Door:
Wiet Janssen

30 september 2010

Categorieën

Tags

De Dutch disease remt wel degelijk ontwikkeling af. Wetenschapper Wiet Janssen dient zijn criticasters van repliek. Ontwikkelingssamenwerking zou zich volgens hem moeten richten op het uitzenden van experts en leraren, en niet op het sturen van grote hoeveelheden geld voor publieke goederen. Graag wil ik ingaan op de kritiek van de heren Van der Hoeven en De Hoop op mijn artikel over Dutch disease. In mijn artikel stel ik dat veel geld geven aan landen in Afrika (ten zuiden van de Sahara) leidt tot een duurdere munt en zo tot een hoog prijspeil, waardoor lokale bedrijven en boeren niet meer kunnen concurreren met producten uit andere landen. Dat heeft een negatief effect op de economische groei. De Hoop stelt echter dat een negatief effect van hulp op de groei van de export niet hetzelfde is als een negatief effect op economische groei. Uit de samenhang tussen hulp en het achterblijven van inkomens volgt nog niet dat er een oorzakelijk verband is. Ook bestaan er volgens hem geen studies waaruit blijkt dat hulp slecht is voor de economische ontwikkeling. Van der Hoeven stelt dat hulp niet noodzakelijk hoeft te leiden tot een hogere wisselkoers, en een verhoging is bovendien niet zo’n bezwaar. Er zijn heel wat voorbeelden van landen die dank zij de hulp zich prima ontwikkeld hebben, zoals Ghana, Mauritius en Botswana. Dat de hulp zou moeten worden gestopt is daarom onjuist. Kritiek snijdt geen hout Die kritiek snijdt geen hout. Ik beweer niet dat de hulp zou moeten worden gestopt. Ik ben vóór minder geld, maar niet vóór minder hulp. Ik stel niet dat hulp altijd bijdraagt aan een hogere wisselkoers, noch dat die altijd leidt tot economische stagnatie. Ik stel wel dat het in veel gevallen zo gaat. De mechanismen die daarbij spelen zijn wel degelijk causaal. En wat betreft studies die aantonen dat hulp wel of niet bijdraagt aan economische groei, het WRR rapport over ontwikkelingshulp van begin dit jaar kwam er ook niet uit. Het één noch het ander is aan te tonen. En dat in Ghana, ondanks veel hulp, de munt niet gestegen is, komt omdat een groot deel van het geld helemaal niet is uitgegeven! [1] Ik wil graag nader toelichten waarom het hoge prijsniveau in Afrika een belangrijke obstructie is voor ontwikkeling. Het prijspeil is anderhalf maal zo hoog als b.v. in India, (Wereld Bank [2]). Ook het minimumloon is in Afrika hoger (Department of State, VS [3]). Voorbeelden: Ivoorkust $ 73/maand, Burkina Faso 63, Nigeria 62, en Tanzania tussen de 50 en de 260. In India is het 45 $/maand, maar niet voor alle beroepen, meestal is het ongeveer de helft daarvan. Bangladesh: $ 26,50 en Vietnam tussen de 36 en de 67. Afrika is dus relatief duur. Bovendien blijkt uit de cijfers van het gemiddeld inkomen in koopkracht (GNI PPP/capita, Wereld Bank rapport) dat de productiviteit in Afrika het laagste is in de wereld. Daarom is het voor Afrikaans boeren moeilijk concurreren. Door subsidies in de rijke landen, vooral van de VS, zijn de prijzen voor granen nog lager dan ze anders zouden zijn geweest, en dat maakt het voor de Afrikaanse landen nog moeilijker. In landen als Argentinië, Canada en Kazachstan is de productiviteit hoger en die kunnen wel concurreren. Maar in Afrika leidt het hogere kostenniveau en de lagere productiviteit ertoe dat de ontwikkeling van de landbouw achterblijft. Weinig weet van landbouwtechniek Niet voor alle producten is de hoge wisselkoers een probleem. Voor verhandelbare goederen zoals zaden die worden gebruikt om graan te verbouwen maakt de wisselkoers niet uit, want die zaden zijn (in dollars) overal ongeveer even duur en zorgen dus niet voor concurrentienadeel. Maar in Afrika zijn de niet verhandelbare goederen door het hoge prijsniveau vaak aanzienlijk duurder dan elders, b.v. de opslagplaats, de landarbeider en door de slechte wegen ook het transport. De Afrikaanse boer weet ook vaak maar weinig van landbouwtechniek. Hij is daardoor minder efficiënt en productief. Hij verdient daardoor aanzienlijk minder (in dollars). Eigenlijk moet hij anderhalf maal zoveel verdienen in dollars om dezelfde koopkracht te bereiken als b.v. een Vietnamese boer. Maar omdat hij moet concurreren met importen heeft hij niet de mogelijkheid om zijn prijzen te verhogen. In veel gevallen zijn zijn opbrengsten onvoldoende om de kosten te dekken van zaden, insecticiden etc. De meeste Afrikaanse boeren zijn daarom ‘subsistance farmers’, dat wil zeggen dat ze alleen maar voor eigen gebruik produceren. In Oeganda bijvoorbeeld gaat het om 68% van de boeren.