Door:
Janneke Juffermans

16 augustus 2010

Tags

Je wil graag zinvol werk doen. En met genoeg doorzettingsvermogen en geluk bemachtig je een startersbaan in de ontwikkelingssector. Maar kun je vervolgens je ei kwijt? En is er wel een carrière voor je weggelegd? Vice Versa nodigde zes jonge, veelzijdige professionals uit om te discussiëren over de nieuwe generatie ontwikkelingswerkers. ‘Wij moeten onszélf serieuzer nemen.’ Beeld: Leonard Fäustle Tijdens de fotosessie – nog een hele uitdaging voor de fotograaf, want er staat veel wind – wordt er al flink gelachen en gekletst. Vervolgens lopen we naar de 1%CLUB, waar het gesprek zal plaatsvinden. Aan tafel schuiven Bart Veenstra (29, advisor/trainer bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen), Fieke Jansen (30, junior programme officer bij Hivos), Lukas van Trier (26, programmamedewerker bij Care Nederland Peace Building), Sander Laban (28, beleidsmedewerker bij Partos), Sara Kinsbergen (28, promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen) en Verie Aarts (26, kennismedewerker bij Oxfam Novib). De wijn en lekkere hapjes staan al klaar en daar wordt dankbaar op aangevallen. Veel mensen komen rechtstreeks van hun werk en hebben nog niet gegeten. Men heeft weinig aansporing nodig en de conversatie komt bijna als vanzelf op de onderwerpen die op de agenda staan. Er wordt veel gelachen. De nieuwe generatie ontwikkelingswerkers, bestaat die eigenlijk wel? En zo ja, wat onderscheidt ze van voorgaande generaties? Bart steekt enthousiast van wal, zoals hij deze avond vaker zal doen: ‘Wij zijn geboren in de jaren zeventig en tachtig. Wij kijken logischerwijs anders tegen ontwikkelingssamenwerking aan dan eerdere generaties. Of dat beter of slechter is? Binnen ons tijdsbeeld past onze bijdrage. Omdat wij binnen onze generatie en met de huidige technologie opgegroeid zijn, zijn we misschien ook wel degenen die het beste antwoord hebben op de problemen van vandaag.’ Fieke vult aan: ‘Ook in veel ontwikkelingslanden bestaat een verschil tussen de oude en de jongere generatie. In Afrika gebruikt een groep jonge feministen Facebook om campagne te voeren, de oude generatie vindt dat ze de straat op moet om haar rechten te claimen. Wij hebben als jongeren makkelijker toegang tot de jongere generatie in ontwikkelingslanden. We zoeken op een andere manier contact en werken anders samen.’ Bart is het hiermee eens en voegt toe: ‘De doelgroep waarop de meeste ontwikkelingsorganisaties zich richten is bovendien jonger dan 35: kinderen, mensen die in opleiding zijn, startende ondernemers. Wij hebben dezelfde leeftijd als deze doelgroep, dat maakt de communicatie makkelijker.’ Hierop reageert Lukas, die soms wat verlegen lijkt, maar met genuanceerde antwoorden komt: ‘Toch denk ik niet dat we daarom een beter antwoord hebben. Ik geloof in de connectie tussen de oude en de jongere generatie. Het onderscheidende van onze generatie krijgt pas waarde in combinatie met de ervaring van de oudere generatie.’ Fieke relativeert nog meer: ‘Innovatie is niet gelijk aan jong zijn. Ik ken veel jongeren die niet innovatief zijn en ouderen die dat wél zijn.’ Sander gaat weer in op de huidige generatie: ‘Wij onderscheiden ons door een praktischer idealisme.’ (De anderen knikken instemmend.) ‘De oudere generatie is meer vanuit een ideologie bezig met ontwikkelingssamenwerking. Wij geloven wel in het ideaal, maar de weg er naartoe is nog open. Daarom reageren we ook minder snel aangevallen als er kritiek op de sector komt.’ Sara: ‘Dat herken ik wel. Ik noem mezelf ook wel eens een realistische idealist. Ik hoef niet zo nodig de straat op met een spandoek. Ik zie bij veel jonge mensen een behoefte om over de sector heen te kijken en samen te werken met mensen uit andere sectoren, zoals de ICT, het bedrijfsleven.’ Hoe vertaalt het karakter van de nieuwe generatie zich naar de dagelijkse praktijk? Verie: ‘Veel van mijn collega’s zeggen dat jongere medewerkers veel kritischer zijn. Wat me ook opvalt is dat we andere dingen belangrijk vinden: kennis delen en samenwerken met onverwachte partijen.’ Fieke: ‘Wij willen sneller schakelen en dingen doordrukken. Dan worden we meestal wel een beetje tegengehouden.’ Sara, kritisch: ‘Als dat tegenhouden gebaseerd is op ervaring vind ik het goed. Als het door cynisme komt, is het jammer.’ Bart: ‘Ikzelf heb constant het gevoel dat ik te weinig tijd heb, ik zie dingen liever vandaag veranderen dan morgen. Vandaag zei ik dat ook tijdens een vergadering: “Ik heb te weinig tijd.” Ineens viel het kwartje en dacht ik: oh ja, ik mag er natuurlijk ook langer over doen.’ (gelach) Sander: ‘Dat sluit wel aan bij onze generatie. We zijn wat verwend, we hebben ook alles makkelijk gekregen. We zijn er daarom aan gewend dat alles snel kán gaan. In de ontwikkelingssector hangt een behoorlijke vergadercultuur. Soms slaat die door in inhoudelijke verhandelingen, terwijl ík dan graag een actiepunt wil vaststellen.’ Hoe kom je binnen in de sector? Lukas: ‘Ik heb zelf mazzel gehad, maar zie om me heen dat het wel moeilijk is voor mensen om binnen te komen. Kijk naar hoeveel ervaring er wordt gevraagd. Ervaring die je eigenlijk alleen kan opdoen met vrijwilligerswerk.’ Ook de meeste andere tafelgenoten zien het eindeloos tegen een muur aanlopen soms wel bij anderen, maar herkennen het minder bij zichzelf. Men is het wel eens over de discrepantie tussen de functie-eisen, datgene waar een starter redelijkerwijs aan kan voldoen, én dat wat werkelijk nodig is om een functie goed te kunnen uitvoeren. Deze drie variabelen lijken niet goed op elkaar te worden afgestemd. Sara: ‘Ik heb het idee dat er een groot gat zit tussen aan de ene kant de hervormingen die doorgevoerd worden in de sector, de kantelingen en de decentralisatietrend en aan de andere kant de functie-eisen. Er ontstaan minder mogelijkheden om in een ontwikkelingsland in de klei te werken, maar in vacatureteksten wordt daar nog steeds om gevraagd. Daar zal in de toekomst een probleem ontstaan. Ik was laatst bij een debat met consultants. Iemand ging staan en zei: ‘Die jongeren van tegenwoordig… Wij hebben dertig jaar veldervaring! Waar moet het heen met de sector als wij straks met pensioen zijn?’ Ik vind het niet meer van deze tijd om vijftien jaar in het veld te werken om vervolgens eindelijk aan de kwalificaties te kunnen voldoen om hier een functie in te nemen.’ Verie vult aan: ‘Het is ook een rare eis, want men gaat er tegelijkertijd vanuit dat al die zuidelijke partners het zelf heel goed kunnen, maar blijkbaar moeten wij er dan toch heen om het voor ze te doen.’ Sara: ‘En wat krijg je dan? Mensen die geforceerd bloemen gaan schilderen op weeshuizen om dan toch maar te kunnen zeggen dat ze die ervaring hebben opgedaan.’ (Veel gelach van de anderen.) ‘Daar heb ik heel veel moeite mee.’ Lukas belicht een andere kant: ‘Er zijn ook steeds meer organisaties die het gat zien en die bemiddelingsbedrijfjes oprichten om mensen de kans te geven die bloemen te schilderen. De vrijwilligers doen allemaal dingen die misschien goed zijn, maar waar geen controle op is en die mogelijk niet effectief zijn. Dan heeft de sector er véél meer aan om mensen met minder ervaring aan te nemen en onder begeleiding expertise te laten opdoen.’ Bart nuanceert de eis van veldervaring: ‘Ik denk wel dat buitenlandervaring belangrijk is, maar die hoeft geen acht jaar lang te hebben geduurd. De wereld is kleiner geworden. Mensen reizen veel meer en de helft van de bevolking in grote steden is afkomstig uit een ander land. Dat is ook al relevante ervaring. Ik woonde een jaar in Syrië. Ook daar was de samenleving heel divers: behalve Syriërs woonden er Soedanezen, Jordaniërs, Egyptenaren. Bestaat het “exclusieve buitenland” nog wel? De contacten met de partners verlopen ook anders, vaker via internet bijvoorbeeld. Om een indruk te krijgen van het leven van iemand aan de andere kant van de wereld heb je geen jarenlange buitenlandervaring meer nodig. Met een televisie, een verre vakantie en een sociaal gevoel kom je een heel eind!’ Sara, samenvattend: ‘Het gaat voornamelijk om wat hier in Nederland nodig is om het werk te doen. Wat is het functieprofiel van de ontwikkelingswerker anno 2010?’ Fieke vult aan: ‘Er worden andere competenties verwacht, er ontstaat een heel ander functieprofiel. Je moet subsidieaanvragen schrijven voor externe donoren en kunnen omgaan met de private sector. Zo veel meer dan alleen maar samenwerken met die partners in het Zuiden.’ Welke invloed kun je uitoefenen, als je eenmaal bij een organisatie binnen bent? Fieke: ‘Als je jong en fris een grote organisatie binnenkomt, loop je soms tegen een muur op met je ideeën. Van de oude generatie kun je leren hoe je ideeën moet pitchen. Soms vergeten we dat je eerst moet netwerken om wat meer draagvlak binnen de organisatie te krijgen.’ Lukas: ‘Je kan ook wel naïef zijn met je vernieuwende idee, omdat je niet de ervaring hebt dat vergelijkbare dingen zijn misgegaan.’ Bart: ‘En toch. Soms zeggen collega’s: “Ja, maar dat hebben we in 1973 al gedaan.” Dat wil niet zeggen dat we het nu niet opnieuw kunnen proberen, in een nieuwe omgeving en met een hedendaags sausje erover.’ Sara: ‘Ik denk soms dat we geneigd zijn ons te conformeren en daarmee de gevestigde structuren in stand houden. Je komt binnen, één brok energie, en iemand zegt tegen je: “Leuk, je idee, maar als je het nu zus of zo brengt, is er meer kans dat je idee aanslaat.” Dan ga je het herstructureren. Kom je dan niet in een keurslijf van de gevestigde orde terecht? Je kunt ook zeggen: ik denk dat mijn plan wél vorm kan krijgen, maar niet in de huidige structuren.’ Sander: ‘Soms moet je onderdeel van het systeem worden om het te veranderen. Lobbyen. Je kan hard schoppen tegen structuren, dat is óók een tactiek, maar daarmee krijg je een andere reactie.’ Bart, glimlachend: ‘In het begin flap je er alles uit, maar dat kan tegen je werken. Wij dragen bij door het vinden van nieuwe partners, nieuwe luisterende oren. Daarin kunnen we wél heel creatief en vernieuwend zijn. Van de oudere generatie leren we om het op een diplomatieke manier te doen.’ Verie, ernstig: ‘Ik zit nog even te denken over dat conformeren en pitchen van ideeën. Ik heb niet het gevoel dat ik hierin iets van de oudere werknemers kan leren. Ik vind de sector best conservatief in dit opzicht.’ Fieke verheldert: ‘Het is meer ontastbare kennis die mensen met ervaring ons doorgeven. Geen dingen die je in een boekje kunt leren. Bijvoorbeeld hoe je kunt netwerken, hoe je met partners kunt omgaan, dat soort zaken. Als je binnen een grote organisatie als Oxfam Novib iets wilt doorvoeren, moet je lobbyen om draagvlak te krijgen. Anders kun je het beste voor jezelf beginnen, of het buiten de grote organisaties doen. Dat gebeurt ook steeds vaker, dat mensen zeggen: dan doe ik het toch zélf?’ Verie: ‘Ik denk dat er veel jongeren zijn die het gevoel hebben dat ze niet gehoord worden en ook niet op waarde worden geschat. Ik constateer het bij mezelf en ook bij anderen die ik gesproken heb. Maar we weten niet waar het aan ligt.’ Sander: ‘Ik denk dat dit bij kleinere clubs anders is. Daar krijg je meer ruimte en kun je sneller meer verantwoordelijkheid dragen.’ Fieke: ‘Dat is misschien waar, maar als je dan wil doorgroeien binnen die organisatie is er geen plek.’ Lukas zegt dat hij voor dit gesprek met anderen van zijn opleiding, de Advanced Master International Development van het CIDIN, heeft gepraat. ‘Er waren nogal wat mensen die vonden dat ze hun kritische noten niet kwijt konden. Ik denk dat het komt door de huidige veranderingen. Mensen schieten constant in de verdediging. Voor wie al een tijdje in de sector zitten is dat begrijpelijk. Je kunt moeilijk zeggen dat je twintig jaar lang het verkeerde hebt gedaan. Er zijn twee groepen critici, de mensen die niet het beste voor hebben met ontwikkelingssamenwerking en zeggen: “Het heeft niet geholpen, stoppen ermee.” En een groep kritische starters. Zij voelen zich niet verantwoordelijk voor het gevoerde beleid, maar willen wel graag in de sector werken. Zij hebben constructieve kritiek, die bedoeld is om zaken te verbeteren, niet om ze af te schaffen.’ Op mijn vraag of er inspirerende voorbeelden om hen heen zijn in de organisaties waar ze werken, valt een lange stilte. Bart komt uiteindelijk met een voorbeeld van een pastor in Indonesië: ‘Ik was in het oerwoud van Kalimantan en verbleef bij een pastor. Hij was al 43 jaar lang bezig met ontwikkelingswerk, begonnen als missionaris. Hij vertelde me bij een goed glaasje wijn allemaal zaken waarvan ik dacht: ja, maar dat gaan wij nu óók doen! Hij was in zijn loopbaan tot de conclusie gekomen dat lokale initiatieven en kleinschalige hulp zoals microfinanciering vaak het beste werken. Die man is vanuit de praktijk constant heel kritisch gebleven. Hij is uiteindelijk op persoonlijk niveau tot dezelfde conclusies gekomen als in grote publieke debatten over ontwikkelingssamenwerking worden besproken. Ik hoop dat de jongere generatie ontwikkelingswerkers steeds kritisch blijft en blijft zoeken naar verbetering, zoals deze man ook heeft gedaan.’ Willen jullie in deze sector doorgroeien? Zijn er daarvoor wel genoeg mogelijkheden? Fieke: ‘Ik denk dat onze generatie meer switcht. Dat hoop ik tenminste. Het is belangrijk om breder te kijken dan de ontwikkelingssector. Ik zou net zo graag bij Google werken als bij een ontwikkelingsorganisatie.’ Verie twijfelt: ‘Moeilijk om iets over doorgroeimogelijkheden te zeggen binnen deze sector. Ik heb geen referentiekader. Mensen om me heen die hogere functies vervullen doen dat al vijftien of twintig jaar. Er zijn maar een paar ambitieuze jonge mensen die zijn doorgestoten tot de organisaties hier in Nederland, of die de kans hebben gehad om in het buitenland relevante ervaring op te doen.’ Bart: ‘Voor mij persoonlijk is ontwikkelingssamenwerking an sich niet noodzakelijk mijn carrièrepad. Ik zou best bij een commercieel bedrijf willen werken, dat zich deels met duurzaamheid bezighoudt. Of ervaring opdoen in een andere sector om die later weer voor ontwikkelingssamenwerking te kunnen inzetten. Mijn ervaring is dat in het bedrijfsleven goede, innovatieve krachten eruit worden gepikt, want ze zijn winst voor de organisatie. Een goede manager denkt: hee, die heeft talent, die zetten we een paar stapjes hoger. En dan gaat zo’n carrière heel snel. In het bedrijfsleven kun je op je 27ste in een heel goede baan zitten en veel verdienen. Innovatie brengt winst, en daarom neemt men een financieel risico. In de ontwikkelingssamenwerking wordt er erg op ervaring gefocust.’ Fieke, instemmend: ‘Ik heb inderdaad vrienden in het bedrijfsleven die zó doorstromen met hun goede ideeën. De aard van het bedrijfsleven is risico’s nemen en in de ontwikkelingssamenwerking probeert men in het algemeen op safe te spelen.’ Sander, terugkomend op de huidige generatie en haar binding aan de sector: ‘Ontwikkelingssamenwerking wordt een onderdeel van internationale samenwerking. Er komt een meer integrale aanpak, waaraan deze generatie gaat bijdragen. Daarom zijn we ook niet zozeer aan deze sector gebonden. Onze gemeenschappelijke deler is dat we zinvol werk willen doen en dat kan goed binnen de ontwikkelingssector, maar ook ergens anders.’ Verie: ‘De behoefte aan zingeving bestaat ook buiten de sector. Die leeft in de hele maatschappij.’ Bart: ‘In de jaren zeventig haalden alleen een klein groepje milieuactivisten het papier op en scheidden het afval. Nu doet iedereen het. Zo zullen veel zaken waar ontwikkelingssamenwerking zich voor inzet, ook meer geïntegreerd worden in de maatschappij. Ik hoop dat de gedachten van waaruit ontwikkelingsorganisaties werken, gemeengoed worden. Op die manier kunnen we onszelf opheffen, niet door segregatie en afschaffing, maar door integratie met de maatschappij.’ Welke rol kunnen jongeren spelen in de vernieuwing van de sector? Sara geeft meteen een voorzet: ‘Als ik kijk naar wie de huidige discussies over de gevraagde vernieuwing voeren, zijn dat the usual suspects. Als we allemaal zes namen noemen, zitten daar geheid drie dezelfde tussen. Je kunt het hebben over je stem laten horen binnen een organisatie, maar het gaat er ook om je stem te laten horen in de hele sector. Binnen dat podium is misschien weinig ruimte voor jongeren, aan de andere kant is het ook onze eigen verantwoordelijkheid. Ik ben al een paar keer uitgenodigd om aan debatten deel te nemen. Daar ben ik vaak de enige vrouw, en de enige van onder de vijftig. Laatst was ik uitgenodigd om te praten over het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Ik ga er dan heen, hoewel ik me van tevoren niet heel erg zeker voel als ik weet dat ik daar naast Jan Pronk zal zitten en allerlei andere hoogleraren. Maar ik zie het ook als een kans, als een verantwoordelijkheid om op te treden als een soort onverkozen Jong OS-vertegenwoordiger. Ik denk dat we daarin veel meer onze verantwoordelijkheid kunnen nemen. De sector wordt omgekanteld, en wie gaan er praten over hoe de toekomst eruit moet zien? De mensen die de huidige structuur mede gecreëerd hebben! Ik heb het ook tegen de hoge heren daar gezegd. “Ik zit hier niet omdat ik