Door: Eva Huson
29 maart 2018

Tags

In opvangland Libanon wil de regering dat alle kinderen, ongeacht nationaliteit, naar school gaan. Maar dat lukt niet; de helft van de Syrische kinderen volgt geen onderwijs. Wat gaat er mis?

Vanonder haar springerige pony tuurt de achtjarige Wafa geconcentreerd naar de Arabische letters. De meeste tekens op de poster in haar fleurige klaslokaal kent de Syrische nog niet, maar de letter ‘ba’ al wel. ‘Binnenkort hoop ik alles te kunnen lezen, net als mijn vader’, zegt ze trots.

Drie jaar terug vluchtte Wafa met haar familie vanuit Aleppo naar buurland Libanon. Nu krijgt ze hier, in het groene studiecentrum in hartje Tripoli, de tweede stad van het land, sinds een week voor het eerst in haar leven les. Vijf dagen per week, vier uur per dag.

De gevluchte Wafa (8) uit Syrië gaat naar een informele school in Libanon.

Het onderwijsprogramma is de springplank naar het reguliere Libanese onderwijs. Althans, op termijn. Eerst zal Wafa in achttien weken leren lezen en schrijven, daarna volgt een eenjarig traject waarin de scholiere in spe ook rekenen en Frans of Engels krijgt. Met een beetje geluk kan ze zich medio 2019 op een ‘echte school’ inschrijven.

En dat strookt precies met de wens van de Libanese regering die sinds 2016 ijvert om alle kinderen in het land, ongeacht nationaliteit of verblijfstatus, de schoolbankjes in te krijgen. Het is een ambitie die de Europese Unie deelt en aanmoedigt met geld uit het Madad-fonds, de Europese pot met 1,4 miljard euro voor opvang van Syriërs ‘in de regio’.

Het leeuwendeel daarvan gaat naar onderwijsprojecten, omdat – zo verklaarde EU-buitenlandcoördinator Federica Mogherini – onderwijs de Syrische jeugd ‘hoop geeft’ en ‘het beste wapen tegen haat en radicalisering’ is. Ook het studieprogramma dat Wafa volgt, getiteld Back to the Future, is door hulporganisaties War Child, Terre des Hommes en de AVSI Foundation opgetuigd met EU-geld.

Maar terwijl het Syrisch conflict al zijn achtste jaar is ingegaan, zijn Wafa en haar nieuwe klasgenoten in Libanon eerder uitzondering dan regel. Volgens cijfers van VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR gaat bijna de helft van de leerplichtige Syriërs in het land nog altijd niet naar school.

Hoe kan dat?

De tweede ronde

De meest evidente verklaring is het tekort aan plaats in de schoolbankjes. In Libanon wonen nu zo’n anderhalf miljoen Syriërs, onder wie zeker een half miljoen leerplichtige kinderen, een aanwas waar Libanese scholen niet op berekend zijn. Het ministerie van Onderwijs besloot daarom in 2014 de deuren van publieke scholen ’s middags te openen voor een zogenoemde ‘tweede ronde’, een extra sessie voor vluchtelingenkinderen die het opgerekte onderwijssysteem soelaas moet bieden. Dit schooljaar doen 348 van Libanons dertienhonderd publieke scholen mee.

Maar uit cijfers van hulporganisatie Save the Children blijkt dat je het probleem daarmee niet oplost. Vorig schooljaar maakten enkel 136.500 Syrische scholieren gebruik van de in totaal tweehonderdduizend beschikbare plaatsen. Logisch, vindt Katya Marino, hoofd educatie bij Unicef Libanon: ‘De meeste Syriërs worden opgevangen op het platteland of in afgelegen grensdistricten, maar daar vind je minder scholen. Als het inwonertal van een bergdorpje verdrievoudigt, is het onmogelijk om alle vluchtelingenkinderen met enkel één extra onderwijsronde te helpen.’

Het aantal schoolinschrijvingen wordt verder gedrukt door de leerachterstand van vluchtelingenkinderen. Marino: ‘Velen zagen jarenlang geen klaslokaal en moeten eerst een bijspijkercursus volgen om mee te kunnen komen op een reguliere school.’ Ook de taal speelt Syrische scholieren parten. Want terwijl de voertaal op Syrische scholen Arabisch is, geven Libanese docenten les in het Frans of Engels. Niet gek dus dat volgens het ministerie van Onderwijs zeker 45.000 Syriërs de schoolbankjes verlieten in de eerste vier maanden van dit schooljaar.