[4] Het is een bijzonder armzalig bestaan. Niet voor niets ligt de kinderondervoeding in Afrika (te kort voor leeftijd) al jaren rond de 40%. Ik ben voor mijn werk verschillende malen op het platteland van Afrika geweest, en ik heb het zelf kunnen zien. Je wordt er niet vrolijk van. Eigen landbouwproductie achtergebleven Door de lage productiviteit en het gebrek aan concurrentievermogen is de eigen landbouwproductie in Afrika achtergebleven. Import was immers goedkoper, en die is gestaag toegenomen. Onderstaande figuur laat dat zien. Het hoge kostenniveau en de lage productiviteit doen de boer dus de das om. Hetzelfde mechanisme zorgt ook voor de stagnatie van de industriële ontwikkeling. In een Nederlandse winkel zul je nooit een spijkerbroek of een nijptang vinden ‘made in Tanzania’. Vietnam en Bangladesh zijn met hun lage kostenniveau en minimumloon veel aantrekkelijker. Vd Hoeven stelt ook dat het zinvoller is om na te gaan wat er aan het Dutch disease effect kan worden gedaan, dan te roepen dat de hulp niet werkt. Hij verwijst naar een rapport over Dutch disease: A Policymakers’ Guide to Dutch Disease. Dat rapport stelt dat een hogere wisselkoers geen significant effect heeft op de export. Dat klopt in veel gevallen omdat de meeste Afrikaanse landen immers veel grondstoffen exporteren, en die worden gewonnen en betaald met vreemde valuta. De koers van de lokale munt is dan irrelevant. Maar, zoals we hebben gezien, stagneert de export van producten van de maakindustrie en de landbouw wel degelijk. En daar moeten de banen en de inkomens voor de armen vandaan komen. Flinke sprong maken Het rapport stelt ook dat ontwikkeling heel goed mogelijk is door verhoging van de productiviteit, ondanks een hoog prijspeil. In principe kan dat, maar daarvoor moet een boer of een arbeider wel in één keer een flinke sprong maken qua marktgerichte kennis en vaardigheden. Een boer die zijn hele leven maïs verbouwd heeft met een hak kan niet ineens spruitjes verbouwen voor export naar de EU. Dat vereist heel wat kennisoverdracht en begeleiding. De officiële Nederlandse hulp doet daar vrijwel niets aan. Ook de kinderen krijgen geen opleiding waar ze iets aan hebben om geld te verdienen. Kinderen uit arme families gaan of helemaal niet, of slechts een paar jaar naar school, en leren daar een heel klein beetje lezen en schrijven. Dan gaan ze weer naar hun veldje of hun geiten. Het rapport stelt tevens dat ontwikkeling ook ontstaat door consumptie en investeringen. Maar dan moeten die investeringen wel gericht zijn op de productie van goederen en diensten waar een koopkrachtige vraag voor bestaat, de mensen moeten de kennis en vaardigheden bezitten om die goederen en diensten te produceren, te vermarkten, etc., en er zijn managers nodig die dat alles organiseren. En ik zie niet waar die goed opgeleide mensen in Afrika plotseling vandaan zouden moeten komen. Dutch disease remt wel degelijk ontwikkeling af Mijn conclusie is daarom dat het Dutch disease effect in het algemeen wel degelijk de ontwikkeling afremt. Verhoging van de productiviteit kan dat weer goed maken, maar zonder Dutch disease is het effect van de productiviteitsverhoging alleen maar groter. Zonder investeringen in de capaciteiten van mensen is een verhoging van de productiviteit echter niet mogelijk, en zullen op consumptie gerichte investeringen geen effect hebben. De hoeksteen van de ontwikkeling is daarom: de ontwikkeling van marktgerichte kennis en vaardigheden. De ontwikkelingshulp zou zich dus moeten richten op het uitzenden van experts, leraren etc. Het sturen van grote hoeveelheden geld, b.v. voor publieke voorzieningen zoals nu gebeurt, werkt eerder averechts, en kan beter worden gestopt. Wiet Janssen ——————————————————————————————————————————————————- [1] Sackey: External aid inflows and the real exchange rate in Ghana, Nairobi 2001 [2] http://data.worldbank.org/data-catalog/world-development-indicators, 2008; het minimumloon is in dollars     tegen wisselkoersen, niet in koopkracht [3] http://www.state.gov/g/drl/rls/hrrpt/2009/index.htm [4] http://news.surfwax.com/economics/files/Subsistence_Farming.html

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel