Door: Hans Beerends
4 januari 2016

Categorieën

Tags

Afbeelding Jan PronkRECENSIE -Afgelopen maand verscheen het nieuwe boek van oud-minister Jan Pronk, ‘Op zoek naar een nieuwe kaart.’  De belangrijkste rode draad: kijk naar het ontwikkelingsproces vanuit de ogen van de mensen die het aangaat en steun vooral landen en organisaties die een beleid voeren ten bate van de armen. Hans Beerends recenseert het boek dat pessimistisch is over het huidige beleid en vooral over de wereldwijde rol van de middenklasse. Zijn hele leven, tot de dag van vandaag, is Jan Pronk betrokken bij mondiale armoedebestrijding. Achtereenvolgens als student ontwikkelingseconomie, voorzitter van de actie en fondsorganisatie X-Y, als Tweede Kamerlid, minister van Ontwikkelingssamenwerking in 1973, secretaris van UNCTAD, opnieuw minister van Ontwikkelingssamenwerking van 1989 tot 1998, minister van Milieu van 1998 tot 2002 en daarna als hoogleraar op het ISS (Instituut of Social Studies ) in Den Haag. In al die jaren werd hij bekritiseerd en gewaardeerd, schreef hij boeken en een reeks van artikelen, hield lezingen en gaf gevraagd en ongevraagd commentaar op lopende discussies. Zijn verspreide aantekeningen over ontwikkelingen en ontwikkelingssamenwerking, heeft hij thans gebundeld in het boek Op zoek naar een nieuwe kaart. Het resultaat is een boeiend verhaal over mee- en tegenvallers, mee- en tegenstanders en de geschiedenis van het naoorlogse denken en doen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Kernpunten van zijn visie die als een rode draad door het boek lopen zijn: Kijk naar het ontwikkelingsproces vanuit de ogen van de mensen die het aangaat en steun vooral landen en organisaties die een beleid voeren ten bate van de armen. Voel wat leeft en speelt Dat kijken vanuit de ogen van de armen begon al toen hij als 27-jarige net afgestudeerde ontwikkelingseconoom een paar maanden uitgezonden werd naar India. Ik had, schrijft hij, ontwikkelingsprocessen bestudeerd en daar college over gegeven, veel gelezen en gediscussieerd en toch onderging ik India als een cultuurschok. De tegenstellingen op economisch, sociaal, religieus en cultureel gebied, de kaste en klassentegenstellingen. Je ziet mensen op straat creperen en tegelijkertijd aanschouw je een eeuwenoude unieke en prachtige beschaving. Dit alles leidde tot mijn uitspraak: Ga, kijk, luister, voel en proef wat er leeft en speelt. Het tweede punt, de steun aan landen die een op de armen gericht beleid voeren, kwam ter sprake bij de aanvang van zijn eerste ministerschap in 1973. Bij zijn installatie gaf hij direct aan dat ontwikkelingshulp slechts een doekje voor het bloeden was als niet tegelijkertijd structurele veranderingen zouden plaats vinden op het gebied van de internationale handel en de binnen- en buitenlandse politiek van Nederland. Teneinde, ondanks deze stagnerende factoren, toch iets te kunnen doen ontwierp hij enkele hulpcriteria waarvan de belangrijkste was dat hulp vooral gegeven moest worden aan landen die een sociaaleconomisch beleid voeren dat waarborgt dat hulp ten goede komt aan de gehele samenleving. De VVD die de hulp liever wilde gebruiken voor de bevordering van de Nederlandse export naar landen met ‘onvoldoende koopkracht’ betitelde het voornemen van Pronk schamper als typische ‘Linkse stokpaardjes’. De VVD exportwens had Pronk op zijn beurt kunnen typeren als ‘Rechtse stokpaardjes’ maar dat deed hij niet want Pronk is geen politieke straatvechter. Met rationele, goed onderbouwde argumenten probeert hij zijn tegenstanders te overtuigen. Te vaak, zo lees je in zijn aantekeningen, was kritiek op zijn beleid echter niet gebaseerd op ontwikkeling-economische maar op ideologische argumenten. Door de verschillende hoofdstukken heen lees je dan ook hoe tot zijn spijt een sociaaldemocratisch beleid, begonnen in de jaren zeventig, eindigde in het huidige neoliberale beleid. Pronk staat zeer kritisch ten opzichte van het huidige Nederlandse en het huidige internationale beleid. De middenklasse als stagnerende factor ‘Het verlicht eigenbelang van de middenklasse binnen de nationale staat van weleer maakte plaats voor de zelfgenoegzaamheid van de wereldwijde middenklasse van thans.’ Deze door Pronk neer gezette duidelijke stellingname is in tegenspraak met de door veel politici en activisten gekoesterde politiek-strategische hoop en verwachting dat verlicht eigenbelang vroeg of laat noodzakelijkerwijze gunstig kan uitpakken voor de positie van de armen. Dit stemt somber en vergt enige uitwerking. Die uitwerking staat onder het kopje ‘De armen zijn kennelijk niet meer nodig’. Directe armoedebestrijding aldus Pronk wordt keer op keer onder anderen in het WRR-rapport van enkele jaren terug ondergeschikt gemaakt aan economische groei en het bevorderen van het ontstaan van een brede middenklasse, die zou moeten zorgen voor stabiliteit en als motor voor economische groei en het geleidelijk opheffen van de armoede. Pronk gelooft niet meer in de positieve rol die de middenklasse wordt toegedicht. In het verleden heeft die klasse wellicht die rol gespeeld, schrijft hij, maar de huidige middenklasse – wereldwijd rond 40 procent van de bevolking – is alleen maar uit op handhaving en uitbreiding van haar belangen. De naoorlogse keuze voor een verzorgingsstaat in Europa was mede gebaseerd op het verlicht eigenbelang van de rijken en de middenklasse. Echter: hoe meer de economie globaliseerde, hoe meer dat verlicht eigenbelang aan betekenis verloor. De armen waren steeds minder nodig, hun arbeid werd vervangen door kapitaal en nieuwe technologie en hun koopkracht kon gemist worden want de wereldwijde middenklasse is vooralsnog omvangrijk genoeg. Keer op keer komt zijn teleurstelling over de rol van de middenklasse terug. De hoge economische groei zoals de laatste decennia in China en India heeft, zo betoogt hij, door de keuze van een liberaal economische model ‘aan de onderkant van de inkomenspiramide niet tot minder armoede geleid, wel tot grotere ongelijkheid’. Vooral kritiek Nou ben ik geen voorstander van een liberaal economisch model maar hier begon ik toch aan de stellige uitspraak van Pronk te twijfelen. Is er dan, ondanks de scheve inkomensverdeling en de toenemende ongelijkheid, helemaal geen verbetering opgetreden voor de armen? Een korte speurtocht op Google leverde mij andere (zoals VN) cijfers. Wereldwijd is het percentage mensen wat leefde onder extreme armoede tussen 1990 en 2014 gedaald van 18,9 procent naar 11,4 procent. In China is het percentage mensen onder de armoedegrens van 1990 tot 2013 gedaald van 60,2 procent tot 10 procent en in India in ongeveer dezelfde periode van 51 procent tot 22 procent. Dat er nog heel wat moet veranderen, zeker aan een versmalling van de inkomenskloof staat buiten kijf maar het verhaal van Pronk is wel heel somber. Pronks beschouwingen zijn veelal zeer kritisch en weinig hoopvol ten aanzien van het bestaande beleid en daarbinnen ziet hij weinig lichtpuntjes. De meeste hoofdstukken zijn kritische beschouwingen over het lopende beleid waarna hij puntsgewijs, kort en krachtig aangeeft hoe het wel zou moeten. Of en hoeverre zijn stellingen kans maken ooit overgenomen te worden door de huidige of toekomstige beleidsmakers is onduidelijk. De stellige puntsgewijze opsomming van zijn visie kan leiden tot stevige en levendige discussies. In een wereld waar pragmatisme de plaats heeft ingenomen van visionaire morele principes is dit een welkome aanvulling. Het is wel te hopen dat deze discussies zullen leiden tot realiseerbare toekomstperspectieven. Het boek eindigt met het hoofdstuk ‘Post-2015’ waarin hij zich beurtelings kritisch en gematigd positief uitlaat over de Millenniumdoelen en de daarop volgende Post-2015 Global Agenda. Na beschrijving en commentaar komt hij tot de volgende conclusie: ‘Net zoals in het jaar 2000 de internationale organisaties onvoldoende politiek en juridisch waren geëquipeerd om de Millennium Ontwikkelingsdeclaratie tot uitvoering te brengen, zij thans de capaciteit missen om de Post-2015 Global Agenda te realiseren.’ Aangezien Global Agenda de titel meekreeg ‘Transforming Our World’ eindigt Pronk toch nog met een positieve noot. Want zo schrijft hij: De keuze van het woord transformeren duidt op geloof in maakbaarheid. Dus toch. En de beide woorden die daarop volgen laten geen misverstand. Het is Onze Wereld, van ons allen. Dat verplicht. Het boek ‘Op zoek naar een nieuwe kaart’ van Jan Pronk kost 17,50 euro en is te bestellen via de boekhandel of via www.lmpublishers.nl

Razernij om Trump, stilte over Bolkestein?

Door Ayaan Abukar | 16 januari 2018

In het NRC Handelsblad van 10 januari deed VVD-coryfee Frits Bolkestein de opmerkelijke oproep om immigratie af te remmen door te investeren in geboortebeperking. Ayaan Abukar stelt er de feiten tegenover en legt de hypocrisie van het Nederlandse debat bloot.

Lees artikel

New York sleept olie-industrie voor de rechter wegens klimaatverandering: begin van een wereldwijde trend?

Door Dominique van de Kamp | 12 januari 2018

De stad New York spant een rechtszaak aan tegen Shell, BP, Exxon Mobil, Chevron en ConocoPhilips voor hun bijdrage aan de opwarming van de aarde. Is dit het begin van een nieuwe trend?

Lees artikel

Save the date: Het Grote Palmoliedebat

Door Vice Versa | 08 januari 2018

Je ziet of proeft het niet, maar het is overal. Het zit in onze hazelnootpasta, in onze shampoo en steeds vaker ook in onze benzinetank. Het wordt verwerkt in onze voeding, cosmetica en biobrandstoffen. We hebben het hier over palmolie. Grote stukken regenwoud worden omgehakt om plaats te maken voor de productie van palmolie. Waarom? Palmolie is een supergewas: grote opbrengst, lage kosten.

Lees artikel