Naar aanleiding van de verschillende bezuinigingsvoorstellen van de werkgroep Internationale Samenwerking, zijn wij benieuwd naar de reacties uit de sector zelf. Daarom de komende weken veel aandacht voor dit onderwerp op de site. Met vandaag de reactie van Jan Donner, voorzitter van de Raad van Bestuur van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT).  Op zijn organisatie wordt volgens drie van de bezuinigingsvoorstellen fiks bezuinigd. ‘Dat lijkt mij apekool.’ Dat er wordt gedacht aan mogelijkheden om minder geld aan ontwikkelingssamenwerking te geven, vindt Donner ‘een logische.’ Maar dat het KIT in drie van de vijf bezuinigingsvoorstellen wordt genoemd (III, directe armoedebestrijding; IV, modernisering; V, Accra Agenda for Action), moet toch pijnlijk zijn voor een organisatie die dit jaar haar 100- jarig bestaan viert. Ondanks dat er geen sprake is van een basissubsidie, komt de helft van de omzet uit opdrachten van de overheid. Toch relativeert Donner de betekenis van de brede heroverwegingen: ‘Dit is een ambtelijk stuk en er is van alle kanten al aangegeven wat de waarde van dergelijke suggesties is.’ In deze voorstellen ontbreekt volgens Donner elke visie. ‘In de afgelopen tijd is er overeenstemming bereikt dat de kennisinstellingen weer actief onderdeel moeten vormen van datgene wat Nederland doet op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Deze groep wil in strijd met alle afspraken plotseling de kennisinstellingen om zeep helpen.’ Bovendien is Donner verrast door de argumentatie in het rapport. ‘Bepaalde organisaties wil men niet aanpakken omdat daar juridische afspraken mee zouden zijn. Dat lijkt mij apekool, eerlijk gezegd.’ In hoeverre ziet u een overeenkomst met het WRR rapport? ‘Ik zie dat beide rapporten voorbij gaan aan de noodzakelijke vraag: wat is de strategie die Nederland wil en wat is vervolgens de structuur die wij aan de organisatie van onze ontwikkelingssamenwerking geven? Een ambtelijk rapport dat zegt dat ontwikkelingssamenwerking eigenlijk het beste in handen van ambtenaren kan worden gegeven, lijkt mij niet de oplossing.’ Toch worden er in elk van de varianten duidelijke doelen voor ontwikkelingssamenwerking omschreven, zoals inkomensgroei of directe armoedebestrijding in fragiele staten. ‘Maar dat is geen strategie van wat Nederland wil bereiken met ontwikkelingssamenwerking? Dat is toch iets anders. Dat is waar we al lang op aandringen, daar zijn we ook met minister Koenders over in gesprek geweest. Wat willen we nou als land bereiken met ontwikkelingssamenwerking? Waarom doen we het? We doen het natuurlijk in tweede instantie om arme landen te helpen. Maar daarmee help je de wereld niet vooruit. We moeten zorgen dat er structureel een aantal dingen gebeuren. Dat er duurzaam economische ontwikkeling op gang komt. Dat mensen ook zelf hun geld gaan verdienen. Dat is pas echte ontwikkelingssamenwerking. Dan doe je samen iets wat goed is.’ Hoe probeert het KIT hieraan bij te dragen? ‘Nou, het KIT doet heel veel dingen die dus helemaal niet van de overheidsfinanciering afhankelijk zijn. Wij zitten in die duurzame economische ontwikkeling. Wij zitten inderdaad op terreinen als gezondheidszorg, waarbij we overigens voor ruimschoots minder dan de helft van bekostiging door de Nederlandse overheid afhankelijk zijn. Maar bijvoorbeeld meer van organisaties als de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO).’ Stel, de voorgestelde plannen voor bezuinigingen op kennisinstellingen gaan door. Is de enige consequentie dan dat uw organisatie minder opdrachten van de Nederlandse overheid krijgt? ‘Gesteld dat het zover komt, en zover zijn we nog lang niet, dat er besluiten worden genomen in de lijn van wat deze ambtenaren bedacht hebben, dan moeten wij inderdaad kijken hoe wij in nog meer eigen bekostiging en eigen omzet voorzien; wat we dan anders gaan doen en hoe we minder van de Nederlandse staat afhankelijk worden.  En daarmee is de zeggenschap van wat Nederland vindt, maar ook de feedback van wat het effect is van Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, helemaal zoek. Want ik stel wel vast dat het aantal organisaties dat rechtstreeks feedback heeft, over “wat gebeurt er nu echt”, heel beperkt is. Wij zijn er daar één van. Als je  als Nederland zegt, “wij stellen geen prijs op een Nederlands instituut”, dan vind ik dat vervelend, maar best. Maar dan krijgt Nederland ook niet meer de informatie die ons land nu broodnodig heeft.’ Denkt u dat deze vijf voorstellen terug zullen komen in de politiek? ‘Ik zou het niet aardig vinden om te zeggen dat ik verwacht dat deze rapporten geen rol spelen. Ze zullen zeker een rol spelen, al was het maar in de hoofden van ambtenaren. Maar ik denk dat de echte beslissingen en de voorbereiding daarvan nog moeten beginnen.’ Ziet u deze voorstellen in die zin meer als een storm in een glas water? ‘Nee, wel als een teken aan de wand. We moeten gaan nadenken over wat ons te wachten staat. Maar de echte beslissingen kunnen er nog wel eens heel anders uitzien.’ Welke rol zal ontwikkelingssamenwerking spelen in de verkiezingen? ‘Niet de rol die ik hoop. Ik zou wensen dat ontwikkelingssamenwerking een belangrijke rol speelt in de verkiezingen, maar dan op een principiële manier. Wat willen we bereiken met ontwikkelingssamenwerking? Waarom doen we het? Dat debat komt überhaupt niet op gang. Dat merk je ook naar aanleiding van het WRR rapport. Ik vrees dus dat dit debat er niet komt. En ik ben ook bang dat het debat er daarna ook niet komt. Want het gaat alleen maar over centjes. Het gaat niet over structuur, het gaat al helemaal niet over wat willen we bereiken.’ Probeert het KIT deze trend te doorbreken? ‘Ik denk dat we op alle mogelijke manieren dit proberen te veranderen. In eerste plaats doen we dat in Nederland zelf door ons museum. Door te laten zien met welke interessante culturen we vanuit Nederland te maken hebben. Een museum dat uitstekend bezocht wordt, een theater, met een bibliotheek die steeds meer bezocht wordt en waar wereldwijd steeds meer belangstelling voor is. De belangstelling voor het thema is er wel, zij het in een te beperkte kring van mensen die meer dan oppervlakkig internationaal bezig zijn. En dat zijn nou net niet de beslissers.’ Tot slot. Wat voor advies zou u de politiek willen geven? ‘Bezint eer gij begint.’

Opinie: ‘Brief minister Kaag over maatschappelijk middenveld: analytisch zwak en weinig ambitieus’

Door Fons van der Velden | 09 juli 2019

Het is een groot goed dat de Nederlandse overheid zoveel fondsen ter beschikking stelt voor de versterking van maatschappelijke organisaties en maatschappelijk middenveld, schrijft Fons van der Velden in deze opiniebijdrage naar aanleiding van de kamerbrief van minister Kaag. Maar hij vindt de brief analytisch zwak en van weinig ambitie getuigen. Wat had beter gekund?

Lees artikel

Tip 3 aan Kaag: ‘Lever in op je privilege en geef zuidelijke organisaties meer inspraak bij het bepalen van prioriteiten’

Door Lizan Nijkrake | 08 juli 2019

Minister Kaag werkt hard aan een nieuw subsidiekader voor het maatschappelijk middenveld. Ze wil meer eigenaarschap geven aan zuidelijke ngo’s om hen meer legitimiteit te geven, en ziet daarbij een andere rol voor Nederlandse organisaties. Vice Versa vroeg vier zuidelijke organisaties hoe zij dit zien. Wat is hun gouden tip voor onze minister? Met vandaag Carla López Cabrera, directeur van Fondo Centroamericano de Mujeres (FCAM) in Nicaragua, een feministisch fonds dat lokale vrouwenrechtenbewegingen in Centraal Amerika steunt.

Lees artikel

Shifting fundamental power issues in funding relationships

Door Evelijne Bruning Ruerd Ruben en Lau Schulpen | 02 juli 2019

This article claims that the current aid architecture favours clientilism, dependency and short-term projects. The authors Evelijne Bruning (The Hunger Project) Ruerd Ruben (Wageningen University & Research) and Lau Schulpen (Radboud University Nijmegen) are suggesting four possible ways to overcome this in order to shift power closer to the ground.

Lees artikel