Door:
Irene de Vries

17 september 2010

Categorieën

Irene de Vries was er al  voor gewaarschuwd: Suriname zit vol met Nederlandse stagiaires die zich niet geliefd maken bij de lokale bevolking. Hoe hier mee om te gaan? ‘Dat de Surinaamse vrouwen niet staan te juichen bij de komst van al die stagiaires vind ik niet zo gek meer.’ Ik was er voor gewaarschuwd: Suriname zit overvol met Nederlandse stagiaires die niet integreren, maar alles samen doen en zich niet erg geliefd maken bij de lokale bevolking. Ze feesten te veel, werken te weinig, pikken de baantjes én de Surinaamse mannen in, zo hoorde ik voor mijn vertrek. En ik was natuurlijk arrogant genoeg om te denken: ‘Die Nederlandse stagiaires kunnen me gestolen worden, ik loop er met een grote boog om heen, richting de Surinamers die mij dan met open armen ontvangen en mijn beste vrienden worden.’ Een aantal dagen na mijn aankomst was ik (weer eens) een illusie armer. Want Suriname trekt elk jaar inderdaad meer dan duizend stagiaires en ik ben natuurlijk net zo blank, blond en Nederlands als de rest, dus wat zouden de Surinamers zich voor mij interesseren. Ik ben immers één van de duizend. Al in mijn eerste week in Paramaribo werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt: op donderdagavond staan ‘we’ in de Havana, vrijdagavond bij la Caff en op zaterdagavond dansen ‘we’ in de Zsa Zsa Zsu. Het eerste zwembad wat ik bezocht, bezocht ik ook meteen voor de laatste keer, uit weerstand tegen het oppervlakkige geschreeuw van een enorme groep jonge Nederlandse meisjes en de plek waar ik salsalessen ging volgen bleek een soort Nederlandse stagiair kolonie te zijn met Surinaamse danspartners waarvan je je af kunt vragen of ze voor het dansen of voor de vrouwen komen, maar daarover later meer. Dat niet iedereen net zo graag met Surinamers in contact wilde komen als ik verbaasde me enorm. De keuze voor Suriname was door mij heel bewust gemaakt. Ik was, misschien wel mede door mijn Amsterdamse Bijlmer achtergrond, heel benieuwd naar het land waar we historisch gezien zo’n nauwe, maar ook gecompliceerde band mee hebben en waar de mensen vandaan komen die het leven in Amsterdam zo gezellig en kleurrijk kunnen maken. Voor veel stagiaires lijkt Suriname echter toevallig op hun pad te komen, terwijl ze nauwelijks weten waar het land ligt voordat ze vertrekken. Dat Surinamers vaak wel veel over Nederland weten en Nederland hier dagelijks een plek in de verschillende media heeft, maar het voor Surinaamse stagiaires haast onmogelijk is voet aan de grond te krijgen in ons land, is dan natuurlijk behoorlijk wrang. Waarom er niet veel meer op basis van uitwisseling wordt gewerkt snap ik steeds minder. Ik weet niet of het waar is dat er door de grote hoeveelheid aan buitenlandse stagiaires weinig ruimte overblijft voor de Surinaamse studenten, maar ik kan me wel iets voorstellen bij antipathie gevoelens van deze laatste groep. En dan zijn daar nog die mannen. ‘Pas maar op,’ zei een verpleegkundige van Surinaamse afkomst tegen mij in Nederland, ‘de mannen zien je als hun ticket naar Nederland en de vrouwen mogen je niet omdat je hun mannen afpakt.’ Het was geen hoopvolle boodschap in mijn ambitie om Surinaamse vrienden te maken. ‘Stagiairejagers’ zijn in Paramaribo daadwerkelijk een begrip. Jongens die rondhangen op de hierboven beschreven plekken waar Nederlandse stagiaires zich bevinden. Het zijn territoria die worden afgebakend en waarbinnen het ‘vlees’ wordt verdeeld. Toen een Surinaamse vriend eens bij mijn salsaschool naar binnenstapte kreeg hij te horen dat hij daar niets te zoeken had, hij moest naar zijn eigen terrein gaan. En het werkt, je ziet de lust en hormonen er van beide kanten vanaf vliegen. Dat een man niets beters te doen heeft dan zich elke avond op diezelfde plekken te vertonen, lijkt hem niet onaantrekkelijker te maken. En dat meisjes niet echt geïnteresseerd zijn in jou maar vooral in ‘the black experience’ of je soepele dansbewegingen lijkt ook geen obstakel. Omdat ik hier net iets langer ben dan de gemiddelde stagiaire kan ik goed zien hoe de ene delegatie wordt ingewisseld voor de volgende….. En we beginnen weer van voren af aan. Het levert voor mij als Nederlandse geen problemen op, ik kan me voorstellen dat een stage in Suriname een gevoel geeft waarin alles mag en kan, maar dat de Surinaamse vrouwen niet staan te juichen bij de komst van al die stagiaires vind ik niet zo gek meer. Ik heb het geluk gehad dat ik een stage heb waarbij ik behoorlijk hard moet (en wil) werken met hele leuke Surinaamse én Nederlandse collega’s. Want die laatste zijn er zeker ook. Gelukkig heb ik naast Surinamers, een heleboel Nederlandse professionals en stagiaires ontmoet die hier bewust komen en net zo gek op Suriname zijn of worden als ik. Waar ik in het begin dacht dat er geen ontkomen aan een stagiaireleven was, zie ik nu dat het (gelukkig) ook anders kan. En je hoeft er niet eens zo je best voor te doen.

Samenspraak en Tegenspraak was vrij revolutionair

Door Joris Tielens | 19 november 2019

Deze maand komt minister Kaag met nieuw beleid voor steun aan ngo’s, als vervolg op het programma Samenspraak en Tegenspraak, dat volgend jaar afloopt. Vice Versa kijkt in een lange reeks artikelen terug op de strategische partnerschappen. Vandaag: de introductie.

Lees artikel

‘Sport is een levensles’

Door Marc Broere | 18 november 2019

Voor Mariam Twahir is sport het beste gereedschap voor vredesopbouw. Ze is coach in een sloppenwijk in Nairobi, met meer meisjes dan jongens onder haar hoede. ‘Op het veld is er geen conflict en vergeten ze waar ze vandaan komen.’

Lees artikel

Curaçao op een tweesprong

Door Ayaan Abukar | 15 november 2019

De vlucht uit Venezuela gaat soms per bootje, naar het dichtbije Curaçao. Daar leidt het tot vertwijfeling: de weerslag is xenofobie èn solidariteit, een tekort aan kennis, vrees bij de Venezolanen – en stilte vanuit Den Haag. ‘Zonder politiek leiderschap gaan verhalen een eigen leven leiden.’ Ayaan Abukar vloog erheen en ging in gesprek.

Lees artikel