zo slim ben, er zijn genoeg jonge mensen die dit ook zouden kunnen. Maar de toegang tot dit bolwerk is niet heel ruim.” Bij hen is de oproep: Open jullie poorten, en bij ons: Grijp het podium. Stuur bijvoorbeeld een stuk naar Vice Versa over dat WRR-rapport. Wie heeft het rapport gelezen? Volgens mij niet veel jonge mensen. Als we dat niet doen, blijven we er ook buiten staan, maar als we wel onze stem laten horen, komt er uiteindelijk misschien een mentaliteitsverandering die ook doorsijpelt op organisatieniveau. Dan worden jonge mensen wel als medebeslissers beschouwd.’ Wat belemmert jongeren om dit te doen? Verie geeft een voorbeeld: ‘Op het moment dat je de angst voelt om iets te zeggen, doe je het niet. Met een groepje mensen hadden we bij Oxfam Novib een discussie over een mogelijk beleid voor startende medewerkers in de sector. Hierover wilden we onze mening intern kenbaar maken door middel van een brief. Veel jonge mensen zeiden: “Die durf ik niet te ondertekenen.” Dat vind ik echt kwalijk.’ Sara vult aan: ‘Of mensen die hier vanavond niet durven te zijn, om dezelfde reden.’ Fieke, oplossingsgericht: ‘Misschien kunnen de borrels die georganiseerd worden door het Jong OS-netwerk, of de young professionals-conferentie van komend najaar, over een algemeen thema gaan. Dan komen ook oudere werknemers.’ Margreet van der Pijl, die ons namens de 1%CLUB ontvangt, kan zich even niet meer aan haar zwijgplicht houden: ‘Dan gaan de ouderen het debat leiden over de hoofden van de jongeren heen. Je ziet af en toe een jongere opkijken en denken: ik wil ook wat zeggen, en dan toch weer zijn mond houden. In de wandelgangen hoor je later: “Ik had eigenlijk dit en dat willen zeggen, maar wat weet ik er nou van?” Dan denk ik: fuck man, dat had je moeten zeggen!’ Lukas: ‘Niet zo lang nadat het WRR-rapport uitkwam was er in de Rode Hoed een debat met Arend Jan Boekestijn, Peter van Lieshout, Wiet Jansen en Farah Karimi. Daar viel het me ook op dat de mensen die uiteindelijk kritische vragen stelden, alleen oudere mensen waren. Ik zat zelf ook met een vraag voor Boekestijn, op basis van wat hij gezegd had. Maar iedereen die opstond begon met een uiteenzetting over zijn tien jaar lange ervaring. Achteraf vind ik het jammer dat ik mijn vraag niet stelde.’ Bart, concluderend: ‘Dus wij vinden dat de ouderen ons serieus moeten nemen, maar wij moeten onszelf ook serieuzer nemen.’ Sara: ‘Je moet jezelf herkennen als onderdeel van het OS-geheel. Niet: ‘Ik ben Sara, en ik werk bij bijvoorbeeld Oxfam Novib als project officer’, maar: ‘Ik ben Sara, ik werk in deze sector en ben daar medeverantwoordelijk voor.’ Dus als er een moderniseringsbrief over draagvlak uitkomt, dan heb ik die gelezen. Komt het WRR-rapport uit, dan heb ik op zijn minst de samenvatting gelezen. Je moet de ontwikkelingen volgen. Dan ga je de volgende keer staan en stel je een vlammende vraag. Zo val je op. En dan zit er de volgende keer naast of in plaats van mij een andere jonge vrouw.’ Hier wordt door iedereen mee ingestemd. De hapjes zijn op en het gesprek is klaar. Sommigen blijven nog even geanimeerd napraten, anderen gaan snel op weg naar de trein. In de weken erna blijkt dat de betrokkenen het een leuke en boeiende ontmoeting hebben gevonden en dat sommigen verder zijn gaan denken over mogelijkheden om de positie van jongeren in de sector te verstevigen. Wordt vervolgd…

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel