Inclusieve handel hoort zowel het bedrijf als de lokale bevolking ten goede te komen. Hoe doe je dat? Een casestudie: het door Nederland ondersteunde windkrachtproject in Kenia. Handel op basis van wind werkt èn blijkt precair.

Met de hulp- en handelsagenda beoogt de Nederlandse overheid economische groei en ontwikkeling te stimuleren die inclusief is. Ze vraagt de bedrijven die ze ondersteunt in ontwikkelingslanden dus ‘inclusief’ te werken. Maar hoe ziet een inclusief bedrijfsmodel eruit?

De Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN somt de volgende kenmerken ervan op:

  • Het bedrijf betaalt een leefbaar loon voor al haar werknemers en toeleveranciers, zoals kleine boeren en kleine bedrijven.
  • Het bedrijf hanteert flexibele afspraken waardoor het voor kleine boeren en bedrijven mogelijk wordt te leveren, zoals hen contant te betalen bij levering, acceptatie van kleine leveringen en de garantie om regelmatig bij hen af te nemen.
  • Het bedrijf ondersteunt kleine boeren en bedrijfjes in het verbeteren van hun onderhandelingspositie door financiële diensten als leningen, trainingen en het delen van marktinformatie.
  • Het bedrijf is geen concurrent maar bouwt voort op vaardigheden en expertise van bestaande marktspelers, zoals handelaren en verwerkers, en moedigt samenwerking aan.
  • Het bedrijfsmodel is schaalbaar, zodat het in de toekomst nog meer boeren en kleine toeleveranciers van een markt kan voorzien.
  • Het bedrijf kan verschillende inkomstenstromen genereren en draagt expertise over aan de rest van de sector, zodat te grote afhankelijkheid van één inkoper of werkgever voorkomen wordt.

Wanneer een bedrijf aan bovenstaande kenmerken voldoet, mag verwacht worden dat het bijdraagt aan ‘inclusieve economische ontwikkeling’.

De vraag is: Hoe doen de door Nederland ondersteunde bedrijven het in de praktijk? Daarover gaat deze eerste casestudie.

Het Lake Turkana Wind Power-project

Sinds 1980 ging een in Nairobi gevestigde Nederlandse ondernemer op vakantie bij het Turkana meer in het uiterste noorden van Kenia. Iedere keer weer was hij hevig onder de indruk van de uitgestrekte vlakte. En in het bijzonder van de onophoudelijke en stevige wind. Aan den lijve ondervindend hoe Kenia kampt met energietekorten, dacht hij: ‘Hier moeten we wat mee doen.’ In 2006 zou hij eindelijk zijn idee voor een ‘windboerderij’ handen en voeten geven. Acht jaar kostte het voor hij het juiste consortium bij elkaar had en daarmee het plan financieel rond. In 2014 ging men van start.

Het windkrachtplan is een mega duurzame-energieproject – met een budget van 620 miljoen euro zelfs de grootste private investering in het land. De 365 windmolens zullen per jaar 310 megawatt aan energie aan het Keniaanse netwerk leveren en daarmee voorzien in ongeveer vijftien procent van de nationale energiebehoefte.

Agnieszka Kazimierczuk

Agnieszka Kazimierczuk, een junior-onderzoeker verbonden aan INCLUDE, het kennisplatform voor inclusieve ontwikkeling in Afrika, bestudeert de impact van het Lake Turkana Wind Power-project (LTWP) op werkgelegenheid en sociale relaties van de lokale bevolking. Dat vraagt het ontwarren van een zeer complexe context.

Stel je voor: een oneindige vlakte, tot in de verste verte zie je enkel steen en zand. En om je heen waait een loeiharde wind, onafgebroken. Hier in de verlaten en door de overheid veronachtzaamde Marsabit-regio leven enkel nomadengroepen, en onderling heerst er veel wantrouwen. Net zoals jegens buitenstaanders.

‘Het gebied is wat professor Ton Dietz “het verwaarloosde Afrika” zou noemen. In tegenstelling tot het “voorspoedige Afrika”

Kazimierczuk vertelt: ‘Het gebied is wat professor Ton Dietz “het verwaarloosde Afrika” zou noemen. In tegenstelling tot het “voorspoedige Afrika” – alle productieve, kansrijke gebieden rondom de grote steden, mijngebieden of wildparken – kenmerkt het verwaarloosde deel zich door ontvolkte randgebieden die infrastructuur en werkgelegenheden ontberen en daarmee een voedingsbodem zijn voor chaos en rebellie.’

De weg die voor het project aangelegd is en de gecreëerde werkgelegenheid kunnen het desolate gebied transformeren in een voorspoedig Afrika, aldus Kazimierczuk.

Welke veranderingen heeft het project teweeggebracht?

Kazimierczuk somt een waslijst aan positieve effecten van het project op. De windboerderij heeft eraan bijgedragen dat de regio eindelijk toegang heeft tot de rest van de wereld. Om de windmolens, gefabriceerd in China, van de haven van Mombassa naar het gebied te krijgen was een goede weg nodig. De Nederlandse overheid ondersteunde, via de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, de aanleg van een tweehonderd kilometer lange weg.

Daarmee werd het gebied ontsloten; het eerder onbenutte potentieel manifesteerde zich vrijwel direct. Handel floreert er nu, mensen uit andere delen van Kenia reizen naar het noorden om er geiten te kopen. Een tweedaagse busdienst tussen het stadje Loiyangalani met de districtshoofdstad Marsabit zorgt ervoor dat er nu ook gedroogde vis en gedroogd vlees te koop is. De beschikbaarheid van voedsel is gestegen; daardoor is het dieet van de families meer divers geworden. Er zijn nu zelfs M-Pesa-winkels, barretjes en simpele restaurantjes.

Het contante geld dat nu in het district circuleert biedt de families enige zekerheid. Ze investeren nu in het uitbreiden van hun kudde of het verbeteren van hun winkeltje. Ze sparen geld en kunnen ook scholing voor hun kinderen betalen. Kazimierczuk voegt toe: ‘Ook in de dorpen verder bij de windboerderij vandaan ervaren mensen een positief effect. Uit mijn interviews met dorpsleiders blijkt dat de veiligheid in de gehele regio toegenomen is. Sinds de aanwezigheid van de veiligheidsdiensten op de windboerderij durven de twistende etnische groepen geen vee meer van elkaar te stelen.’

Maar het is niet allemaal rozengeur en maneschijn. Het dorpje dat zich in de windboerderij bevindt, Sarima, groeide van vijfhonderd nomadische Turkana tot een kosmopolitische gemeenschap van vijftienhonderd inwoners, onder wie semipermanente bewoners. Die groei zorgde niet alleen voor veel indirecte bedrijvigheid – van restaurantjes, winkels –, maar ook voor ‘culturele vervuiling’, zoals prostitutie, toegenomen alcoholconsumptie, verspreiding van ziekten en een grotere druk op de natuurlijke hulpbronnen. Sommige gemeenschapsleiders stellen zelfs dat de windboerderij de spanningen tussen de groepen heeft aangewakkerd en dat land was verkregen zonder voldoende consultatie (de Volkskrant, 2015).

Kazimierczuk legt uit: ‘In veel megalomane projecten is het samenwerken met de lokale bevolking de grootste uitdaging. In dit geval betichten de elkaar wantrouwende etnische groepen het project er al snel van de andere groep te bevoordelen. Ze stelden dat de lokale politiek en nepotisme zorgden voor een ongelijke verdeling van de banen. Om onrust te voorkomen schakelde LTWP een personeelsmanager in die samen met de dorpsleiders zorgt voor een eerlijke verdeling van banen onder de verschillende gemeenschappen.’

Het windkrachtproject heeft in de aanlegfase aan zo’n duizend mensen (tijdelijk) werk geboden. Voor het verdere onderhoud van de boerderij zullen ongeveer tweehonderd werknemers nodig zijn. In eerste instantie wilde men daarvoor lokale bewoners opleiden. Dat blijkt onhaalbaar; veel van de seminomaden hebben geen enkele scholing – technici en windenergie-experts zullen dus in Nairobi geworven worden. Voor de lokale bevolking zullen er wel banen als kok, schoonmaker en beveiliger zijn.

