Door:
Wiet Janssen

21 juni 2010

Categorieën

Tags

De  reacties op zijn stelling dat kinderen uit arme families niets leren op school waarmee ze geld kunnen verdienen, hebben wetenschapper Wiet Janssen aangenaam verrast. Toch blijft hij bij zijn stelling. De reacties op mijn stelling hebben me aangenaam verrast. Alle drie gaan ze inhoudelijk in op de stelling, in plaats van het bestaan van het aangestipte probleem te ontkennen. Wat mij ook verrast is dat in geen van de drie reacties de juistheid van mijn stelling wordt aangevochten. Wel worden er een heleboel argumenten aangevoerd om aan te tonen dat goed onderwijs een voorwaarde is voor ontwikkeling en dat kinderen op school allerlei waardevolle dingen leren die niets te maken hebben met geld verdienen. Die argumenten lijken me op zich valide, maar de stelling zegt ook niet dat ze dat niet zouden zijn! Onderwijs is de sleutel tot ontwikkeling, tenminste als het onderwijs goed is Dhr. Kleinrensink stelt dat onderwijs dé sleutel is tot ontwikkeling, en dat ben ik met hem eens. Zijn ‘tegenstelling’: dat er nog veel gebeuren moet om de kwaliteit en de duurzaamheid van het onderwijs te verbeteren, onderschrijf ik eveneens. En ook ik ben er vóór dat ook meisjes naar school gaan, en ook ik vind dat het onderwijs gedifferentieerd moet zijn naar leeftijdsgroep. En het klopt dat kinderen uit arme families vaak helemaal niet naar school gaan of slechts een paar jaar. En inderdaad, als ze de school afmaken hebben ze vaak nog erg weinig geleerd. Maar de kwaliteit van het lager onderwijs is nou net het probleem. Voor lezers die niet weten hoe dramatisch slecht het onderwijs vaak is volgen hier een paar conclusies van verschillende onderzoekers. In ‘The Millennium Project’ stelt Sachs dat de meeste kinderen die in ontwikkelingslanden naar school gaan daar ‘schokkend weinig leren’. Kraft vond dat slechts 10% van de Ghanese schoolkinderen na het zesde schooljaar konden lezen op het vereiste niveau. Eveneens in Ghana stelden Lipson en Wixon vast dat na het zesde schooljaar nog maar heel weinig kinderen ook begrijpen wat ze lezen. Volgens het UN Human Development Report 2005 slaagden in Zambia slechts een kwart van de kinderen die de lagere school voltooid hadden voor een simpele leestest. De evaluatieorganisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, IOB, concludeert: ‘Veel scholieren in Oeganda verlaten de school terwijl ze kunnen lezen noch rekenen’. Een belangrijk obstakel is de traditionele manier van lesgeven. De kinderen moeten alles uit hun hoofd leren. De Minister van Onderwijs in Suriname vatte het als volgt samen: ‘De leraar neemt de mentale activiteiten van de leerlingen over, hij presenteert de informatie en de leerlingen leren die uit hun hoofd’.[1] Arme ouders hebben goede redenen om hun kinderen thuis te houden De armen werken meestal in de informele sector. Ze doen werk dat allerhande praktische vaardigheden vereist. De communicatie is vrijwel uitsluitend verbaal en kennis van lezen en schrijven is van weinig nut. Een grote internationale evaluatie van het onderwijs in verschillende ontwikkelingslanden onder leiding van Freeman and Dohoo Faure concludeerde dat het onderwijs de scholieren niet voorbereidde op de ‘werkende wereld’. De Duitse ontwikkelingsorganisatie GTZ stelde vast dat ouders vaak ongelukkig waren met het theoretische karakter van het onderwijs. Bergmann vond dat zowel politici als ouders behoefte hadden aan onderwijs dat helpt om het dagelijks leven te verbeteren en dat toegang biedt tot betaald werk. In een studie van onderwijs in Tanzania concludeerden Burke en Beegle dat ouders hun kinderen vaak niet naar school sturen omdat de verwachte inkomsten laag zijn ten opzichte van de kosten van de scholing, en omdat ze de opbrengst van het werk van de kinderen mislopen. Arme ouders laten de beslissing om hun kinderen naar school te sturen dus sterk afhangen van wat ze denken dat het ze oplevert, in geld of in goederen. En dat is ook logisch als je grootste zorg is om te overleven. Als je geen geld hebt kun je geen eten kopen als je kinderen honger hebben, en geen medicijnen voor ze als ze ziek zijn, etc. Inkomen is de enige manier om uit de armoede te ontsnappen. Het aantal kinderen dat naar school gaat is in werkelijkheid overigens ook veel lager dan volgens de officiële cijfers. Kingdon stelde vast dat dat komt omdat het aantal leerlingen bepaalt hoeveel geld een school krijgt. Het is voor de scholen dus erg verleidelijk om het leerlingenaantal wat te hoog te rapporteren. Berger vond dat in een stadje van 3000 inwoners in het zuiden van Zambia slechts 150 kinderen de school bezochten (30% van de kinderen in de schoolgaande leeftijd) terwijl de school volgens de administratie 300 leerlingen had. De school rapporteerde dus twee maal het aantal kinderen dat er werkelijk was. Het perecentage kinderen dat thuis blijft is dus aanzienlijk. En ouders hebben daar dus goede redenen voor. Ik blijf daarom bij mijn stelling! Ik ben in dit stukje niet ingegaan op de argumenten van mevr. Roefs en dhr. Wijbrandi dat kinderen dankzij onderwijs ook een heleboel waardevolle dingen leren die niets met geld verdienen te maken hebben. Met die argumenten ben ik het, zoals gezegd, grotendeels eens, maar dat betreft een andere discussie. Daar zou ik graag mijn volgend artikel aan willen wijden. Dit artikel is naar aanleiding van de reacties van  Jan Jaap Kleinrensink (Plan Nederland), Jan Bouke Wijbrandi (Unicef) en Jeanne Roefs (onderzoeksjournalist) op de stelling van Wiet Janssen: Kinderen uit arme landen leren om school niets waarmee ze geld kunnen verdienen.


