Door: Manon Stravens
16 april 2018

Categorieën

Tags

Met zijn boek ‘de peuterindustrie’ zette Ewoud Poerink de misstanden in de kinderopvangsector op de kaart. Nu is hij aangetreden als coördinator van de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD). ‘Het begrip beperking wordt al snel op het bord van de kleine christelijke organisaties geschoven. Maar het is de lakmoesproef voor heel de samenleving: hoe gaan we om met de meest kwetsbaren onder ons?’

We kennen Ewoud Poerink (1975) van zijn strijd tegen misstanden in de kinderopvangsector. In de nasleep van de affaire-Robert M., waar zijn eigen peuter ongeschonden uitkwam, ontpopte hij zich tot een voorvechter voor de belangen van het kind in een door kapitaal en bedrijfsbelangen gedomineerde wereld.

Terugblikkend op die tijd, spuwt het vuur weer over tafel in het Amsterdamse Café de Jaren. Maar de beleidsbepalers in de wereld van gehandicaptenorganisaties benadert hij vooralsnog met ‘uitgestoken hand’, zegt hij. De rechten van mensen met een beperking bij politici, ngo’s en bedrijven tussen de oren krijgen, dat is zijn missie. Poerinks kennis en lobbyvaardigheden kan hij goed gebruiken – dit is minder een ‘vechtdossier’, maar hij neemt het met dezelfde drijfveer onder handen.

Waarom maakte u de overstap?

‘Vijf jaar lang heb ik de peuterlobby gedaan. Toen wees een vriend – een rolstoelgebruiker – me erop dat ik al die energie ook voor andere kwetsbare groepen kon inzetten. Dat heeft me geprikkeld. Ik was na vijf jaar strijd wel klaar met de “peuterindustrie”. Mijn boek en het burgerministerie voor het Kind hebben dat onderwerp goed op de agenda gezet. Maar die strijd was niet prettig. Ik was de boeman, kreeg advocaten van ondernemers op mijn dak, erg nare tweets. Toen kwam deze baan voorbij. Hier hoop ik mijn kennis en netwerk constructiever in te zetten.’

Ewoud Poerink, opgeleid historicus, is niet nieuw in het internationale speelveld. Voordat de zedenzaak omtrent ’t Hofnarretje hem uit zijn slaap begon te houden, hield hij zich bezig met het Israëlisch-Palestijns conflict. Voor een Palestijnse ngo deed hij onderzoek naar bezettingen en als stagiair-onderzoeker ‘snuffelde’ hij op het ministerie van Buitenlandse Zaken rond. In Nederland werkte hij onder meer voor het Instituut voor Publiek en Politiek (nu ProDemos), waar hij zich bezighield met de stemwijzer, politieke participatie en scholierenverkiezingen.

Totdat hij ontdekte dat het systeem voor kinderopvang ‘fundamenteel’ fout was. Aan zijn boek De peuterindustrie werd een aflevering van de VPRO-serie De slag om Nederland gewijd: Handel in kinderopvang. Hij schreef een reeks artikelen voor De Correspondent en liep de Haagse deuren als ‘zelfbenoemd lobbyist’ plat. ‘Ik ging er met gestrekt been in.’

Voelt u nu dezelfde boosheid als toen?

‘Het is een ander thema, maar mijn drijfveer is dezelfde. Het onderliggende principe van uitsluiting van een groep, van mensen met een beperking, maakt me boos. Het klopt niet. Maar de persoonlijke steek die ik bij de peuterindustrie voelde, die is er niet. Dat biedt het voordeel dat ik nu niet gezien wordt als slachtoffer. Dat gaf kracht aan mijn strijd, maar was niet prettig.’

Ziet u parallellen tussen de doelgroepen waarvoor u lobbyt?

‘Je moet oppassen met vergelijkingen, maar er zijn parallellen. Net als kinderen behoren mensen met een beperking tot de meest kwetsbare groepen in de samenleving. Wie met een beperking kampt en eveneens migrant of vrouw is, of tot een seksuele minderheid behoort, heeft vaak te maken met dubbele discriminatie.

‘Voor beide groepen is het een grote uitdaging om hun stem gehoord te krijgen in het beleid; hun belang bungelt ergens onderaan. Anderen – ondernemers, ouders, instanties – gaan altijd voor. Hoe vertegenwoordig je een stem van onzichtbare mensen uit het Zuiden, die nauwelijks meetellen?’

In zijn eerste maanden werd Poerink al geconfronteerd met de miskenning van de rechten van gehandicapten, vertelt hij. Dat was tijdens het bezoek van de VN-rapporteur, een rolstoelgebruiker, aan het ministerie van Buitenlandse Zaken. ‘Je voelt ’m aankomen: het was de mooiste vergaderzaal, maar de vrouw kon met haar rolstoel de trappen niet op.’

Dat is het probleem, zegt Poerink. ‘Deze groep is vrijwel onzichtbaar, dus je denkt niet meteen eraan. Het niet-inbedden van hun rechten vanaf het eerste begin kost veel tijd, geld en leed. Het begrip beperking wordt al snel op het bord van de kleine christelijke organisaties geschoven. Maar het is de lakmoesproef voor heel de samenleving: hoe gaan we om met de meest kwetsbaren onder ons? Hen zichtbaar maken, dat is een van onze kerntaken.’

Vindt u dat de DCDD-leden die stem genoeg laten doorklinken?

 ‘Zij ondervinden dezelfde moeilijkheid als ik. De Leprastichting en het Liliane Fonds zijn erkend effectief, maar hoe weet ik of dat wat ik in de Tweede Kamer verkondig als lobbyist, ook is wat zij willen? Misschien is het een beperking dat ik zelf geen erkende beperking heb. Er zijn wel gehandicaptenbewegingen in het Zuiden, maar tussen hen en mijn lobbywerk zitten vele schakels. Maar dat is altijd het punt bij belangenbehartiging.’

Wat voor netwerk trof u aan?

‘Veel werkgroepen, vergaderingen en nieuwsbrieven. Ik verdiepte me in het immense landschap van ngo’s, van Oekraïne tot Laos, in een sector die bovendien onder druk staat. Iedereen is hartstikke druk, terwijl voor mijn werk als coördinator tegelijkertijd veel bijdragen van leden verwacht. De kracht moet uit organisaties komen, zij moeten de bouwstenen leveren voor mijn lobbywerk. In de praktijk blijkt het best lastig te zijn, maar ik kan met een deeltijdbaan van 24 uur per week niet alles zelf doen.’

 Wat ziet u als uw missie en taak?

‘Anders dan mijn voorganger zal ik minder zelf lobbyen. Daarvoor wil ik anderen mobiliseren, mensen met autoriteit, kennis en een bewezen kerfstok, die op een goed moment de boodschap kunnen vertellen. Zij moeten de kartrekkers worden van de verschillende speerpunten die we hebben. Mijn opdracht is met hen nieuwe allianties te sluiten om het nodige gewicht te creëren.’

Poerink moet zijn drie spaarzame dagen fysiek verdelen over het land. Hij zit deels bij het Liliane Fonds in ’s Hertogenbosch (‘fijn klooster, goede sfeer’), deels bij de Leprastichting in Amsterdam en de rest van de tijd in Utrecht en Den Haag.

 Vindt u een goede balans tussen lobby en het ‘netwerkonderhoud’?

‘Lobby is seizoenswerk. Dat heb ik de eerste maanden veel gedaan, nu is het wachten op de nota van Kaag in mei. Ik ben nu vooral bezig met het opbouwen van een stevig netwerk, dat mij de eerdergenoemde beleidssuggesties levert. Ik heb drie dagen, die zitten al snel vol, want de druk en de vraag is heel hoog. In het kinderopvangdossier had ik mijn eigen burgerministerie. Nu werk ik met veel organisaties met hun eigen belangen. Alle leden willen wat – we moesten zo’n honderd doelen terugbrengen tot vier speerpunten. Voor een constructieve lobby is die focus belangrijk.’

Wat zijn die speerpunten?

‘Dataverzameling over mensen met een handicap. Nederland is verplicht die specifieke data te verzamelen, want het ontbreekt nog aan voldoende gegevens over hen. De aanpak van het Britse ontwikkelingsdepartement staat internationaal hoog aangeschreven: wij zullen het uitnodigen voor een sessie. Andere speerpunten zijn inclusieve noodhulp, inclusieve werkgelegenheid en toegang tot seksuele en reproductieve rechten. We willen graag het bedrijfsleven erbij betrekken, om meer impact te creëren. Maar dan moet je wel een economisch solide verhaal hebben over het belang ervan, het ethische argument is niet voldoende. Ik ben nu bezig met het in kaart brengen van handelsmissies, om te kijken of we in hetzelfde land zitten.

‘Voor deze vier speerpunten zullen we werkgroepen formeren met de juiste kennispartners, zodat we vooral lobbyen op basis van kennis. En niet alleen met dat wijsvingertje.’

Wat is er mis met het wijsvingertje?

‘Er zijn veel organisaties met hun eigen stokpaardje, die roepen dat je die of die niet moet vergeten – maar die vervolgens niet verder kijken. Je moet iets bieden en handelen. Het zou mooi zijn als het nieuwe beleid daarvoor de haakjes levert. Want inclusie is algauw een containerbegrip: iedereen valt er uiteindelijk onder.’

Wat hoopt u dat Kaag gaat doen?

‘De nota zal algemeen en breed geformuleerd zijn. Noodhulp “gehandicaptenproof” maken zal er niet in zitten. Mensen met een handicap zijn te zeer een niche. Ik hoop dat ze aandacht besteedt aan de duurzame doelen en ook aan seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, waarin Nederland kampioen is. We zouden mensen met een beperking enorm helpen met het toegankelijk maken van die rechten. Het zijn niet eens zulke grote investeringen, het draait om slim ontwikkelen.’

Bijvoorbeeld?

‘Daarvoor moet ik je naar de leden verwijzen…’

Is uw gedeelde geschiedenis in het Midden-Oosten een voordeel?

‘Informeel zal het meespelen. De Midden-Oostenmensen zijn net iets andere gekken, gevormd door hun werk in conflictomgeving en belegerd gebied. De liefde voor die regio – voor Libanon, Syrië, Ramallah – zit diep. Ik verkoop dat niet, maar ze kennen me wel. Dat komt deels door mijn peuterlobbywerk, maar ook door eerdere ervaringen. Nu al wordt met een knipoog gewaarschuwd “voor die Poerink”.’

Wat wordt uw strategie?

‘Wij beginnen met een uitgestoken hand, op basis van kennis, en gaan op zoek naar het probleem van een beleidsmaker, als er een Kamermotie ligt of Nederland internationaal verplicht is iets doen. Zo is de motie-Isabelle Diks, die oproept werk te maken van dataverzameling, al ruim een jaar geleden aangenomen. We verzamelen kennis en dragen met partners oplossingen aan. Maak er werk van, is de boodschap. Pas als dat niet gebeurt, dan mag de oude peuterlobbyist in mij weer wakker worden.’

Wat gebeurt er dan, als de peuterlobbyist ontwaakt?

‘Die gaat er met gestrekt been in en heeft een heel arsenaal aan middelen. Geen plofkipacties, maar we kunnen wel de Tweede Kamer en de media mobiliseren, zelfs proefprocessen en rechtszaken beginnen. Dat deden we toen ook. Met goede Kamervragen of een primeur scoor je behoorlijk. Ik ben er goed in, weet ik nu.’

