Door:
Marc Broere

3 september 2010

De publieke en politieke steun voor ontwikkelingssamenwerking wordt steeds kleiner. Dat is bedreigend, maar kan verhulde zegen zijn. Het dwingt ontwikkelingsorganisaties namelijk om zichzelf opnieuw uit te vinden. Op het moment dat ik deze Beschouwing schrijf heeft Nederland nog geen nieuw kabinet. Wel hebben de afgelopen verkiezingen duidelijk gemaakt dat Nederland een behoorlijke ruk naar rechts heeft gemaakt. Hoewel dat niet automatisch gevolgen hoeft te hebben voor de hoogte van het ontwikkelingsbudget (kijk naar het Verenigd Koninkrijk, waar onder de conservatieve regering van David Cameron de grootste bezuinigingsoperatie ooit wordt uitgevoerd, maar zowel de zorgsector als de ontwikkelingssamenwerking buiten schot blijven) zal dat in Nederland waarschijnlijk wél het geval zijn. De grootste winst werd immers behaald door de VVD en de PVV, partijen die de ontwikkelingssamenwerking – exclusief noodhulp – respectievelijk willen halveren of afschaffen. Ook uit alle recent verschenen onderzoeken over de publieke steun voor ontwikkelingssamenwerking blijkt dat de gouden tijden over zijn. Uit het Kieskompas, dat in de aanloop naar de verkiezingen door 360 duizend mensen was ingevuld, bleek dat een meerderheid van 57 procent vindt dat er bezuinigd mag worden op steun aan arme landen. Deze mening hebben voornamelijk rechtse kiezers, maar ook in de achterban van de PvdA, SP en D66 vindt een flinke minderheid inmiddels dat er best iets van het ontwikkelingsbudget af kan. TNS Nipo constateerde kort daarvoor al dat 54 procent van de kiezers vindt dat Nederland te veel geld besteedt aan ontwikkelingssamenwerking in vergelijking met andere landen, terwijl de ongekroonde koning van onze opiniemetingen, Maurice de Hond, in een opdracht van Artsen zonder Grenzen concludeerde dat 53 procent van de Nederlandse bevolking twijfelt over het nut van hulp aan arme landen. De onderzoeken laten een duidelijke trendbreuk zien, want tot slechts enkele jaren geleden kwam uit vrijwel iedere meting naar voren dat Nederland een draagvlak van ongeveer 80 procent kende dat minimaal voor handhaving van het Nederlandse ontwikkelingsbudget was. Zoals Bob Dylan in de jaren zestig zong: ‘The times they are a-changing.’ Vrijbrief Nu hoeft twijfel over ontwikkelingssamenwerking helemaal niet erg te zijn, als die tenminste leidt tot een debat over de betrekkelijkheid van hulp en over betere en meer structurele manieren om de mondiale ongelijkheid te verkleinen. Ontwikkelingshulp kán de armoede niet oplossen en is daar ook nooit voor bedoeld geweest, betoogde ik al in eerdere stukken: hulp is slechts een bijgerecht – en eerlijke handel moet het hoofdgerecht zijn. Twijfel over ontwikkelingssamenwerking is echter wél zorgelijk als die een teken is dat ons land zich aan het afkeren is van haar mondiale verantwoordelijkheid. Jan Pronk constateert in zijn column (zie Vice Versa 4) met spijt dat de verkiezingen alleen maar over ons eigen land gingen. Het feit dat politici niet gevraagd werd om rekenschap af te leggen over het buitenlandbeleid, en dat zij dat ook niet uit zichzelf deden, betekent dat ze voor de komende jaren een vrijbrief hebben gekregen om met het buitenland te doen wat ze willen, betoogt Pronk. Deze vrijbrief baart ook mij ernstige zorgen, want met opkomen voor onze mondiale verplichtingen denken politici vandaag de dag nog maar weinig kiezers meer te trekken. Welke politicus durft het nog aan om pal voor mondiale solidariteit te gaan staan? Waar ik benieuwd naar ben, is hoe de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties in dit nieuwe krachtenveld gaan opereren. Er zijn verschillende scenario’s mogelijk. De kans bestaat dat ze zich nog meer zullen laten leiden door hun eigen institutionele belang en overlevingsdrift. Zij die nog in de race zijn voor overheidssubsidie zullen zich tot 1 november, de dag waarop het salomonsoordeel over MFS-2 wordt geveld, in elk geval koest houden. Maar omdat er hoe dan ook minder geld beschikbaar zal zijn dan voorheen, zullen organisaties manieren moeten bedenken om minder afhankelijk van de Nederlandse overheid te worden. Dat betekent nog meer fondsenwerving onder het Nederlandse publiek, met het gevaar van een platte en onrealistische boodschap waarmee ze elkaar proberen af te troeven. Ik ben bang dat zo niet alleen politici maar ook de marketeers en fondsenwervers van ontwikkelingsorganisaties een vrijbrief zullen krijgen. En dat is evenmin een vrolijk vooruitzicht. Overlevingsdrang Ten tweede verwacht ik dat organisaties op zoek gaan naar fondsen buiten Nederland. De Verenigde Staten bijvoorbeeld kent tal van grote en kleinere particuliere  foundations en een rijke traditie van filantropie. Net als in de tijd van het Wilde Westen valt hier nog heel wat te ontginnen, ook voor Nederlandse ngo’s. De vraag is echter of het zal ‘klikken’ met Nederlandse ngo’s, omdat deze particuliere fondsen ofwel heel charitatief zijn of juist een veel bedrijfsmatiger aanpak hebben dan Nederlandse ontwikkelingsorganisaties gewend zijn. Dan is er nog de mogelijkheid tot decentraliseren, een proces waar na ICCO nu ook Oxfam Novib mee gaat beginnen. Steeds meer verantwoordelijkheden worden hiermee naar lokale veldkantoren overgeheveld. Dat kan strategisch een slimme zet zijn. De Europese Unie is van plan om veel meer ontwikkelingsgeld direct naar ‘het Zuiden’ over te maken in plaats van te besteden via noordelijke hulporganisaties, en ook het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid doet aanbevelingen in deze richting. Het uitgangspunt van decentralisatie vind ik uitstekend. Het is in feite een gevolg van succesvolle ontwikkelingssamenwerking, omdat de capaciteit in het Zuiden zo sterk is geworden dat de uitvoering en begeleiding van projecten nu lokaal gedaan kan worden en de westerse ngo zich vooral op het lobbywerk hier kan richten. Het zou echter verkeerd zijn als voornamelijk uit overlevingsdrang voor deze decentralisatie wordt gekozen en de veldkantoren van Oxfam Novib en ICCO concurrenten worden van zuidelijke ontwikkelingsorganisaties omdat ze om dezelfde fondsen gaan strijden. Tot slot is echter nog een laatste scenario denkbaar. Wat ik hoop is dat ontwikkelingsorganisaties zichzelf gaan heruitvinden; dat ze zich niet vanuit hun eigen belangen op de toekomst gaan bezinnen, maar mensen weer een oprecht en actueel verhaal gaan vertellen over armoede. Alleen daarmee kun je mensen weer voor je winnen. En dan niet om hun portemonnee te trekken, maar om weer (en meer) betrokken te raken bij de ongelijkheid in de wereld. De oplossing zit niet in nog betere rapportages over succesvolle projecten of in reclamecampagnes, maar in eerlijke communicatie. Henk en Ingrid Eerlijke communicatie bijvoorbeeld over wat ontwikkelingssamenwerking nu eigenlijk is. Op de interessante bijeenkomst van Singing a New Policy Tune in Ede (zie ook pagina 6) merkte een van de deelnemers terecht op dat een groot deel van het Nederlandse publiek niet is meegegaan in de stappen die de ontwikkelingssamenwerking door de jaren heen heeft gezet. Mensen denken bij ontwikkelingssamenwerking nog steeds aan schooltjes, weeshuizen en gezondheidsposten, terwijl het bij de meeste professionele ontwikkelingsorganisaties allang gaat om capaciteitsopbouw en het werken aan een civil society in het Zuiden. Ontwikkelingsorganisaties moeten de uitdaging aangaan om juist ook dít werk op een goede manier over het voetlicht te brengen en niet telkens – onder druk van de fondsenwervers – in de fuik te vallen om een beeld neer te zetten dat inmiddels achterhaald is. En verder, zoals op diezelfde bijeenkomst werd gesteld, ook veel beter duidelijk maken waarom het ook in ons eigen belang is dat de armoede een halt wordt toegeroepen. Anders valt er over vijftig jaar namelijk ook voor de kinderen van Henk en Ingrid weinig lol meer te beleven op deze wereld. Ontwikkelingsorganisaties moeten het grote verhaal over de ongemakkelijke waarheid van armoede vertellen door in te zoomen op mensen die daar de dupe van zijn en die daar tegen strijden. In mijn boek  Berichten over Armoede heb ik al geschreven dat Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zich niet lijken te realiseren wat voor goudmijn aan verhalen ze in huis hebben. Via hun partnerorganisaties hebben ze toegang tot duizenden mensen die de ongemakkelijke waarheid van armoede een gezicht kunnen geven, die met vallen en opstaan proberen vooruit te komen in hun leven binnen een internationale context die hen vijandig gezind is. Met zulke krachtige persoonlijke levensverhalen hebben ontwikkelingsorganisaties een ijzersterke troef in handen in het debat over de mondiale verantwoordelijkheid van Nederland. Misschien is het helemaal nog niet zo slecht dat het draagvlak een stuk minder is geworden. Ik hoop dat het ontwikkelingsorganisaties dwingt om de juiste keuzes te maken. Laat ze maar eens helemaal opnieuw beginnen om mensen bewust te maken van de ongemakkelijke waarheid van armoede. Als mensen weer geraakt worden bestaat de kans ook dat ze zelf inzien dat het een schande is dat Nederland van een voorloper op het gebied van mondiale solidariteit nu opeens een achterblijver dreigt te worden. Soms is een stapje terug even nodig om vervolgens weer twee vooruit te kunnen zetten.

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel