Door:
Wiet Janssen

5 juli 2010

Categorieën

Als het lager onderwijs alleen levenslessen doorgeeft aan kinderen uit arme gezinnen zullen ze nooit aan de armoede ontsnappen, vindt wetenschapper Wiet Janssen. Deze week gaat hij in op de verschillende reacties die er op zijn vorige stelling kwamen. ‘Ik heb niets tegen mensen met idealen, maar wel als die volslagen onrealistisch zijn.’ Ik heb verscheidene reacties gekregen op mijn stelling dat kinderen uit arme gezinnen op school niets leren waarmee ze geld kunnen verdienen. Eigenlijk bevestigen alle reacties dat het lager onderwijs slecht is en kinderen daar überhaupt maar weinig leren. En geen enkele reactie komt met argumenten waaruit blijkt dat kinderen uit arme gezinnen wél iets leren waarmee ze geld kunnen verdienen. De stelling is dus overeind gebleven. Wel worden er andere zaken aangevoerd die kinderen op school kunnen leren; zaken die weliswaar niet helpen om geld te verdienen maar wel bijdragen aan een betere wereld: de kinderen krijgen seksuele voorlichting en informatie over hygiëne, ze leren zelf nadenken en keuzes maken, het onderwijs helpt meisjes een ander soort leven te kiezen, het helpt bij de opbouw van een democratische samenleving, het beschermt kinderen tegen kinderhandel en kinderarbeid en helpt ze bij het verwerken van trauma’s; en bij moeders met meer onderwijs is de kindersterfte lager (Wijbrandi). Ook wordt de school gezien als een mogelijkheid om te ontsnappen aan een leven als kindsoldaat of aan het zware werk in een steengroeve. Bovendien zijn er al veel initiatieven genomen om het onderwijs te verbeteren. En het gaat het bij onderwijs toch in de eerste plaats over ‘eigen ontwikkeling en volwaardig deelnemen aan de samenleving’ (Roefs). Daarom zou het lager onderwijs tóch nuttig zijn, ook al helpt het de kinderen niet om geld te verdienen. Die conclusie gaat niet meer over mijn stelling, maar ik wil er toch wel op ingaan. Echter, alles wel overwegende, denk ik dat die conclusie onjuist is. Allereerst: een paar van de genoemde claims kloppen niet. Scholing draagt niet per se bij aan een democratische samenleving. Een democratie komt pas tot stand als er een middenklasse ontstaat. Er zijn heel veel studies die dat bevestigen. Een middenklasse komt pas tot stand bij een zeker welvaartsniveau: een inkomen per capita (koopkracht) van tenminste ca. $5000 (zie World Development Indicators 2009 tabel 1.1). Landen met een redelijk werkende democratie hebben in het algemeen een inkomen per hoofd dat minstens zo hoog is. Dat kinderen meer opleiding krijgen als hun moeders een hogere opleiding hebben is op zich wel juist, maar er is geen sprake van een oorzakelijk verband. Er is een derde oorzaak die beide bepaalt: de hoogte van het gezinsinkomen. Vrouwen met een hogere opleiding trouwen meestal met rijkere mannen. Maar het gezinsinkomen is de bepalende factor voor het opleidingsniveau van de kinderen (zie b.v. Behrman en Rosenzweig[1], zie ook verderop in dit artikel). Dat de school het alternatief is voor de steengroeve, is natuurlijk ook niet waar. Kinderen die al jong moeten werken doen dat omdat ze geld moeten verdienen. 40% van de kinderen in sub-Sahara Afrika zijn chronisch ondervoed (volgend het criterium ‘stunted’, ofwel ‘te kort voor hun leeftijd’, zie WHO’s World Health report 2009). En volgens de cijfers van de FAO neemt de laatste jaren de ondervoeding weer sterk toe. Als het gaat om te overleven doen mensen, ouders zowel als kinderen, zwaar, gevaarlijk, vies en/of vernederend werk. En dan gaan de kinderen dus niet naar school.   En dat is wat diepe armoede is. Afhankelijk van hoe je diepe armoede meet gaat het om zo’n 15 – 25% van de wereldbevolking (zie b.v. de World Development Indicators 2009, tabel 2.8c, p 70). In zijn artikel in Vice Versa van 8 mei 2010 noemt Marc Broere zelfrespect en eigenwaarde als belangrijke doelen van ontwikkelingshulp. Prachtig, maar voor diegenen die in diepe armoede leven zit dat er gewoon niet in. Hun leven is vaak mensonterend. Het voert tot bedelen, diefstal, prostitutie en kinderarbeid. Het is godgeklaagd, maar zo is het. En dat soort armoede is vaak erfelijk: kinderen die geen toegang krijgen tot onderwijs waar ze wat aan hebben, krijgen zelf ook weer kinderen die in diepe armoede leven. Vooral voor de allerarmsten is een inkomen letterlijk van levensbelang.       Jeanne Roefs verzucht in haar reactie op mijn stelling: ‘Gelden voor kinderen van arme ouders andere maatstaven, enkel en alleen omdat ze de pech hebben in een ontwikkelingsland te zijn geboren?’ Helaas, het antwoord is ja!  In de praktijk wel! Het heeft geen zin om dezelfde eisen te stellen aan onderwijs aan arme kinderen in ontwikkelingslanden als aan kinderen in rijke landen. Die eisen zijn in de ontwikkelingslanden namelijk niet te realiseren. En op Roefs vraag: ‘Is het gerechtvaardigd voor westerse donoren om zulke lage ambities te hebben voor andermans kinderen?’, is mijn antwoord: Dat is vreselijk onrechtvaardig! Maar verontwaardigd roepen dat het een schande is, is misschien goed voor het gemoed, het helpt de armen echt geen steek verder. Roefs komt met een lijst van initiatieven die de laatste 20 jaar zijn genomen om het onderwijs beter te maken. Maar ze noemt geen enkel onderzoek dat aantoont dat die verbeteringen voor de armste groepen iets geholpen hebben. En ik heb er ook geen één kunnen vinden. In ieder geval hebben die verbeteringen er niet toe geleid dat kinderen uit arme gezinnen nu ineens massaal naar school gaan. In de landen van sub-Sahara Afrika maakt van de armste 20% van de bevolking maar 8% van de kinderen de school af, en van de rijkste 20% is dat 49%, dat scheelt een factor zes (World Development Indicators 2008, tabel 2.14). Het is dus vooral het gezinsinkomen dat bepaalt of kinderen naar school gaan. Even goed heeft 92% van de kinderen uit arme gezinnen helemaal niets aan welke onderwijsverbeteringen dan ook, want ze gaan niet naar school. En zelfs die 8% die er wel voordeel van heeft geraakt na de school toch weer in de bittere armoede als er geen geld verdiend wordt. De kinderen van die kinderen komen dan toch weer op de vuilnisbelt of in de steengroeve terecht. En ook al hebben ze dan een andere kijk op sexualiteit, van de 50 cent per dag die ze dan verdienen gaan ze echt geen condooms kopen. De armen worden niets wijzer van het feit dat wij vinden dat ze ‘rechten’ hebben.      Ik heb niets tegen mensen met idealen, maar wel als die volslagen onrealistisch zijn, en als het nastreven van die idealen er alleen maar toe leidt dat zinvolle maatregelen die wel haalbaar zijn niet worden getroffen. De school biedt kinderen uit arme gezinnen de enige kans om iets te leren waarmee ze uit de armoede kunnen ontsnappen. Laten we (de rijke landen, de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties, deskundigen op het gebied van onderwijs in ontwikkelingslanden) ze die kans geven! Laten we onderzoeken in welke sectoren er kansen liggen in de regio waar ze wonen, en laten we de armen de kennis en vaardigheden bijbrengen om een product of een dienst aan te bieden waarmee ze wat kunnen verdienen. Alleen dan kunnen ze volwaardig deelnemen aan de samenleving.     


[1]  Behrman J.R.,  M.R. Rosenzweig: Does increasing women’s schooling raise the schooling of the next            generation?, PIER Working Paper 01-051, Philadelphia 2001

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel