke en arme deel van de aarde alleen maar toegenomen. Eerste beleidsnotitie bewindspersoon ‘ademt’ WRR Effectiviteit door duidelijke keuzes: dat lijkt een voor de hand liggende titel voor de eerste beleidsnotitie die de nieuwe bewindspersoon van ontwikkelingssamenwerking kort na zijn/haar aantreden zou opsturen aan de Tweede Kamer. Vice Versa stelt deze titel graag ter beschikking aan Ben Knapen. In deze beleidsnotitie spreekt de Nederlandse regering haar waardering uit voor de inspanningen die jarenlang zijn geleverd door eenieder die betrokken was bij de uitvoering van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Verschillende beleidsevaluaties konden echter niet anders dan concluderen dat het beleid uit het verleden heeft geleid tot versnippering van de hulp en dat door gebrek aan donorcoördinatie ook de afstemming met andere donoren niet of nauwelijks van de grond is gekomen. Geheel in lijn met de WRR kiest de regering voor de focus op een beperkt aantal sectoren en landen. Die keuzes zijn scherp en soms hard voor die sectoren en landen die buiten het kader van de Nederlandse ontwikkelingshulp vallen. Concreet betekent dit in het nieuwe beleid: 1. het aantal landen wordt teruggebracht van ruim 36 landen naar maximaal 10! 2. we bezuinigen op armoedebestrijding ten faveure van programma’s gericht op economische bedrijvigheid en snijden in het aantal programma’s op het gebied van armoedebestrijding. Heel concreet richt Nederland zich nog maar op een aantal thema’s: democratisering (justice, inclusief civil society opbouw), waterbeheer, landbouw en HIV/AIDS bestrijding 3. het percentage van 0,7% van het BNP wordt losgelaten: niet langer bepaalt de kwantiteit, maar de kwaliteit de hoogte van het budget: Nederland geeft dus jaarlijks maximaal 0,7% van het BNP aan ontwikkelingssamenwerking 4. het Nederlandse ministerie van ontwikkelingssamenwerking zal radicaal worden hervormd, zodat de organisatie van het ministerie beter aansluit op het beleid en kennis (research and development): er komt een uitvoeringsorganisatie (NL AID) voor de uitvoering van de ontwikkelingsprogramma’s, met een op die thema’s gespecialiseerd ambtenarenapparaat. Ontwikkelingssamenwerking is nog steeds een zaak van iedereen, maar daar houdt de vergelijking met het beleid van vorige ministers dan ook meteen op.  Ontwikkelingssamenwerking is een zaak van verlicht eigenbelang: Nederlandse burgers en het bedrijfsleven profiteren namelijk maximaal van mondiale stabiliteit en mondiale duurzame economische ontwikkeling. Drie gelijkwaardige pijlers van het ontwikkelingsbeleid Het nieuwe Nederlandse ontwikkelingsbeleid steunt op drie pijlers. De Nederlandse regering wil af van kortlopende projecten en streeft naar langdurige interventies in een beperkt aantal landen en sectoren. Deze interventies zijn bepaald na een nauwkeurige contextanalyse en de programma’s zijn ingebed in een bredere holistische benadering. In een schema komt het er als volgt uit te zien: Pijler 1: directe armoedebestrijding Nederland concentreert zich hierbij op de verbetering van de leefomstandigheden in ontwikkelingslanden. Daartoe gaat de Nederlandse overheid langdurige ontwikkelingsinterventies in het kader van vier kernthema’s: a) waterbeheer, b) landbouw, c) democratisering/justice (inclusief civil society opbouw) en d) HIV/AIDS. En wat gaan we dan niet meer doen? Buiten het feit dat Nederland haar bijdrage aan directe armoedebestrijding drastisch verlaagt ten faveure van de andere pijlers van het Nederlandse beleid, stopt Nederland dus ook met haar investeringen in bijvoorbeeld onderwijs, natuurbeheer, gender, gezondheidszorg, mensenrechten, behalve als deze onderwerpen in het kader van een programma binnen één van de kernthema’s als één van de prioriteiten worden geïdentificeerd. De onvermijdelijke consequentie is dat het Nederlandse beleid per direct afscheid neemt van de millenniumdoelen. Pijler 2: Structurele ontwikkeling en duurzame economische bedrijvigheid Nederland zet sterk in op het promoten van duurzame economische bedrijvigheid. Hierbij ligt de nadruk op de overdracht van expertise en capaciteitsopbouw, met name gericht op het MKB en microkrediet. Daarbij is de vraag in welke mate de interventies van Nederland bijdragen aan het creëren van werkgelegenheid. Het midden- en kleinbedrijf en microkrediet zijn de speerpunten van de tweede pijler van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. De expliciete keuze hiervoor is een belangrijke beleidswijziging; immers Nederland laat hierbij de doelstelling vallen dat de hulpinspanningen gericht moeten zijn op de allerarmsten, maar kiest juist voor de opbouw van een middenklasse. De middenklasse wordt door Nederland als een belangrijke motor voor economische en sociale ontwikkeling, alsmede voor democratisering, gezien. Invoering en waar nodig hervorming van het belastingstelsel vormen een belangrijk onderdeel van deze pijler van het ontwikkelingsbeleid. Belastinginkomsten vergroten de zelfredzaamheid van de overheden van ontwikkelingslanden, terwijl zij ook democratische ontwikkeling bevorderen. Immers  de belastingbetaler zal een grotere invloed