Afrikadag
Afgelopen zaterdag vond in het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam de Afrikadag 2013 plaats, dit jaar voor het eerst georganiseerd door de Foundation Max van der Stoel, een fusie van de Alfred Mozer Stichting en de Evert Vermeer Stichting. Vice Versa was erbij en bezocht het ietwat tamme debat over het Dutch Good Growth Fund, een sessie over belastingontwijking en tot slot het woordvoerdersdebat waarbij de Kamerleden hun favoriete one-liners en stokpaardjes weer uit de kast haalden, maar ook ingingen op nieuwe ontwikkelingen  zoals de Kamerbrief over maatschappelijke organisaties.

Het is een wat grijze, druilerige dag zaterdag, maar binnen in het KIT was het warm, druk, levendig en kleurrijk. In maar liefst zes zalen, de bibliotheek, de bestuurskamer, de rotonde en onder de bogen van het KIT  werden workshops, talkshows, debatten, interviews en masterclasses gehouden. Daarnaast staat ook live muziek, fashion en film op het programma. Binnen het thema  ‘werk’, in de breedste zin van het woord, is er veel variatie in het programma en komen er talloze aspecten van werk aan bod: van boerinnen in Sierra Leone via fair trade flower power en Afrikaanse vakbonden tot het belastingparadijs op de Zuidas. Consumenten, producenten, het bedrijfsleven, ngo’s, politici, burgers, werkgevers, werknemers: aan allerlei spelers rondom ‘werk’ werd aandacht besteed.

Volle zalen

Hoewel het geroezemoes in de grote hal gedurende de dag onverminderd blijft klinken, zitten ook alle zalen tijdens de sessies overvol en moesten sommigen zelfs teleurgesteld buiten blijven staan.

In de bibliotheek op de eerste verdieping vindt een debat plaats over het Dutch Good Growth Fund (DGGF). Het panel bestaat uit Bernedine Bos (MVO Nederland), Ingrid de Caluwé (VVD), Roelof van Laar (PvdA), Yannick du Pont (SPARK) en Christiaan Rebergen (BUZA) en later schuift ook Bob van der Bijl (NABC) nog aan. Hoewel het DGGF al een hoop stof heeft doen opwaaien en ook de zaal kritische geluiden laat horen, blijft de discussie erg tam en voornamelijk gericht op één van de drie sporen die het fonds voorziet: het stimuleren van het midden- en kleinbedrijf (MKB) in Nederland om te investeren in Afrika.

De verwijzing naar het artikel in de nieuwste Vice Versa waarin André Dellevoet, voormalig ambtenaar en nu werkzaam bij het Africa Enterprise Challenge Fund, zich kritisch uitlaat over het fonds wordt nog even genoemd, maar inhoudelijk blijven de argumenten gaan over de drempelverlagende werking voor het MKB en met name de term ‘access to finance’ valt erg vaak. Rebergen heeft daar nog wel een kritische noot bij, want ‘in hoeverre is er een absorptiecapaciteit? Hoe vind je genoeg investeringsmogelijkheden? Het gras groeit niet harder als je er aan trekt’.

Vestzak, broekzak

Om ook de andere sporen te belichten wordt de vraag gesteld of de exportsubsidie geen verkapte vorm van winstverruiming is voor Atradius, waarvoor vanuit de zaal instemmende geluiden klinken. Roelof van Laar, de PvdA woordvoerder voor Ontwikkelingssamenwerking, benadrukt daarop dat er criteria voor ontwikkelingsrelevantie zijn en de exportsubsidie niet marktverstorend mag werken. Het fonds is bedoeld voor wat de markt (nog) niet doet.

Het interessantst wordt het als er wordt ingegaan op de rol van ngo’s en het FMO. Moet je wel iets nieuws gaan opzetten, als het eigenlijk al bestaat? En moet je voor deze constructie geen financiële instelling zijn? Du Pont benadrukt dat je ‘niet als ngo bankje moet gaan spelen’ maar als je het alleen aan banken overlaat, kan de ontwikkelingsrelevantie in het geding komen. Van der Bijl reageert daarop met de woorden: ‘Het is natuurlijk een horrorscenario dat fondsen beheerd gaan worden door organisaties die daar niet toe in staat blijken te zijn.’

Ook de rol van diaspora wordt positief geschetst door Du Pont en De Caluwé. Daar liggen volgens hen veel kansen. ‘Dat zijn mensen die terug willen en het land kennen, maar de partijen weten elkaar nog niet te vinden.’

De toeschouwers lijken niet echt tevreden als ze de zaal uitlopen. Er klinkt veel verontwaardiging, want welke vragen zijn er echt beantwoord? Zijn we nu echt wijzer geworden over dit fonds waar zoveel van wordt verwacht op het gebied van ontwikkeling en investeringen, zowel hier als in het Zuiden?

Belastingparadijs op de Zuidas

De sessie ‘Belastingparadijs op de Zuidas?’ is vooral informatief. Het aanwezige publiek blijkt met veel vragen te zitten. Esmé Berkhout van Oxfam Novib, Tanja Bender van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs en Ed Groot, financieel woordvoerder van de PvdA doen hun best te verduidelijken wat er nu precies gebeurt en hoe de situatie er nu voor staat. Want wat zijn de gevolgen voor ontwikkelingslanden nu eigenlijk?

Berkhout noemt een bedrag van ongeveer 500 miljoen wat ontwikkelingslanden mislopen, en Nederland heeft daarbij een belangrijke positie. Maar, waarschuwt ze, ook de ontwikkelde landen hebben last van de belastingontwijking van multinationals. Ze maakt zich hard voor meer transparantie, rapportage en vooral een krachtige discussie over de race naar de bodem met betrekking tot belastingverdragen. Nederland zou internationaal leiderschap moeten tonen. De recente plannen van minister Ploumen en staatssecretaris Weekers om belastingontwijking aan te pakken, gaan nog niet ver genoeg: het blijft te makkelijk voor multinationals om belasting te ontwijken.

Eigen houtje

Bender redeneert vanuit een andere hoek. ‘Belastingverdragen zijn belangrijk voor Nederland en ontwikkelingslanden om dubbele belastingen te voorkomen en zo investeringen en andere geldstromen te genereren. Nederland moet vooral niet op eigen houtje gaan handelen en verdragen opheffen.’  Dit is echt een probleem op internationaal niveau, want ‘bedrijven zoeken de weg van de minste weerstand’ wat in de praktijk betekent dat er belastinguitwijking plaats zal vinden. Nederland moet gewoon de regels van de OESO afwachten, vindt Bender. Het publiek is toch een beetje achterdochtig, want wat is de moraal van de belastingadviseur en de multinational?

Groot benadrukt dat Nederland het enige land is dat eisen gaat stellen en dat het een goede stap is dat de antimisbruikbepalingen worden herzien en heronderhandeld. Het moet de brievenbusmaatschappijen moeilijker worden gemaakt. Ook hij ziet het belang in van transparantie. ‘Winsten moeten belast worden waar het wordt gemaakt.’ Maar hij hamert ook op het belang van capaciteitsversterking in ontwikkelingslanden. Ook hij maakt zich zorgen over de race naar de bodem. ‘Daar zouden we als EU veel aan kunnen doen, of in OECD verband, maar dat staat helaas niet op de agenda.’

Woordvoerdersdebat

Ook dit jaar is er weer een debat tussen de woordvoerders van ontwikkelingssamenwerking georganiseerd en qua samenstelling verschilde het panel weinig met dat van vorig jaar. AlleenRoelof van Laar (PvdA) is een nieuw gezicht en krijgt dus ook wat meer introductie. Hij vertelt over zijn eerdere werk als directeur bij Stop Kindermisbruik en zijn net verschenen boek ‘Een meisje als Roopa’, waarmee hij gehoor heeft gegeven aan de oproep van Vice Versa’s Marc Broere om meer memoires te publiceren in de ontwikkelingssector.

Verder zien we de bekende gezichten van Jasper van Dijk (SP), Bram van Ojik (GroenLinks), Joël Voordewind (ChristenUnie) en Ingrid de Caluwé (VVD). D66 had partijcongres en was daarom niet aanwezig. Onder leiding van NCDO-voorzitter Pieter Heinze begint het debat met de vraag hoe de zaken ervoor staan na een jaar hulp en handel van minister Ploumen.

Dutch Good ‘Krimp’ Fund

Hoewel het eerste thema oorspronkelijk ‘de balans na één jaar Ploumen’ zou zijn, komt de discussie toch al gauw weer bij het Dutch Good Growth Fund terecht. Joël Voordewind krijgt meteen de vraag voor zijn kiezen of de ChristenUnie nog bij de oppositie hoort, nu het oktoberakkoord is gesloten met de regeringspartijen, maar hij reageert laconiek.  ‘We zijn nog steeds oppositie en er is ook veel oppositie te voeren. Er is nog veel te doen over de komende begroting.’ De ChristenUnie heeft ook al bedongen dat er 50 miljoen afgaat van het omvangrijke budget van het DGGF, zoals vorige week in de media bekend werd. Voordewind: ‘Er gaat al heel veel naar het bedrijfsleven, het FMO bestaat tenslotte ook al en al dit geld gaat weg van de echte armoedebestrijding’.

Want is het DGGF niet gewoon een subsidiepotje voor bedrijven? ‘Het zijn geen subsidies, het is geen gratis geld voor bedrijven’ aldus van Laar, ‘maar geld dat terug moet komen, een lening onder de  voorwaarde van ontwikkelingsrelevantie’.  En weer worden de wat oppervlakkige argumenten over de kansen voor het MKB, de ontwikkelingsrelevantie en de lokale werkgelegenheid opgesomd. Ingrid de Caluwé blijft hameren op de investeringen en de noodzakelijke financiering, die nu moeilijk van de grond komt omdat banken ‘het maar eng vinden om naar Afrika te gaan’. Maar vooral ook vindt zij het belangrijk dat de VVD niet wil stapelen met regelgeving. Ze ziet ‘zoveel scepsis ten aan zien van het bedrijfsleven, maar er zijn zoveel mooie voorbeelden, alleen een paar rotte appels. Als één ngo het slecht doet gaan we ze toch ook niet allemaal afschaffen.’ In de zaal wordt een beetje cynisch gelachen, en Jasper van Dijk reageert: ‘Nee, maar in de praktijk willen jullie wel het hele ontwikkelingsbudget wegbezuinigen’.

Bram van Ojik benijdt de minister niet. ‘Er is een miljard van haar ontwikkelingsbudget afgehaald, ze krijgt 250 miljoen per jaar voor een groeifonds dat sindsdien alleen maar gekrompen is, het is eerder een Dutch Good Krimp Fonds’, waarmee hij de lachers op zijn hand krijgt. Hij uit zijn zorgen over de vermenging van hulp en handel. ‘We moeten oppassen om bedrijven als ontwikkelingsorganisaties te zien, want er zijn honderden mensen die niets aan alleen handel hebben. Maar als je het hekelt word je beschuldigd van oud denken.’

Kamerbrief maatschappelijke organisaties

Het tweede thema is de kamerbrief van minister Ploumen over de maatschappelijke organisaties die onlangs uitkwam. Het debat erover is uitgesteld, maar wat hebben de partijen er alvast over te zeggen?

Van Dijk: ‘De kant die ze op wil is helemaal niet zo verkeerd, maar het hele maatschappelijk middenveld wordt behoorlijk aangetast door het budget wat beschikbaar is, want dat is een stuk krapper.’ Van Ojik denkt dat het heel goed is om voor strategische allianties te kiezen zodat ngo’s en de overheid elkaar aanvullen, maar begrijpt niet waarom de nadruk komt te liggen op pleiten en beïnvloeden. ‘De minister wil hiermee haar eigen tegenspraak organiseren. Dat vind ik raar en zonde van het geld. Doe het gewoon meteen goed! Dan hoef je niet eerst geld aan anderen te geven om jou tegenspraak te geven.’

Voordewind vindt het halveren van het budget en het sturen op de speerpunten ‘overboord gooien van deskundigheid en ervaring van ontwikkelingsorganisaties’. De Caluwé vindt het daarentegen ‘heel goed dat de organisaties meer op eigen benen moeten komen te staan.’ Ze staat vierkant achter de speerpuntenbenadering en dat daar de organisaties voor worden ingezet. ‘Wat me verder opviel is dat er eigenlijk heel weinig rumoer was en dat er heel weinig gereageerd werd door ontwikkelingsorganisaties’. Ze maakt eruit op dat de organisaties er dus mee instemmen, of er al op voorbereid waren dat dit er aan zat te komen.

