Door: Ellen Mangnus
14 juni 2017

Categorieën

Inclusieve handel hoort zowel het bedrijf als de lokale bevolking ten goede te komen. Hoe pakt dat uit in de praktijk? Een tweede casestudie: een door Nederland ondersteunde exporteur van haricots verts. De export van boontjes biedt boeren kansen, mits ze voldoende middelen hebben om hun land te irrigeren.

Kenia, 1989. De koffieprijzen zijn dramatisch laag. Door de liberalisering van de markt kan de overheid de boeren niet langer een goed tarief garanderen – rampzalig voor een economie die op het zwarte goedje draait. Koffie is er de koning, al jarenlang. Hij financiert de wegen, schooltjes en ziekenhuizen.

Duizenden boeren in het weelderige en groene midden van Kenia zoeken naar andere manieren van levensonderhoud. Tuinbouw en zuivel lijken een kans te zijn: vanuit de steden is er een groeiende vraag naar tomaten, sla en andere groenten. Het biedt boeren het inkomen van contant geld dat ze eerder met koffie verdienden. Al snel ontdekken handelaren het potentieel van dit vruchtbare gebied en moedigen ze de boeren aan om haricots verts voor de Europese markt te kweken. De bonen worden erkend voor hun goede smaak en kwaliteit en de regio trekt nu ook agro-exportbedrijven aan. Steeds meer boeren stappen over op haricots verts, de korte productiecyclus – van 45 tot 74 dagen – biedt de boeren een regelmatig inkomen. Vandaag de dag zijn de boontjes goed voor min of meer de helft van de totale hoeveelheid geëxporteerde groenten.

De Keniaanse tuinbouwsector heeft echter een zware tijd, door internationale voedselveiligheidseisen en andere kwaliteitsnormen. Begin 2014 is Kenia door de EU zelfs beschuldigd van export van groente met een onaanvaardbaar hoog residu aan bestrijdingsmiddel. Sindsdien voeren zowel de Europese als ook de Keniaanse overheid willekeurige controles uit. Naast de veiligheidsstandaarden moet de boon er stralend uitzien om toegelaten te worden tot de Europese markt. Al is de smaak nog zo goed, om een paar donkere spikkeltjes wordt de boon geweigerd – en zo wordt ongeveer een kwart van alle Keniaanse bonen weggegooid. Almaar meer importeurs eisen ook dat de boon geproduceerd is volgens de aanbevolen ‘goede landbouwpraktijken’, waarvoor de boeren een certificaat behoeven.

Het merendeel van de bonen, zeventig procent, wordt geproduceerd door kleine boeren. Voor hen is het een kostbare zaak om te moeten voldoen aan al deze eisen, velen lopen nu het risico op uitsluiting van een sector die eens zo veelbelovend leek.

Een publiek-privaat partnerschap om boeren te helpen

‘Inclusieve handel, waarbij kleine boeren in Kenia worden betrokken, voert voornamelijk via publiek-private partnerschappen’, legt James Wangu uit. ‘Bedrijven zoeken partnerschappen met ngo’s om hun sociale doelstellingen te realiseren.’

James Wangu is promovendus bij het Follow the Food-programma van de Universiteit Utrecht, dat gefinancierd wordt door NWO-Wotro en dat de impact van Nederlandse investeringen in de landbouwindustrie in Kenia, Ethiopië en Ghana op lokale voedselzekerheid onderzoekt.

Een van de zaken die Wangu bestudeert is Bean*, een Keniaans bedrijf dat haricots verts naar Frankrijk en Duitsland exporteert. Bonduelle is een van Beans afnemers. Bean is lid van een publiek-particulier partnerschap dat ondersteuning krijgt van FDOV (de Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid, bij Buitenlandse Zaken).

Het partnerschap beoogt de levensvatbaarheid en veerkracht van 48.500 individuele kleine boeren te verbeteren door in te zetten op verbetering van de productiviteit van hoogwaardige groente en zuivel. Het onderliggende idee is dat traditionele gewassen als maïs en granen voor de boeren geen zoden aan de dijk zetten. Om echt vooruit te komen, moeten ze overschakelen op intensieve en hoogwaardige teelt als groente voor de export.

Om dat te bereiken zal het project in vijf jaar tijd 5,4 miljoen euro investeren – daarvan komt 49 procent van FDOV en 51 procent wordt ingelegd door de verschillende projectpartners. Bean draagt ​ aan het project bij door een verwerkingsfaciliteit op te zetten die de bonen kan inblikken.

Lokaal inblikken zorgt voor minder verlies na de oogst en voor hogere prijzen, omdat er waarde is toegevoegd – zo kan Bean de boeren een betere prijs betalen. Zijn gedeelte van de FDOV-subsidie zet Bean in ​​om boeren op te leiden in goede landbouwpraktijken en irrigatiebeheer en hen te voorzien van input. Daarnaast bouwde het bedrijf ook tien collectiecentra, zodat niet iedere boer zijn groente naar de hoofdvestiging moet brengen.

 

Kleine boeren, kleine winsten

Wangu is net terug van veldonderzoek in Tharaka Nithi, een van de dorpen waarin boeren verkopen aan Bean. Hij schetst de uitdagende context waarin boeren proberen te voorzien in hun levensonderhoud.

‘Het eerste probleem betreft land: kleine boeren in Tharaka Nithi hebben gemiddeld minder dan een hectare voor al hun verschillende gewassen. Door de bevolkingsgroei en landfragmentatie krimpen de hoeveelheden zelfs. Het economische potentieel van de boerderijen neemt steeds verder af.’

Hij vervolgt: ‘Terwijl veel van het land dat door kleine boeren wordt bewerkt zeer vruchtbaar is, is toegang tot water een belangrijk obstakel voor consistente productie. De situatie is verergerd door de impact van klimaatverandering, die droogte en verandering in regenpatronen teweegbrengt.’

Een derde probleem, volgens Wangu, is het gebrek aan toegang tot kwalitatieve input en technologie: ‘De meeste – zo niet alle – kleine boeren hebben niet de financiële capaciteit om die te verwerven, om gewassen te produceren binnen de normen die op de Europese markten worden verwacht. Als gevolg hiervan is hun productiviteit beperkt, wat weer zorgt voor lage inkomsten.’

 

Inclusieve ontwikkeling?

Gezien de beperkingen die de boeren in Tharaka Nithi ervaren, kun je zo een lijst voordelen opstellen die samenwerking met een bedrijf als Bean zou kunnen opleveren.

Wangu geeft een aantal voorbeelden: ‘De input die het bedrijf biedt, stelt boeren in staat hun productie te verhogen. Daarnaast helpen de trainingen in goede landbouwpraktijken hen de kwaliteit en kwantiteit te verbeteren. En: het bedrijf biedt de kleine boer toegang tot de Europese markt.’

Volgens Wangu moeten we wel voorzichtig zijn met het rondstrooien van de term ‘inclusieve bedrijf’. Hij leg uit: ‘Een groot aantal boeren kan niet deelnemen aan contractschema’s zoals die van Bean, boerderij-gerelateerde belemmeringen beperken hun mogelijkheden.’

De productie van haricots verts is zeer waterintensief en daarom is constante toegang tot water noodzakelijk, zegt hij. ‘In Tharaka Nithi kunnen boeren alleen bonen produceren als ze toegang hebben tot irrigatie, wat kostbaar is – maar tien procent van de boeren kan dat bekostigen. De boeren die aan Bean kunnen leveren zijn dus relatief welgesteld, en zij zijn ook de boeren die input krijgen en getraind worden. Het partnerschap, dat zich op inclusieve groei richt, zou zo juist kunnen bijdragen aan toenemende ongelijkheid.’

Uit onderzoek van Wangu blijkt dat de invoervoorziening en training weinig invloed hebben op de levensvatbaarheid van kleine bedrijven, vanwege de kleine omvang van hun bonenproductie.

 

Hoe valt inclusieve ontwikkeling te bereiken?

Werkelijk inclusieve ontwikkeling kan volgens Wangu alleen behaald worden wanneer iedereen toegang heeft tot een minimum aan basisvoorzieningen.

In het geval van Tharaka Nithi gaat het dan onder meer om toegang tot water. ‘Publieke watervoorziening zou alle boeren de mogelijkheid geven aan een bedrijf als Bean te leveren’, zegt hij. ‘In plaats van het ondersteunen van de relatief welvarende boeren, zou het ontwikkelingsbudget meer impact hebben als er geïnvesteerd zou worden in publieke voorzieningen die alle boeren de kans biedt hun bedrijf verder te ontwikkelen.’

 

*Bean is de gefingeerde naam voor een werkelijk bedrijf. Omdat James Wangu nog volop bezig is met zijn onderzoek en pas in een later stadium resultaten lokaal kan delen, hebben we ervoor gekozen het partnerschap anoniem te houden.

Respect voor bevallende vrouwen wereldwijd

Door Vice Versa | 18 december 2017

In 2010, toe zij voor het laatste deel van haar studie geneeskunde in Suriname zat, schreef Irene de Vries met regelmaat wegblogs voor Vice Versa, Nu, ruim zeven jaar later en onder andere na een intensieve periode als arts in een streekziekenhuis in Zambia, pakt ze de draad van het schrijven weer op. In deze eerste bijdrage breekt ze een lans voor bevallende vrouwen wereldwijd.

Lees artikel

Vrijdagmiddagborrel: Hoe inclusief zijn wij zelf?

Door Marc Broere | 15 december 2017

In de nieuwe Vice Versa veel aandacht voor diversiteit en inclusiviteit. In plaats van dat maatschappelijke organisaties hiervan de voordelen zien, blijken er vooral veel vooroordelen te zijn, schrijft Marc Broere in zijn Vrijdagmiddagborrel.

Lees artikel

Goede, betaalbare gezondheidszorg voor iedereen: een gedeelde ambitie voor 2030

Door Vice Versa | 12 december 2017

Ieder jaar, op 12 december, voeren organisaties actie voor het recht op goede en betaalbare gezondheidszorg voor iedereen. In deze opiniebijdrage pleit Petra van Haren (Cordaid) voor een verdubbeling van het Nederlandse ontwikkelingsbudget hiervoor.

Lees artikel