Via het uitgebreide mvo-programma van het project wordt ondersteuning aan scholen geboden. Het fonds (een half miljoen euro per jaar, twintig jaar lang) zal gespendeerd worden met input vanuit de gemeenschappen. Tot zover zijn er waterprojecten geïmplementeerd en zijn er scholen voorzien van zonnepanelen, bureaus en boeken. Ook hebben ze een groep lokale elektriciens getraind tot experts op zonnepaneelvlak.

Valt dit onder ‘inclusieve ontwikkeling’?

Draagt LTWP bij aan inclusieve ontwikkeling? De criteria van de Voedsel- en Landbouworganisatie in ogenschouw nemend: Het project draagt kennis over, maar voornamelijk aan mensen buiten de regio. Het project heeft een contract van twintig jaar met de overheid en zal weinig concurrentie ondervinden. En als enige werkgever in de regio is de lokale bevolking sterk afhankelijk van het bedrijf voor inkomsten.

De toekomst ziet er ongewis uit: de piek in werkgelegenheid al achter de rug; alle windmolens staan nu overeind. Wat zal er gebeuren met alle economische bedrijvigheid als de hoeveelheid geld in de regio afneemt doordat er minder mensen werk vinden op de windboerderij? Blijven de verschillende etnische groepen het bedrijf goedgezind?

‘Ik zou dit wel inclusief zakendoen noemen’, zegt Kazimierczuk. ‘Je moet bedenken dat dit gebied door de staat verwaarloosd was, tòt dit project er kwam. De Keniaanse overheid was er zo goed als afwezig; er was amper scholing, gezondheidszorg of werkgelegenheid. Het project draagt positief bij aan het milieu en aan de energiebehoefte van de Kenianen. De bevolking is zo weinig opgeleid dat ze elders in het land ook geen goede banen kan vinden. Een privaat project als LKTW biedt de regio mogelijkheden die het anders niet gehad zou hebben. Het doet dit op een transparante manier en probeert oprecht de bewoners kansen te geven. Verder zet LTWP zich actief in om andere bedrijven naar de regio te trekken.’

Inclusieve ontwikkeling vereist begrip van en betrokkenheid bij de lokale dynamiek.

Maar zolang de overheid geen regulering of initiatief treft, is het maar de vraag of de private sector bij kan dragen aan duurzame verbetering. Kazimierczuk legt uit: ‘De overheid zou het weleens fijn kunnen vinden dat ze niet zelf hoeft te investeren in infrastructuur en scholing.

Voor Kazimierczuk is de belangrijkste les tot zover dat het vallen of slagen van een gigantisch project als LTWP afhangt van de interactie met de lokale bevolking. Inclusieve ontwikkeling vereist begrip van en betrokkenheid bij de lokale dynamiek.

Vanaf maandag 22 mei gaan we de balans opmaken van het hulp en handelsbeleid van minister Ploumen. Op vrijdag 16 juni gaan we het komende kabinet vast de nodige munitie aanreiken over wat het beste behouden kan blijven en wat beter veranderd zou kunnen worden.

Ellen Mangnus

Ellen Mangnus is onderzoeker bij de Universiteit van Utrecht in het ‘Follow the Food programma’,  een onderzoek naar de impact van Nederlandse investeringen op lokale voedselzekerheid in Ghana, Ethiopië en Kenia. Eerder werkte ze bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Ze promoveerde in september 2015 met haar proefschrift over de praktijk van kleine handelaren in West-Afrika. Samen met Marc Broere schreef ze het boek ‘Minder hypes, meer Hippocrates.’

‘Beter één geweldige publicatie dan tien middelmatige’

Door Selma Zijlstra | 18 juli 2017

Hoe zorg je ervoor dat wetenschappers meer doen aan de maatschappelijke bijdrage van hun onderzoek, zonder dat ze bezwijken onder de werkdruk? Vice Versa spreekt erover met Rianne Letschert, rector aan de Universiteit Maastricht.

Lees artikel

Vice Versa Masterclass: Leiderschap in een veranderende wereld

Door Vice Versa | 13 juli 2017

Vice Versa presenteer Masterclass: Leiderschap in een veranderende wereld

Lees artikel

Brief aan de lezer

Door Marc Broere | 07 juli 2017

Brief aan de lezer -Marc Broere’s laatste column voor de zomervakantie

Lees artikel