[1] Informatie en bronnen: zie mijn proefschrift hoofdstuk 3.4.7 en 7.4, www.ontwikkelingshulpanders.nl

De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers

Door Paul Hoebink | 07 juli 2020

Vier vrouwelijke ministers van Ontwikkelingssamenwerking sloegen eind vorige eeuw de handen ineen met de ‘Utstein-4’. De Nederlandse Eveline Herfkens was een van hen. Wat hebben zij samen bereikt? Herfkens’ long time partner in life and work poogt in zijn nieuwste boek de balans op te maken, maar raakt verstrikt in de feiten.

Lees artikel

‘Opgeven is erger dan verliezen’

Door Marc Broere | 29 juni 2020

Carolyne Ndalilah, directeur van de spraakmakende Keniaanse jongerenorganisatie TYSA, helpt jongeren zichzelf én de uitdagingen van hun gemeenschap te leren kennen. ‘Wat onze samenleving nodig heeft, zijn jongeren die voorbij de dag van morgen denken; die het als een uitdaging zien het onmogelijke uit te proberen.’

Lees artikel

In coronatijd schiet de noodhulpsector terug in oude reflexen

Door Sarah Haaij | 18 juni 2020

Noodhulp moet effectiever en meer lokaal worden georganiseerd, sprak de internationale gemeenschap in 2016 af. Voortaan zou een kwart van het hulpgeld zo direct mogelijk naar lokale partners gaan. De kloof met de praktijk is ‘schokkend’: o,1 procent van het corona-noodhulpgeld gaat rechtstreeks naar lokale ngo’s, voor wie inspraak en toegang tot fondsen tijdens de pandemie nog moeilijker lijkt te worden.

Lees artikel