Naarmate de discussie vordert, blijkt meer en meer dat de Kamerbrief op meerdere manieren geïnterpreteerd kan worden. Zowel de woordvoerders, de gespreksleider als enkele toehoorders hebben de ideeën over de strategische allianties, de bewegingsvrijheid met betrekking tot de speerpunten en over pleiten en beïnvloeden anders opgevat. Koos de Bruijn van brancheorganisatie Partos geeft met zijn reactie op De Caluwé vorm aan de onduidelijkheid: ‘Op grote lijnen zijn wij niet zo kritisch op het beleid, maar wat ons wel opvalt is dat een aantal dingen nog niet duidelijk worden en daar hebben we ook vraagtekens bij. Ook in de interpretaties die u allen geeft, worden verschillende geluiden gegeven.’

Van Laar reageert en benadrukt daarbij dat hij niet namens de minister spreekt. ‘Wat wij vragen aan de minister is of het totale budget voor maatschappelijke organisaties gelijk blijft en dat is nog steeds waar wij vanuit gaan.’ Hij vindt het een positief aspect dat de nieuwe pot voor pleiten en beïnvloeden wordt ingezet voor capaciteitsversterking zowel van organisaties hier als partners in het Zuiden. Volgens hem kan dit budget buiten de speerpunten en de sectorontwikkeling zelfstandig door ngo’s worden ingezet. Daarnaast is de PvdA ‘blij met de keuze die gemaakt is om inhoudelijke activiteiten niet meer uit een aparte pot voor maatschappelijke organisaties te financieren, maar maatschappelijke organisaties vooral in competitie te brengen met andere spelers zoals het bedrijfsleven’.

Visie

Als afsluiting mogen alle woordvoerders kort hun visie geven over ontwikkelingssamenwerking. De kernpunten passen in de lijn der verwachtingen. Volgens de VVD moeten we nog veel meer van hulp naar handel en investeren, want de echte ontwikkeling komt door economische ontwikkeling. Jasper van Dijk richt zijn visie vooral tegen de VVD: de SP wil ab-so-luut niet zo veel op ontwikkelingssamenwerking bezuinigen. ‘Ontwikkelingshulp is nog steeds hard nodig, denk aan aidsbestrijding en aan onderwijs, eerlijke handel, aanpak van belastingontwijking. Dus vooral op naar éérlijke handel…Ingrid’.

Van Ojik benoemt de groeiende ongelijkheid binnen landen als een van de grootste uitdagingen. ‘Alle landen profiteren op een bepaalde manier van de globalisering maar binnen al die landen, arm en rijk, zie je dat de ongelijkheid tussen de top en de bodem door al die groei, handel en industrieën alleen maar toeneemt. Ik zou een nieuwe ontwikkelingsagenda willen die gaat inzoomen op de toenemende ongelijkheid waarin je samen met de landen optreedt voor grotere maatschappelijke rechtvaardigheid.

De PvdA wil naar de 0,8% omdat hulp echt nodig blijft, en Van Laar benadrukt drie redenen: basisvoorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg, rechten en inclusieve groei.

Joël Voordewind tot slot doet een beroep op goed fatsoen. ‘Er is nog een hele wereld te winnen als we kijken naar armoede in de wereld en redden we dat alleen met het bedrijfsleven? Nee! Dus houden wij vast aan de 0,7%. Het is een kwestie van fatsoen en het zijn slechts de kruimels van onze rijkdom om dat te delen met de allerarmsten in de wereld. Het moet voorbij de vrijblijvendheid van het bedrijfsleven’ sluit hij af.

‘Beter één geweldige publicatie dan tien middelmatige’

Door Selma Zijlstra | 18 juli 2017

Hoe zorg je ervoor dat wetenschappers meer doen aan de maatschappelijke bijdrage van hun onderzoek, zonder dat ze bezwijken onder de werkdruk? Vice Versa spreekt erover met Rianne Letschert, rector aan de Universiteit Maastricht.

Lees artikel

Vice Versa Masterclass: Leiderschap in een veranderende wereld

Door Vice Versa | 13 juli 2017

Vice Versa presenteer Masterclass: Leiderschap in een veranderende wereld

Lees artikel

Brief aan de lezer

Door Marc Broere | 07 juli 2017

Brief aan de lezer -Marc Broere’s laatste column voor de zomervakantie

Lees artikel