Hulporganisaties bieden taalles aan en bijspijkeronderwijs zoals het Back to the Future-programma dat de achtjarige Wafa volgt. ‘Kinderen hebben een lange weg te gaan en natuurlijk kost het flink wat tijd voor je in het Frans kunt rekenen of een vak als natuurkunde kunt volgen’, bevestigt Myriam Sassine, werkzaam bij hulporganisatie War Child in Tripoli. ‘Maar alle beetjes helpen. Kinderen behouden zo ook hun schoolritme en hebben een plek om te ontspannen.’

 

Verblijfspapieren

Momenteel volgt vijftien procent van de vluchtelingenkinderen dit soort informeel onderwijs. Dat kinderen regelmatig verhuizen vanwege wisselende onderkomens, maakt het lastig om iedereen binnenboord te houden. Ook is het onduidelijk hoeveel van de kinderen uiteindelijk doorstromen naar het reguliere onderwijs. ‘De data ontbreken’, bekent Rabab Hakim, hulpverlener bij Terre des Hommes in Libanon. ‘Libanese scholen houden dat niet bij, waardoor we de kinderen – tot onze spijt – uit het oog verliezen als onze programma’s eindigen.’

Volgens mensenrechtenorganisaties bemoeilijken bureaucratische barrières de overstap naar regulier onderwijs. Op papier hoeven Syrische kinderen bij hun schoolinschrijving geen documenten zoals een verblijfsvergunning te laten zien, maar Human Rights Watch waarschuwt dat schooldirecteuren daar in de praktijk wel degelijk om vragen. Een kwalijke zaak, want zeker tachtig procent van de Syriërs leeft zonder verblijfspapieren in Libanon – reden voor sommige ouders om, uit angst voor detentie en andere problemen, hun kinderen thuis te houden.

Ook het lage niveau van het reguliere onderwijs belemmert de doorstroom. Syrische scholieren blijven volgens Hakim van Terre des Hommes soms liever plakken in de studiecentra van hulporganisaties dan over te stappen naar de ‘echte scholen’ waar goede docenten en persoonlijke aandacht ontbreken. Veelzeggend is dat zeventig procent van de Libanese kinderen naar een privéschool gaat, wat voor maar tien procent van de Syrische kinderen in Libanon is weggelegd.

Op de burelen van het ministerie van Educatie ligt inmiddels een meerjarig onderwijsplan dat de capaciteit en kwaliteit van de Libanese scholen tegen 2020 flink moet hebben opgekrikt. Naast de tweede sessie-regeling investeert de regering nu ook in nieuwe klaslokalen, het opleiden van docenten en een betere onderwijsinspectie; een hervormingspakket dat jaarlijks 350 miljoen dollar kost.

Maar het valt te betwijfelen of het de regering met deze maatregelen wel lukt om alle Syrische kinderen naar school te krijgen. Want wie naar de Libanese akkers afreist, leert al snel dat er achter het lage aantal schoolinschrijvingen nog een netelige kwestie schuilt: de groeiende armoede onder Syrische vluchtelingen.

Ahmed (14), gevlucht uit Syrië, gaat in Libanon niet naar school en werkt als hulpje in een garage.

 

Geen geld voor school

‘Stom.’ Zo noemt Ahmed Nawfal (14), gekleed in een grijs trainingspak, zijn baantje bij de garage op de hoek. De Syriër uit Idlib staat naast zijn tent in de Bekaavallei, het agrarische hart van Libanon, gelegen bij de Syrische grens. Ahmed werpt een stuurse blik op zijn vader die even verderop staat. Zelf wil de tiener graag naar school, maar zijn vader ziet liever dat er brood op de plank komt.

De vader kan vanwege diens kwakkelende gezondheid zelf niet werken en de paar tientjes die het negenkoppige gezin maandelijks krijgt toegestopt van hulporganisaties zijn onvoldoende om alle monden te voeden – om maar te zwijgen over de huur van hun tent. En dus werkt Ahmed, zijn oudste zoon, dagelijks van negen tot negen in de benzinestank als hulpje van een Libanese monteur. De opbrengst? ‘Nog geen zes dollar per week’, mompelt Ahmed.

De situatie van de Nawfals is tekenend voor de nijpende positie van een groeiend aantal Syriërs in Libanon. Uit onderzoek van de Verenigde Naties blijkt dat driekwart van de Syrische vluchtelingen onder de armoedegrens leeft. Het leeuwendeel daarvan worstelt zelfs met extreme armoede en heeft minder dan 1,90 dollar per dag te besteden. Daarbij heeft negentig procent van de vluchtelingen zich noodgedwongen in de schulden gestoken en verkochten velen hun huis in Syrië en andere waardevolle eigendommen. Die neerwaartse spiraal wordt gevoed doordat Syriërs moeilijk aan een werkvergunning komen en enkel in bepaalde sectoren – landarbeid, bouw of schoonmaak – mogen werken. Ook het gebrek aan de juiste verblijfspapieren houdt ouders, net als hun kinderen, thuis.


Tomatenplukkers

De groeiende armoede ontziet ook leerplichtige kinderen niet. Hoewel precieze cijfers ontbreken, waarschuwen onderwijsexperts zoals Kevin Watkins dat de stijgende vluchtelingenarmoede vrijwel zeker de kiem is voor een ander groeiend probleem in Libanon: kinderarbeid. Door slinkend spaargeld en beperkte werkmogelijkheden, sturen ouders hun kinderen de arbeidsmarkt op. En dus zie je Syrische jongeren op de akkers werken als tomatenplukkers en op straat bedelen, tissues verkopen of auto’s wassen. Hetzelfde geldt voor Syrische kinderbruidjes. Volgens een enquête van de Amerikaanse Universiteit in Beiroet is het aantal kinderhuwelijken in Libanon de afgelopen jaren gestegen.

‘Bij ons is het aardappelseizoen begonnen en ik merk het meteen aan de aanwezigheidslijsten’, bevestigt Nidal al-Saadi, een Syrische hulpverlener bij Sawa, een Syrische hulporganisatie die een aantal studiecentra heeft in de Bekaavallei. ‘In Syrië ging negentig procent van de kinderen naar school’, zegt Al-Saadi, die in Syrië werkzaam was als docent en onderwijsinspecteur. ‘Ouders zien dus het belang van school in en sturen hun kinderen niet zomaar een akker op. Het is een noodmaatregel.’

Garagehulpje Ahmed wist in 2014 aan zijn werkende bestaan te ontsnappen door weg te lopen van huis. ‘Ik was het zo zat’, zegt hij verbeten. In plaats van kauwgom te verkopen, zoals zijn vader hem destijds opdroeg, liftte hij als tienjarige naar Beiroet. Daar verbleef hij vier jaar lang in een opvangcentrum van een Amerikaans particulier initiatief en leerde hij vloeiend Engels spreken.

zodra ik zestien word, ga ik ervandoor. Naar Europa, om eindelijk een mooie wereld te zien.’

Waarom hij nu terug is en in de armoedige Bekaavallei werkt? ‘Toen mijn vader me vond, haalde hij me over om terug te komen en de familie uit de brand te helpen’, zegt Ahmed luid in het Engels. ‘Maar zodra ik zestien word, ga ik ervandoor. Naar Europa, om eindelijk een mooie wereld te zien.’

Al-Saadi van Sawa ziet jongens als Ahmed en hun verhalen met lede ogen aan: ‘Een klaslokaal is voor deze kinderen de enige plek waar ze kunnen ontspannen en ontsnappen aan de spanningen thuis. School is hun beste beschermingsmechanisme.’ Dat vindt Marino van Unicef eveneens: ‘Deze kinderen worden niet alleen uitgebuit, maar gaan straks ook nog eens zonder diploma terug naar Syrië. Daar zijn ze een makkelijke prooi voor extremisten en criminele bendes.’

 

Onbespreekbaar

Hoe je deze akelige situatie verhelpt en een verloren generatie voorkomt? Mogelijk ligt de oplossing in ‘geld-voor-school’-projecten, programma’s waarbij Syrische scholieren in ruil voor hun aanwezigheid maandelijks een flinke som geld krijgen. Op die manier brengen ze geld in het laatje en hoeven ze niet te werken. Unicef en het Wereldvoedselprogramma experimenteren ermee in Libanon en de eerste resultaten van hun proefproject zijn voorzichtig positief.

De Libanese regering nam ook zelf initiatief en kwam met een nationaal actieplan om kinderarbeid aan te vechten, maar dat strandde in een halfslachtige poging. De werknemers van vluchtelingenkinderen werden namelijk buiten schot gehouden. Succesvoller was de grootschalige Back to school-campagne waarin de regering samen met hulpverleners en docenten van deur tot deur trok om ouders over te halen hun kinderen na de zomervakantie naar school te sturen. Het aantal inschrijvingen verdubbelde in sommige regio’s, maar het hoge percentage van schooluitval toont dat het helaas niet om een beklijvend succes gaat. Wellicht zou een campagne om vroegtijdige schoolverlaters terug te winnen uitkomst bieden.

Al moet dan wel eerst een ander probleem worden verholpen: het begrotingstekort van het ministerie van Onderwijs. Want terwijl het schooljaar alweer volop gaande is, is het nog maar de vraag of Libanese leraren hun laatste maanden uitbetaald krijgen. Het ministerie komt nog elf miljoen dollar tekort, waaronder geld voor het lerarenpotje. Hoeveel er voor het komend schooljaar beschikbaar is, blijft onduidelijk – dat moet eerst worden opgehaald tijdens donorconferenties voor Syrië in Parijs en Brussel.

Maar wat Syrische kinderen het meest zou helpen zijn papieren, oftewel verblijfs- en werkvergunningen. Daarmee kunnen ze zonder zorgen naar school lopen en kunnen ouders legaal hun eigen boontjes doppen. Maar juist die droommaatregel is in Libanon onwaarschijnlijk; mede door de broze demografische balans is elke vorm van integratie van Syriërs onbespreekbaar. Dat is kwalijk volgens een rapport van het Overseas Development Institute, want op deze wijze dreigen we te dweilen met de kraan open: ‘Zonder bredere strategie die de grondoorzaken van armoede aanpakt, zal zelfs de meest effectieve onderwijsinterventie tekortschieten.’ En daarmee vat de Britse onderzoeksgroep samen wat iedereen in Libanon eigenlijk al weet: het is vrijwel onmogelijk om alle kinderen in Libanon de schoolbankjes in te krijgen.

 

De Syrische Ahmed (15) gaat ’s ochtends naar school en werkt ’s avonds als kooltjesjongen in een waterpijp-lounge.

 

Waterpijprook

Maar dat geldt niet voor de Syrische Ahmed Chehole (15) die in het propvolle plattelandsdorpje Bar Elias werk en school combineert. Elke middag om klokslag vier uur meldt hij zich bij het wegrestaurant verderop, waarna het tentje zich vult met de weeïge rook van de waterpijpen die hij, als kooltjesjongen, tot één uur ’s nachts laat bubbelen.

Wat hij van het werk vindt? ‘Gaat wel, het moet gewoon.’ Vijf jaar terug ontvluchtte hij samen met zijn broer hun buitenwijk in Damascus en nu staan de twee er hier in Libanon alleen voor. Het baantje levert hem zo’n vijftig dollar per week op, genoeg voor de huur van de kamer die ze samen betrekken. Ahmed: ‘Maar de maandelijkse elektriciteitsrekening betalen lukt niet altijd.’

’s Ochtends is de tiener geheel ergens anders te vinden, in de containers van het informele deeltijdschooltje van een Syrische hulporganisatie. Daar volgt hij een programma voor werkende vluchtelingenkinderen. ‘Dit is de manier bij uitstek om aan mijn toekomst te bouwen’, zegt hij tevreden.

Wel vindt Ahmed, die niet eerder in zijn leven naar school is geweest, het maken van vrienden nog lastig. In de pauze staat hij eigenlijk best wel vaak alleen. Dat zijn handen trillen als hij praat helpt niet. De schoolleiding heeft gezegd dat hij misschien ‘met iemand moet praten’. Toch heeft de tiener het naar zijn zin op school. ‘Ik kan nu eindelijk lezen en schrijven’, zegt hij. Het liefst wil hij Engels leren zodat hij zijn droom kan verwezenlijken: de wereld rondreizen. Zijn eerste bestemming? ‘Duitsland. Daar wonen mijn oude vrienden.’

Eva Huson

Eva Huson is freelance journalist

Vrijdagmiddagborrel: Migratiebeleid met lef loont

Door Marc Broere | 20 april 2018

Een gedurfd beleid op het gebied van migratie en vluchtelingen loont wel degelijk, schrijft Marc Broere in zijn Vrijdagmiddagborrel naar aanleiding van een bezoek aan Palermo. Nederlandse politici zouden zich kunnen laten inspireren door burgemeester Leoluca Orlando.

Lees artikel

Asiel bied je niet alleen

Door Vice Versa | 20 april 2018

Stop met ‘Dublin’ en verdeel asielmigranten eerlijk over Europa. En zorg dat lidstaten hun verantwoordelijkheden nemen en niet afschuiven. Dat schrijft Marthe Hesselmans van het wetenschappelijk bureau van D66 in deze opiniebijdrage.

Lees artikel

De illusie van Afrikaanse grensbewaking

Door Joris Tielens | 18 april 2018

De EU-projecten voor grensbewaking in Afrika om migratie naar Europa te verkleinen, kunnen ook de regionale mobiliteit bìnnen Afrika beperken – die vele malen groter is. Sommige experts twijfelen aan het effect van de miljardenprojecten, anderen zien grenzen ontstaan die er nooit waren. Klein onderzoek naar een nog schimmig speelveld.

Lees artikel