Maar Poerink zet het liever niet in. ‘Het ligt eigenlijk niet in mijn aard. Zo werkte ik aanvankelijk bij het kinderopvangdossier ook niet – totdat ik echt voor de gek gehouden werd. Dan heb je een slechte aan me.

‘Maar meedoen is een mensenrecht. Dat gaat diep. We mogen best onze tanden laten zien, we moeten niet alleen maar afwachten. Als door onkunde of budgettaire redenen noodhulp niet toegankelijk is voor mensen met een beperking, dan worden er mensenrechten geschonden. Dat staat haaks op de werelddoelen. Maar in deze sector gaat het allemaal een stuk zachter dan bij de peuters: het is meer een poldermodel.’

Gaat dat niet vervelen?

Grijnzend: ‘Dat is de vraag. Maar ik geloof werkelijk in de opdracht van het Leave No One Behind-platform. De taal, de framing, het tussen de oren krijgen. Vanuit de beleidshoek hoor ik weleens dat het richten op mensen met een handicap een soort discriminatie is, maar dat is de omgekeerde wereld. We willen dat iedereen met een “gehandicaptenbril” naar zijn beleid kijkt. Inclusie moet blijvend op de kaart worden gezet. En daarmee moeten we nu beginnen willen we aan onze verplichtingen van 2030 voldoen.

‘In het kinderopvangdossier was ik eenoog in het land der blinden, met een enorm schandaal als directe aanleiding. Ik werd eerst genegeerd, vervolgens belachelijk gemaakt, voordat ik als een autoriteit werd gezien en mijn boodschap volstrekt vanzelfsprekend was. Zo had ik behoorlijke invloed op de agenda. In deze sector ligt het anders, maar we hebben veel mensen nodig om onze inclusieboodschap van de daken te schreeuwen.’

Ewoud Poerink is een van de panelleden tijdens het seminar ‘Lets talk about inclusion’  op donderdagmiddag 19 april. Meld je aan via deze LINK

Manon Stravens

Manon Stravens (1977) is freelance journalist met een achtergrond in ontwikkelingssamenwerking. Ze schrijft voor diverse media, onder meer het Financieele Dagblad. In 2015 verscheen haar boek ‘De opstand van Boko Haram’. Eerder werkte ze voor ICS en regiokantoor ICCO West-Afrika in Mali.

Minister Kaag presenteert beleidsnota

Door Marc Broere | 18 mei 2018

De langverwachte beleidsnota van minister Kaag van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is uit. Vice Versa zet de belangrijkste punten uit de nota op een rijtje. Meest opvallend is dat de term beleidscoherentie uit het vocabulaire van het nieuwe beleid is geschrapt.

Lees artikel

Gun jongeren erotische intelligentie, zelfvertrouwen en vaardigheden om van seks te genieten

Door Vice Versa | 18 mei 2018

De nieuwe internationale richtlijnen voor seksuele educatie van UNESCO zijn een grote stap vooruit, schrijft Doortje Braeken, seksuele gezondheidsexpert, in deze bijdrage. We hebben alleen nog een lange weg te gaan voordat plezier hebben in seks evenveel aandacht krijgt als de negatieve kanten zoals risicogedrag, seksueel geweld en andere duistere spelonken van seks en seksualiteit. 

Lees artikel

Dromen van een rechtvaardig migratiebeleid – Vice Versa Voorjaar 2018

Door Lys-Anne Sirks | 16 mei 2018

Ons voorjaarnummer is uit, boordevol prachtige nieuwe verhalen uit alle hoeken van de wereld. Het debat over vluchtelingen en migratie lijkt al jarenlang op slot te zitten en te zijn gegijzeld door de politieke waan van de dag. Het is tijd om die vicieuze cirkel teniet te doen. Vice Versaging op reportage, deed onderzoek, en wil het debat van nieuwe brandstof voorzien, met lessen uit Palermo, Libanon, en Friesland.

Lees artikel