Op het Libanese platteland probeert burgemeester Mohammed al-Majzoub een burenruzie tussen Libanezen en Syrische vluchtelingen te beslechten. Geen eenvoudige opgave in een land waar de vluchtelingenmoeheid is toegeslagen.

Twintig mannen zitten zwijgend in een cirkel. Het enige geluid dat uit de kring ontsnapt is het tikken van de gekleurde gebedskettingen in hun hand. Met duim en wijsvinger worden de kralen een voor een opzij geschoven. Tik. Tik. Tik.

Het is 21 februari, tien uur ’s ochtends, en ik ben op het gemeentehuis van Ghazzé, een plattelandsstadje in de Libanese Bekaaregio, pal naast de Syrische grens. Hier ontaardde vorige week een burenruzie in een ordinair vuistgevecht. Vandaag moet dit dispuut door de gemeenschap worden beslecht.

Het begon toen een Syrisch duo vijf maanden terug de deuren van hun nieuwe zaak openden. Nog voor de buren – de Libanese broers Mohammed en Jalal el-Fakih – langs waren geweest, wisten zij al wat er op het menu stond: kebab. Want bij de eerste barbecuesessie dreef er een riekende rook hun overdekte werkplaats met benzinepomp in. Een onaangename geur, vonden de twee, en dus vroegen ze de nieuwkomers om de barbecue niet meer te gebruiken. Die wuifden hun verzoek weg: zij hadden toch ook niets van de benzinestank gezegd?

De toon was gezet. De broers weigerden hun nieuwe buren te begroeten, waarna de Syriërs vertikten benzine bij hen te kopen. Algauw bestond hun omgang slechts uit woordenwisselingen en bedreigingen. Wie vorige week woensdag de eerste klap uitdeelde is onduidelijk, maar fraai was het niet. Stoelen vlogen door de lucht, vuisten belandden op neuzen en er werd een waarschuwingsschot gelost. De schade: één gebroken Syrische hand en gesneuveld kantoormeubilair.


De beslechting

De sfeer in de kale vergaderruimte is gespannen. Beide partijen hebben vooraanstaande familieleden en kennissen met statuur meegebracht ter versterking. Alle blikken zijn gericht op de forse Libanees met vermoeide ogen, die nu in de kring op twaalf uur zit: Ghazzés burgermeester Mohammed al-Majzoub. Hij heeft allen op het gemeentehuis ontboden met één kraakhelder doel: deze twist zo snel mogelijk de kop indrukken.

Na zeven jaar vluchtelingenopvang zijn veel Libanezen het nu beu. Het kleine opvangland aan de Middellandse Zee – dat slechts vier miljoen inwoners telt – herbergt naar schatting anderhalf miljoen ontheemde Syriërs. Die komen boven op de al aanwezige vluchtelingen uit andere landen. Het opvangen van zoveel extra mensen is een immense logistieke klus die zwaar drukt op de Libanese voorzieningen. De stroomnetwerken zijn overbelast, de vuilnisbelten uitgepuild, de schoolbankjes propvol.

Het is een onhoudbare situatie die de relatie tussen de Libanezen en Syrische vluchtelingen op scherp zet. Werden Syrische vluchtelingen in 2011 vooral als slachtoffer gezien, vandaag de dag – zo waarschuwt een studie van het VN-Ontwikkelingsprogramma – ervaren Libanezen de nieuwkomers in de eerste plaats als een bedreiging voor hun veiligheid en de sukkelende arbeidsmarkt.

Als burgemeester kun je daarom niet alert genoeg zijn, vindt Al-Majzoub. Net als de rest van het land ondervindt Ghazzé wekelijks demonstraties, ruzies en geweldsincidenten – onvrede die bij collega-burgemeesters niet zelden leidt tot paniekvoetbal. Onder druk van hun eigen volk leggen zij Syrische vluchtelingen een avondklok op en een samenscholingsverbod.

Het zijn restrictieve maatregelen waar Al-Majzoub niets van wil weten. Hij laat zijn ogen over het bedrukte gezelschap in zijn vergaderzaal glijden en schraapt zijn keel: ‘Goed, we gaan beginnen.’

De burgemeester van Ghazzé beslecht een burenruzie tussen Libanezen en Syriërs

Het handgemeen en de historie

Dat de spanningen tussen Libanezen en ontheemde Syriërs door heel het land oplopen, betekent niet dat ze nieuw zijn. Nervositeit was er meteen al bij het binnendruppelen van de eerste vluchtelingen in 2011. Want sinds de Libanese burgeroorlog, die het land tussen 1975 en 1990 in zijn greep hield, leven de christenen, soennieten en sjiieten behoedzaam naast elkaar. Een broze demografische orde die, zo is de vrees, door de komst van anderhalf miljoen overwegend soennitische Syriërs uit balans wordt gebracht.

Maar in Ghazzé speelde die angst nooit een grote rol; hier is iedereen soennitisch. Bovendien liggen de Syrische grensovergangen op een steenworp afstand van het stadje en rijd je zo de snelweg op die van Beiroet naar Damascus voert. Niet vreemd, dus, dat er in Ghazzé al ver voor 2011 familie- en handelsrelaties met Syriërs bestonden. Dat het Syrische leger tot 2006 in Libanon aanwezig was, ligt hier ook minder gevoelig dan in de rest van het land.

Angstig om weer een groep ‘permanente’ vluchtelingen in huis te halen, weigert de regering in Beiroet nu elke vorm van integratie.

Maar juist deze verwantschap begint Ghazzé nu parten te spelen. De stad is zozeer in trek bij vluchtelingen dat het inwonertal in korte tijd is verdrievoudigd. Het bolwerken van zo’n grote instroom is logistiek ondoenlijk – zeker door het zogenoemde ‘Palestijnentrauma’ waarmee Libanon worstelt. Sinds 1948, bij de oprichting van de staat Israël, zette Libanon zijn deuren open voor Palestijnse vluchtelingen, met het idee hen tijdelijk op te vangen. Maar hun tenten veranderden in huizen en hun huizen in permanente woonwijken die nog steeds bestaan.

Angstig om weer een groep ‘permanente’ vluchtelingen in huis te halen, weigert de regering in Beiroet nu elke vorm van integratie. En dus noemt de overheid Syrische vluchtelingen in beleidsdocumenten steevast ‘ontheemden’, geven autoriteiten nauwelijks verblijfsvergunningen af en zijn opvangkampen verboden.

Het is een drama voor gemeenten zoals Ghazzé die met honderdduizenden vluchtelingen zitten opgezadeld en waarvan niet iedereen in staat is maandelijks huur te betalen. Als noodoplossing staat burgemeester Al-Majzoub daarom toe dat Syriërs zich vestigen op lapjes grond die ze van Libanese landeigenaren huren voor twee- à driehonderd dollar per jaar. En dus duiken overal in Ghazzé informele tentenkampjes op, door vluchtelingen uitgebaat, zoals Syrische seizoenarbeiders voor 2011 dat deden.

Dat het flink kan misgaan in deze geïmproviseerde nederzettingen is afgelopen december op tragische wijze duidelijk geworden. Een gaskachel in een tent viel om, waarna heel het kampje affikte. Met steun van hulporganisaties en vrijwilligers is inmiddels een vijfsterrenkamp met tv-schotels uit de as verrezen. Maar de prijs was hoog: acht kinderen kwamen om tijdens de brand.


Verzoeningstoespraak

Terwijl burgemeester Al-Majzoub zijn verzoeningstoespraak begint – ‘we hebben het allemáál zwaar, mannen’ – gluur ik naar de twee partijen. Links naast de deur zitten de Libanese broers, allebei onderuitgezakt en de wintermuts tot ver over hun oren getrokken. Tegenover hen, rechts naast de deur, zit het Syrische zakenduo, ook onderuitgezakt. De twee partijen kijken elkaar niet aan.

Op steun van de regering rekent Al-Majzoub allang niet meer, die is enkel bezig met het buiten de deur houden van vluchtelingen sinds de UNHCR in 2014 meldde dat de geregistreerde Syriërs het aantal van één miljoen hadden bereikt. Bevangen door paniek schoof de regering haar tot dan toe geldende opendeurbeleid opzij. Visumrestricties voor Syriërs werden aangescherpt, grenscontroles opgeschroefd en de UNHCR kreeg een registratiestop opgelegd. Sindsdien is het gissen naar hoeveel vluchtelingen er in Libanon zijn.

Over méér staatsgeld voor gemeenten is nooit serieus gesproken. Al-Majzoub koopt daarom veel op de pof. Zijn gemeenteraad is de olieleverancier – die de stadsgenerator draaiende houdt – duizenden dollars verschuldigd. Het helpt dat er intussen flink wat hulporganisaties zijn neergestreken in het stadje; Noren knappen leegstaande huizen op, het VN-Wereldvoedselprogramma stort geld op ‘hulpcreditcards’ van de allerarmste families en Oxfam vult water bij in de informele nederzettingen.

Ook is de internationale tak van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten ingevlogen. Samen met de gemeenten Den Haag en Almere helpt de organisatie Ghazzé om zich beter te organiseren en te verenigen. Ook biedt ze logistieke steun. Zo is de uitpuilende vuilnisbelt, waar een jaar geleden nog Syrische kinderen op speelden, nu afgezet met een hoog hek en wordt aan een systeem voor gescheiden afvalinzameling en recycling gewerkt.

Maar ondanks die internationale steun blijft het behelpen. Boven aan het wensenlijstje van Al-Majzoub prijken nog altijd urgente, logistieke benodigdheden: riolering voor de nederzettingen, driehonderd afvalbakken, een beter elektriciteitsnetwerk. Bovendien is ook onder donoren de vluchtelingenmoeheid toegeslagen. Volgens de Verenigde Naties is er dit jaar meer dan drie miljard dollar nodig voor de hulpoperatie voor Syrische vluchtelingen in de regio. Tot nu kwam er minder dan tien procent binnen.

In de vergaderzaal lijkt een klein kwartiertje later het pleit te zijn beslecht. ‘Bedankt, allen’, zegt Al-Majzoub. ‘Geef elkaar een zoen.’ Om eindeloos gebakkelei te voorkomen, sloot hij al vóór de bijeenkomst een akkoord met de vertegenwoordigers van beide kampen. De Syriërs krijgen drieduizend dollar ter vergoeding van de gebroken hand en als eerherstel, betaald uit het gemeentepotje, in ruil voor het neerzetten van een muurtje om hun barbecue. En tot die tijd gaat de barbecue niet aan. Deze sessie vond puur plaats om iedereen een hart onder de riem te steken.

Als de buren en hun delegaties in beweging komen en elkaar drie zoenen op de wang drukken, stuift burgermeester Al-Majzoub weg naar zijn volgende afspraak.

Ik blijf beduusd achter. De opvang van vluchtelingen in Ghazzé lijkt me een gecompliceerde zaak. Is deze burenruzie nu echt opgelost?


De barbecuerook is terug

‘Ze hebben ’m alweer tweemaal aangestoken’, briest Jalal el-Fakih. ‘Kijk!’ Hij richt de afstandsbediening op het televisietje voor hem. Op de korrelige camerabeelden van zijn beveiligingscamera staat een man driftig te wapperen met een karton om de kooltjes te laten smeulen. De barbecuerook drijft zichtbaar richting de benzinepomp.

Het is 27 februari en ik sta in het kantoortje van de Libanese broers El-Fakih, een snikhete ruimte waar een loeiende kerosinekachel staat met een theepot erop. Ze dragen allebei weer een muts. Of ze iets van de rokende barbecue hebben gezegd? ‘Ik kijk wel uit’, zegt Mohammed. ‘De vorige keer dreigden ze dat ze hier met vijfhonderd familieleden wonen.’

Dat de spanningen in Ghazzé oplopen wijten de twee aan de oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. De regering dicteert dat Syrische vluchtelingen alleen mogen werken in de bouw, agricultuur of afval, maar Al-Majzoub knijpt in Ghazzé een oogje toe voor Syriërs die winkeltjes en restaurants openen. ‘Syriërs accepteren hongerloontjes en laten zelfs hun kinderen werken om rond te komen’, zegt Jalal. ‘Daartegen kunnen wij toch niet concurreren.’

Dat Syriërs enkel baantjes hebben die Libanezen niet willen, wuiven de twee weg. ‘Kijk maar naar buiten’, zegt Mohammed. In een poging de industriële tak van Ghazzé te verenigen, legde de gemeente twee jaar geleden deze straat aan. Voor honderd dollar per maand kun je hier als garagehouder of elektricien een werkplaats huren. ‘Maar dat is dus mooi mislukt’, briest de Libanees. ‘Syriërs huren de ruimten van Libanezen voor driemaal die prijs en openen dan een restaurant of winkel met Syrische producten.’

Dat is precies de reden, denkt Jalal, dat burgemeester Al-Majzoub de Syriërs in het stadje laat werken. ‘Er zijn hier gewoonweg veel mensen die aan de crisis verdienen, die ervan profiteren.’ Hetzelfde ziet hij op de huizenmarkt. ‘Je kunt één kamer aan een heel gezin verhuren voor tweehonderd dollar per maand.’

De Libanese broers legden de rookende barbecue vast op hun beveiligscamera’s.

 

 Alles kwakkelt

Het tweetal vertolkt wat steeds meer Libanezen in de arme plattelandsdorpen en achterstandswijken voelen: niet de Syriërs, maar zíj zijn de verliezers van de vluchtelingencrisis. Het loont om Syriër te zijn, ziet Jalal: ‘Ik zweer het, hulporganisaties betalen Syriërs geld om hun kinderen naar school te sturen.’ Dat zij zelf, als pomphouders, niet tot de ‘winnaars’ van de crisis behoren, vinden de twee moeilijk te verkroppen. Het liefst zouden ze willen dat burgemeester Al-Majzoub voor hen op de bres sprong.

Maar hóe, dat weten de broers niet. Want de handel in de Bekaavallei – die voor een groot deel afhankelijk is van Syrische handel – ligt stil door de oorlog en om de kwakkelende landbouwsector in de regio op te krikken zijn door Beiroet aangestuurde economische hervormingen nodig. ‘Subsidies, betere wegen die de akkers met de snelweg verbinden, meer fabrieksvergunningen uitgeven om banen te creëren’, dreunt Mohammed op. ‘Ik kan wel wat bedenken, maar dat soort dingen gebeuren hier niet snel en maken niet nú het verschil.’

En Syriërs verbieden te werken? Mohammed schudt zijn hoofd. Voor hun verzoeningspoging, vorige week maandag, had burgemeester Al-Majzoub de broers aangeboden de tent van de Syrische buren te sluiten. Maar dat idee hadden de twee direct verworpen. ‘Dan krijg je zo’n situatie zoals in ons geboortedorp’, verzucht Jalal. Daar, een dorpje naast Ghazzé, mogen Syrische vluchtelingen niet werken, met alle ellende van dien. ‘Zeker na acht uur ’s avonds nemen ze de boel daar over. Ze stelen auto’s, scheuren rond op motoren en vallen vrouwen lastig. Vreselijk.’

Dan verkiezen de twee liever dat Syriërs een kans krijgen om te integreren, zoals hier in Ghazzé. ‘Vraag me niet hoe,’ zegt Jalal, ‘maar er móet toch een manier zijn zodat we met z’n allen van deze situatie kunnen profiteren?’

Mohammed pakt de afstandsbediening en klikt de korrelige camerabeelden met de barbecue weg: ‘Ze hebben nog vier dagen.’

Onontgonnen kebabterrein

‘De buren hebben weer geen “hallo” gezegd’, mompelt Ahmad El-Aatar. De Syrische slager hakt langzaam de bonk vlees op zijn toonbank in stukken. Het is 3 maart en ik ben op bezoek in de kebabzaak van de Syriërs. Vandaag is de laatste dag om een muurtje om de barbecue te bouwen. Buiten zie ik nog niets. ‘Ik heb vandaag met hun oom gesproken’, sust zakenpartner Mohammad Soranni. ‘Vanaf morgen zullen ze je weer groeten.’

Het is nu een jaar geleden dat El-Aatar Syrië achter zich liet en samen met zijn vrouw en kind in Ghazzé neerstreek. Mohammed is hier al langer, veel langer. Hij arriveerde jaren voor de Syrische oorlog in Libanon. Op zoek naar werk liep hij een Libanese schone tegen het lijf, werd verliefd en trouwde. Inmiddels is hij officieel genaturaliseerd: hij heeft een Libanees paspoort. ‘Maar iedereen blijft me hier als Syriër zien’, verzucht Soranni. ‘Geloof me, als ik “echt” Libanees was, was dit allemaal nooit gebeurd.’

De locatie van de zaak hadden de twee samen zorgvuldig uitgekozen. Juist omdat de kebabzaken in het centrum over elkaar heen buitelen, vestigden ze zich híer, op destijds onontgonnen kebabterrein. Dat de spanningen tussen Libanezen en Syriërs oplopen is volgens Soranni eigenlijk ‘niet zo gek’.

Volgens de Verenigde Naties behoort inmiddels het leeuwendeel van de vluchtelingen in Libanon daartoe: zeker driekwart van de Syriërs leeft onder de armoedegrens.

Terwijl El-Aatar zich zwijgend over het vlees ontfermt, doet hij zijn visie over de situatie uit de doeken. ‘Libanezen hebben het ook zwaar. De armen worden armer, de rijken rijker’, zegt hij. Maar het is onzin dat Syriërs het hier makkelijk hebben. ‘Dat zijn slechts geruchten.’

Hulp gaat volgens hem wel degelijk naar de allerarmste gezinnen. Volgens de Verenigde Naties behoort inmiddels het leeuwendeel van de vluchtelingen in Libanon daartoe: zeker driekwart van de Syriërs leeft onder de armoedegrens.

Armlastige Libanezen ook van hulp voorzien, zoals sommige hulporganisaties nu doen, biedt geen soelaas, denkt Soranni. De oplossing voor het probleem ligt volgens hem in het accepteren van Syriërs, in integratie. ‘Want ook als de oorlog voorbij is, zullen veel Syriërs hier blijven. Sommigen omdat ze niet anders kunnen, anderen omdat het hier gewoon beter is.’ En dus moet de regering in actie komen, vindt de zakenman. Niet wegkijken, maar Syriërs van verblijfspapieren voorzien, hun baby’s hier laten inschrijven en hen om belasting vragen.

‘Wat zou jij doen als de oorlog voorbij is?’ vraag ik El-Aatar. Hij is bezig de rode stukjes vlees aan spiesjes te rijgen. ‘Syrië is het beste land dat er is,’ zegt hij lachend. ‘Maar hier kan ik geld verdienen. Natuurlijk blijf ik.’

Maar een paspoort zoals Soranni heeft, zit er voor hem niet in. Sterker nog, de roep om Syriërs te deporteren naar ‘veilige zones’ in Syriër wordt steeds luider in Libanon. Een online petitie die daartoe opriep werd laatst meer dan twintigduizendmaal ondertekend.

Geluiden waar de twee zich niet te veel van proberen aan te trekken. Ze richten zich liever op de zaak. ‘Het loopt goed’, knikt Soranni tevreden. De kebabjes zijn in trek bij de omgeving, al is een clientèle nog niet erg divers. Vrijwel alle klanten zijn Syriërs.

Komt het goed met de Libanese broers? ‘Jazeker’, zegt Soranni, terwijl hij de leren mouw van zijn jas opschuift. Hij toont een lelijk litteken op zijn handpalm en onderarm, een overblijfsel van het vuistgevecht. ‘Als de burgemeester ons niet had geholpen,’ zegt Soranni, ‘dan was ik met familieleden teruggegaan om een Libanese hand te breken.’ Oog om oog, tand om tand? De zakenman knikt. ‘Maar zover is het niet gekomen. Ze boden excuses aan en ik ontving een schadevergoeding. Zand erover.’

Ik wijs naar de barbecue buiten op de stoep. ‘En dat muurtje dan?’

‘Daar hebben we iets op gevonden’, zegt Soranni. Hij loopt naar het muurtje achter in de zaak en lacht: ‘Handig toch?’ Ik gluur om het muurtje en lach. Ik zie dat de rokende barbecue heeft plaatsgemaakt voor een elektrisch exemplaar.

De broers Jalal en Mohammed Fakih in hun werkplaats in Ghazzé

Eva Huson

Eva Huson is freelance journalist

Vrijdagmiddagborrel: Migratiebeleid met lef loont

Door Marc Broere | 20 april 2018

Een gedurfd beleid op het gebied van migratie en vluchtelingen loont wel degelijk, schrijft Marc Broere in zijn Vrijdagmiddagborrel naar aanleiding van een bezoek aan Palermo. Nederlandse politici zouden zich kunnen laten inspireren door burgemeester Leoluca Orlando.

Lees artikel

Asiel bied je niet alleen

Door Vice Versa | 20 april 2018

Stop met ‘Dublin’ en verdeel asielmigranten eerlijk over Europa. En zorg dat lidstaten hun verantwoordelijkheden nemen en niet afschuiven. Dat schrijft Marthe Hesselmans van het wetenschappelijk bureau van D66 in deze opiniebijdrage.

Lees artikel

De illusie van Afrikaanse grensbewaking

Door Joris Tielens | 18 april 2018

De EU-projecten voor grensbewaking in Afrika om migratie naar Europa te verkleinen, kunnen ook de regionale mobiliteit bìnnen Afrika beperken – die vele malen groter is. Sommige experts twijfelen aan het effect van de miljardenprojecten, anderen zien grenzen ontstaan die er nooit waren. Klein onderzoek naar een nog schimmig speelveld.

Lees artikel