op de besteding van de belastinginkomsten van de overheid eisen. En wat gaan we dan nieuw doen? Het accent in samenwerkingspartners van de overheid, verschuift naar gespecialiseerde organisaties, zoals pensioenfondsen, de belastingdienst, het MKB en natuurlijk de werkgeversorganisatie VNO-NCW. Zoals de WRR al concludeerde is het medefinancieringsstelsel aan het einde van haar levenscyclus. Na de afronding van MFS-2 zal ook het bedrijfsleven en werkgeversorganisaties gebruik kunnen maken van een dergelijk medefinancieringsstelsel. Immers, zij zijn beter toegerust in de uitvoering van de nieuwe beleidsuitgangspunten. Pijler 3: global common goods Ontwikkelingssamenwerking is slechts één van de middelen om de mondiale armoede te bestrijden: van groot belang voor de ontwikkeling van ontwikkelingslanden is de mate waarin zij kunnen profiteren van globalisering en de toegenomen wereldhandel. Het bevorderen van de positie van ontwikkelingslanden op de wereldmarkt is dan ook een pijler van het nieuwe Nederlandse ontwikkelingsbeleid. De Nederlandse regering richt zich in dit kader op coherentie van beleid: de zogenaamde coherentie-unit zal dan ook uitgebreid worden, terwijl ontwikkelingssamenwerking zich nadrukkelijker gaat richten op de VN en andere multilaterale instellingen, zoals de verschillende ontwikkelingsbanken. De Nederlandse bijdragen aan deze instellingen zal geoormerkt worden om besteed te worden aan de tien focuslanden van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid of aan regionale programma’s in de regio’s van de Nederlandse focuslanden. Op basis van de WRR benadrukt de regering het belang van het bevorderen van maatregelen die gericht zijn op het vergemakkelijken van handelsbeleid. In dat kader zal de regering zich inspannen om de vastgelopen WTO-onderhandelingen vlot te trekken. Deze zijn vastgelopen doordat er geen overeenstemming kon worden bereikt op het afschaffen van de landbouwsubsidies, maar ook was er geen overeenstemming over zogenaamde handelsbevorderende maatregelen (de zogenaamde Singapore Issues). Juist harmonisatie van douaneregelgeving en investeringsbeleid in ontwikkelingslanden zijn cruciaal om deze landen maximaal te laten profiteren van internationale handel. Kennis centraal in het beleid De Nederlandse regering hecht in het kielzog van de WRR grote waarde aan de bijdrage van kennis(overdracht) en capaciteitsopbouw binnen ontwikkelingssamenwerking. Een overkoepelende kennisstructuur zal daarom worden gecreëerd, die zorg zal dragen voor de kennisontwikkeling, capaciteitsopbouw en overdracht in alle interventies binnen het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Niet alleen de mate waarin het Nederlandse ontwikkelingsbeleid haar doelstelling behaalt is van belang: ontwikkelingsinterventies kunnen alleen duurzaam zijn, als deze gepaard gaan met de overdracht en opbouw van kennis in de betreffende landen. Het is juist daarom dat de Nederlandse regering een belangrijke taak ziet voor kennisinstellingen (zoals het WOTRO en NUFFIC), maar ook voor organisaties zoals SNV, PSO, IICD, en de VNG Internationaal. Deze organisaties zullen een belangrijke rol moeten blijven spelen in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, al zal de bijdrage vanuit de Nederlandse overheid wel afhankelijk zijn van de mate waarin deze instellingen van additionele waarde zijn voor het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Landenkeuze: minder landen meer focus De komende kabinetsperiode zal de regering het ambtenarenapparaat op Buitenlandse Zaken hervormen. Het aantal ambtenaren zal drastisch worden teruggebracht, wat een eenvoudige bezuiniging is aangezien het aantal landen waar de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking actief is zal worden teruggebracht naar tien. De komende jaren zullen ontwikkelingsprogramma’s in een groot aantal landen worden afgebouwd. Daarvoor in de plaats komt een ontwikkelingsbeleid dat zich op tien landen zal richten. Deze landenkeuze is gemaakt op basis van drie criteria: de behoeften van een land, de vraag of al in deze behoeften wordt voorzien door een andere donor, en het meest belangrijke of Nederland in staat is meerwaarde te bieden ten aanzien van het voorzien in de behoeften van een land. Overigens wordt hierbij de mogelijkheid open gehouden om programma’s ook op regionaal niveau (en dus in meerdere landen tegelijk) uit te voeren. De Nederlandse regering kiest ervoor haar hulp te concentreren in Sub-Sahara Afrika. In Azië vallen landen als Vietnam en Nepal af en zal alleen Bangladesh overblijven. Ook heel Midden- en Zuid-Amerika valt af: Nederland zal alleen in Bolivia nog hulpprogramma’s ontplooien, met name op het gebied van democratisering. Naschrift De meest rigoureuze hervorming van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking brengt Nederland weer op de plek waar zij zich jarenlang heeft bevonden, namelijk als gidsland voor de internationale donorwereld. Of toch niet?  Reacties zijn dan ook van harte welkom: is dit een goed beleid of een historische blunder? Uw reacties zijn welkom!

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel