Door: Ayaan Abukar
30 maart 2017

Tags

Wat is de rol van wetenschap in de maatschappij? En hoe spelen snel veranderende politieke en economische factoren daarin een rol? Vice Versa spreekt erover met Nick van de Giesen, hoogleraar in Delft. Het is tijd techniek prominenter op de ontwikkelingsagenda te plaatsen, vindt hij: ‘Het idee van de sociaal blinde ingenieur is niet meer aan de orde.’ Dwaalt er nog een klassieke ‘botte Delftenaar’ rond, dan wordt die vakkundig klaargemaakt voor de wereld. Dit is deel vijf in de reeks over wetenschap en het publiek debat.

 

De werkkamer van prof. dr. ir. Nick van de Giesen ziet er ouderwets gezellig uit, een nostalgisch eilandje binnen het strakke, technische decor van de Universiteit Delft. Een grote houten tafel, eikenhouten boekenkast en zelfs een zwart schoolbord met reminders erop gekrijt: dit is Van de Giesens werkhabitat. Hij geniet ervan zolang het nog kan, want binnenkort zal ook hij moeten geloven aan een kantoortuin.

Van de Giesen begon zijn academische carrière als student Tropische Cultuurtechniek met land- en watermanagement in Wageningen. Vervolgens vertrok hij naar de Verenigde Staten voor zijn doctoraat en deed onderzoek in Rwanda, in de periode vlak voor de genocide. De drie jaar daarna werkte hij in Ivoorkust bij het West Africa Rice Development Agency en was hij senioronderzoeker op het Zentrum für Entwicklungsforschung in Bonn. Sinds twaalf jaar is hij hoogleraar Watermanagement aan de Technische Universiteit Delft. Vanuit die functie èn als voorzitter van het Delft Global Institute houdt Van de Giesen zich bezig met vraagstukken die het Zuiden aangaan, met name qua water, meteorologie en het klimaat.

In 2012 mocht hij als een van de eersten na de cycloon Nargis, die een enorme ravage veroorzaakte, de Myanmardelta in. Als Van de Giesen het waterland van Myanmar beschrijft, stralen de begeestering en passie van hem af. Enthousiast vertelt hij: ‘Het is werkelijk erg waterrijk en divers. In het noorden zijn er gletsjers en in het zuiden de delta en de regenwouden. Myanmar zal zich de komende jaren snel ontwikkelen, maar heeft wel hindernissen te overwinnen: er zijn grote problemen met vervuiling door de enorme industrialisatie, met bodemdaling. Je ziet dat laatste in verschillende deltagebieden: Ho Chi Minhstad, Sjanghai, Jakarta, het Tokio van na de oorlog. Die gebieden ontwikkelen zich en krijgen elektriciteit, waarna een industrie volgt die veel water pompt, omdat dat de enige betrouwbare bron van hoge kwaliteit water is. Door het pompen van al dat water, verzakt de bodem vlug. Daarvoor waarschuwen we bijvoorbeeld in Myanmar.’

Dat klinkt vrij technisch. In hoeverre vormt de lokale politiek een uitdaging?

 

‘Toen wij in Myanmar aankwamen, stonden de Chinezen op het punt om veel dammen te bouwen. Het is dan ook een land dat schreeuwt om dammen: er is geen olie gevonden, maar er stroomt zoveel water dat je daarmee heel het land van energie kunt voorzien. De Chinezen wilden die energie liever de grens over brengen; slechts tien procent zou in Myanmar blijven. Bovendien zijn er in die bergen veel etnische minderheden. Een groot deel van de dammenbouw is ten slotte niet uitgevoerd.’

En wat is de bijdrage daaraan vanuit Nederland?

 

‘We doen er veel aan om de lokale capaciteit op te bouwen en nieuwe ingenieurs op te leiden. Er loopt een heel aantal Myanmarezen hier rond in Delft. Verder zijn we op zoek naar manieren om het bestuur te verbeteren. Water is verdeeld over wel twintig verschillende ministeries. Het is lastig om iedere keer bij al die verschillende afdelingen langs te gaan, maar samenwerking is belangrijk. Als er in het zuiden overstromingen zijn, maar de afdeling energie gaat vrolijk door met waterkracht, kun je daar beter even mee stoppen. Nederland heeft meegeholpen een overlegorgaan op te zetten tussen die ministeries en daar praten we mee. Zo maak je dat orgaan ook relevanter.’

Zit u meer aan de technische of aan de sociale of bestuurlijke kant?

 

‘Ik houd me vooral met de techniek bezig. Ik heb in het verleden rechtsantropologie gedaan, en ook op dat gebied gepubliceerd, maar op een zeker moment koos ik voor de techniek. Ten eerste omdat ik – hoewel ik het boeiend vond – me afvroeg wat mensen er precies aan hadden als je met hen analyseert hoe hùn sociale structuren in elkaar zitten. Sociale verandering moet door sociale actoren bij hen zelf teweeg worden gebracht, ik vind dat je er terughoudend in moet zijn om je daar als buitenstaander in te mengen. Jij gaat terug in je vliegtuig, maar de mensen blijven daar en je weet niet wat voor processen je allemaal op gang kunt hebben gebracht. Daarnaast hebben we allemaal een talent, en toevallig is rekenen het mijne – en in de internationale ontwikkelingswereld zie je nu eenmaal minder bèta- dan alfatalenten. Dus de nadruk op het technische aspect is een pragmatische overweging, zo kon ik van toegevoegde waarde zijn.

‘Ik heb bovendien gemerkt dat het makkelijker is om een ingenieur aandacht te laten schenken aan de sociale aspecten van onderzoek, dan om een sociale wetenschapper technisch inzicht te laten verkrijgen. Het idee van de sociaal blinde ingenieur is al een tijdje niet meer aan de orde. Je vindt de klassieke “botte Delftenaar” nog wel, hoor, maar aan hem besteden we de nodige aandacht. Zo geven we hier het vak Civiele techniek in ontwikkelingslanden, en een van de eerste dingen die we studenten leren is dat ze niet zomaar ergens met hun techniek naartoe moeten gaan om te vertellen hoe het moet.’

Kan de techniek zonder de sociale wetenschap?

 

‘Nee: als je geen goed bestuur hebt, kun je alle technologie van de wereld erbij halen, maar dat zal geen effect hebben. We kozen er bijvoorbeeld bewust voor niet naar Somalië te gaan. Maar technologie kan wel een heleboel doen als het bestuur niet perfect is. Ze hoeven in Myanmar niet alle rivieren eerst volledig te vervuilen voordat ze weer schoon moeten worden – ze kunnen zich ook direct schoon ontwikkelen. En daarin speelt techniek een belangrijke rol. Techniek komt misschien niet verder zonder redelijk bestuur, maar met bestuur zonder techniek kom je ook nergens.’

Is de ontwikkelingssector te veel gericht op het sociale aspect?

 

‘Mijn haren gaan overeind staan op het moment dat alles wat techniek is als slecht wordt gezien. Ik proef soms wantrouwen, gebaseerd op een achterhaald idee dat de technicus wel even iets komt installeren zonder oog voor de context. Techniek moet niet in plaats van bestuur of sociale vraagstukken komen, maar moet wel een duidelijke plaats hebben. Het mag best prominenter op de agenda komen. Nu zie je vaak dat ontwikkelingsinterventies of zeer technisch zijn, òf dat er helemaal geen techniek bij komt kijken.

‘Sociologie en techniek hebben elkaar nodig. In de ontwikkeling van iedere technologie zit een sociaal aspect. Ik kon door mijn kennis van de rechtsantropologie veel dingen begrijpen die ik anders niet had kunnen begrijpen. Bij grote irrigatiesystemen, bijvoorbeeld, wordt in de praktijk een systeem vaak heel anders ingezet dan het logische, technische ontwerp dat erachter zit.

‘Het leukste vind ik het dan ook wanneer het sociale en technische aspect bij elkaar worden gebracht. In Kenia zijn waterpompen geplaatst met een sensortje dat is ontwikkeld door de Universiteit van Oxford. Die simpele sensor kan meten wie het water pompt, hoe vaak, waarom de pomp stopt, et cetera.’

Een voorbeeld van hoe techniek concreet kan bijdragen aan ontwikkeling, is het Trans-African Hydro-Meteorological Observatory (Tahmo), dat Nick van de Giesen in een groot aantal Afrikaanse landen samen met John Selker van Oregon State University opzette. ‘Dat project is ontstaan vanuit frustratie’, vertelt Van de Giesen erover. ‘We waren bezig met het meten van het weer en klimaat in Afrika, maar toen het project was afgelopen, werd er weinig meer met de data en metingen gedaan. Er worden miljoenen geïnvesteerd in projecten, maar als een project is afgelopen wordt het meestal acuut niet meer onderhouden. Toen hebben John en ik besloten om twintigduizend weerstations neer te zetten die data over weer en klimaat meten. De bedoeling is dat we alle landen ten zuiden van de Sahara van weerstations kunnen voorzien. Enerzijds doen we dat om klimaatverandering in kaart te brengen, anderzijds dienen de data voor waarschuwingssystemen en verzekeringen. We willen het wel een beetje zakelijk aanpakken. Data voor de wetenschap en overheden zijn gratis, maar we vragen een kleine vergoeding voor commerciële diensten. Zo hopen we het netwerk langdurig in stand te houden.’

Wat is een voorbeeld van een commerciële manier om zulke data te gebruiken?

 

‘Neem IBM, die in 333 van onze stations heeft geïnvesteerd. Daarmee kan ze onder meer luchtvaartmaatschappijen en transportsectoren bedienen. Uiteindelijk willen we lokale, kwalitatief goede KNMI’s ontwikkelen. Nu zegt je telefoon via een applicatie als WeatherBug iets over het weer, waar je ook bent. Maar zulke applicaties zijn vaak niet gebaseerd op goede data en tegelijkertijd maken ze de lokale KNMI’s irrelevant. Dus je moet zorgen voor goede lokale voorspellingen en die beschikbaar kunnen stellen, zodat lokaal kennis en kunde wordt opgebouwd en de Afrikaanse boeren niet afhankelijk zijn van app-ontwikkelaars uit de Verenigde Staten.’

Worden de data dan ook meteen beschikbaar gesteld aan boeren?

 

‘Ja, hoewel je aan data alléén natuurlijk niet veel hebt; die moet je omzetten in werkbare informatie. Maar we verwachten dat de mogelijke toepassingen van dergelijke data van grote sociaaleconomische waarde zijn. In veel van de landen waar wij stations hebben neergezet kan de weersvoorspelling van levensbelang zijn.  Wanneer kun je je maïs verbouwen? Wanneer moet je rekening houden met droogte of regenval? Het is mooi als met die informatie tegelijkertijd de wetenschap kan worden gevoed, zodat we begrijpen wat er met het klimaat gebeurt.’

Bereikt onderzoek waarbij bedrijven meedoen wel de allerarmsten?

‘Het is soms wat lastiger, maar het kan zeker. Het gaat er niet om dat je mensen hun laatste centen aftroggelt, maar het is goed wanneer mensen naar je toekomen, en ze betalen voor een product. Dan weet je dat het waarde voor hen heeft en dus toekomstbestendig is. Iedereen in Afrika heeft een mobiele telefoon en die zijn ook niet gratis. Al betalen armen maar twee cent voor een product, daarop kan toch een haalbaarheidsstudie worden gebouwd.’

Kan samenwerking met het bedrijfsleven uw integriteit of onafhankelijkheid aantasten?

 

‘Nee, dat heb ik niet gemerkt. Ik denk dat dat in de watersector ook minder speelt dan in de farmaceutische industrie, bijvoorbeeld. Een bedrijf moet natuurlijk geen uitkomsten beïnvloeden, maar als ze iets uitgezocht wil hebben wat interessant is en ook jouw wetenschappelijke interesse heeft, dan is daar niets mis mee?’

Bestaat dan niet het gevaar dat het bedrijfsleven de agenda gaat bepalen? FrieslandCampina zit op de Wageningse Campus, Witteveen+Bos zit hier een paar stappen vandaan. Krijg je dan niet een te innige band?

‘Dat zie ik niet zo. Een klein deel van ons geld komt uit het bedrijfsleven, maar het grootste deel van de overheid. Veel van het onderzoek dat het bedrijfsleven initieert, zou anders niet worden gedaan. De vraag blijft ook of het goed of slecht is dat bedrijven invloed hebben op de wetenschappelijke agenda. Wanneer een bedrijf als DSM zich richt op voedingsproblematiek in Rwanda, en kijkt hoe je er kosteneffectief verbetering in aan kunt brengen, lijkt me dat voor iedereen welkom.

‘Dat je vlak bij elkaar op de campus zit, is gewoon praktisch handig. Studenten in Delft willen dolgraag de praktijk leren kennen. Witteveen+Bos organiseert bijvoorbeeld een reis naar Ethiopië, dat is prima. Zolang er geen bias is waarin je alleen maar met Witteveen+Bos samenwerkt en niet met Royal HaskoningDHV, zie ik geen problemen.’

Wat vindt u ervan dat Nederlandse bedrijven meedingen naar ontwikkelingsprojecten?

 

‘Als Nederland in een land investeert, vind ik het niet onredelijk dat Nederlandse bedrijven ook meeprofiteren. Nederland is lange tijd roomser dan de paus geweest. Bij Duitsland is het altijd Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit waaraan opdrachten worden uitbesteed. Zolang de insteek kwaliteit is, vind ik het niet vreselijk als Nederlandse bedrijven voorrang krijgen. De concurrentie is hier heel groot, dus bij een aanbesteding kan je ervan op aan dat een Nederlands bedrijf dat een tender wint, kwalitatief goed is.’

Sommige projecten zijn controversieel. Neem het Garuda-project in Indonesië. Heb je als Nederland of als onderzoeker de verantwoordelijkheid in te grijpen als je weet dat een project misschien te megalomaan is of lokale mensen erdoor worden benadeeld?

 

‘Goed punt. Kijk, als ze in Jakarta besluiten dat ze een afsluitdijk willen, dan vind ik dat Nederland daar met een consortium best aan mee kan werken. Maar als er ècht mensen worden benadeeld, dan zou ik daar niet met veel plezier aan de slag gaan. Aan de andere kant kun je ook zeggen dat wanneer wij een dergelijk project uitvoeren, het misschien minder onvoorzichtig gaat dan wanneer China dat zou doen, bijvoorbeeld. Want als het plan er is, wordt er toch wel doorgezet.

‘In Myanmar dingen Nederlandse bedrijven nu ook mee naar verschillende opdrachten. Australiërs en Koreanen zijn daar hard bezig, het zou aardig zijn als daar eens een Nederlands bedrijf tussen komt. De Koreanen geven gewoon een biljet van honderd dollar aan de aanwezige boeren om hun steun te krijgen – dan sta je als Nederlander wel even met je ogen te knipperen. Kortom: je moet daar geen dingen doen die hier niet door de beugel kunnen, maar tegelijkertijd is het niet onredelijk om te denken dat wij het wellicht wat socialer aanpakken. Onze baggeraars zijn allemaal iets duurder, maar ze zijn ook zorgvuldiger, met name in de manier waarop ze omgaan met de omgeving.’

President Trump zet de wetenschap nu flink onder druk, met name op het gebied van klimaatverandering. Houdt dat u bezig?

 

‘Ja, uiteraard. Ik maak me veel zorgen over Trump en de wetenschap in het postwaarheidtijdperk… Als wetenschappelijk onderzoek niet meer wordt vertrouwd, wat is onze positie dan nog? Ook in Nederland hoor je in discussies vaak: “Wetenschap, maar dat is toch ook maar een mening?”

‘Onder Rutte I werd een compromis gesloten en het KNMI werd enorm gekort op Wilders’ aanraden. Dat is kwalijk. Het is op zich gezond dat er in wetenschappelijke kringen discussie is; dat gebeurt in ieder veld. Dus als er verschillende studies zijn over het effect van het menselijk handelen op klimaat, dan is daar niets mis mee. Maar je moet je wel afvragen door wie die onderzoeken zijn gesponsord, en hoe de politiek er gebruik van maakt.’

Op 22 april is er een wereldwijde protestmars voor de wetenschap.

‘Ik ben erbij in Amsterdam.’

 

Foto’s: Selma Zijlstra

 

 

 

Selma Zijlstra

Selma Zijlstra is redacteur en journalist bij Vice Versa. Ze studeerde Internationale Betrekkingen aan de Rijksuniversiteit Groningen (BA) en haalde haar master in Conflict Studies and Human Rights (cum laude) aan de Universiteit Utrecht. Haar specifieke interesses zijn: geweldloos verzet, handel(spolitiek), arbeidsomstandigheden, gender, conflict, landrechten en wetenschappelijke evaluaties (en voor zover mogelijk de combinaties daartussen).

 

Vrijdagmiddagborrel: Regeerakkoorden voor de nieuwe ontwikkelingsagenda sluiten

Door Marc Broere | 23 juni 2017

Mogelijkheden om met elkaar out of the box wat dieper over het vakgebied te praten zijn er bijna niet binnen de wereld van mondiale samenwerking, schrijft Marc Broere. Juist die ontmoeting is heel belangrijk.

Lees artikel

Het merk ‘Refugee’

Door Ayaan Abukar | 20 juni 2017

Neem ze liever op als volwaardig lid van de samenleving, dan te labelen

Lees artikel

Handel en Hulp: 10 lessen en 1 hartekreet

Door Ruerd Ruben | 19 juni 2017

Op basis van het congres ‘Hulp en Handel -de balans en de toekomst’, van afgelopen vrijdag, zette professor Ruerd Ruben zijn tien belangrijkste lessen en éen hartenkreet op een rij.

Lees artikel