Een woord van advies aan Minister Kaag: wees kritisch op de NGO middle man

Afrikaanse vrouwen worden door westerse NGO’s te veel als slachtoffer geframed binnen de discussie over hun Seksuele Reproductieve Gezondheid en Rechten. Dat schrijft Denise van Dijk, president van de Female Health Company, in deze opiniebijdrage. Slaaf zijn van de donor en vóór groepen spreken kan echt niet meer.

Minister Kaag van Handel en Ontwikkelingssamenwerking werkt momenteel aan het samenstellen van haar nieuwe beleidsnota voor ontwikkelingssamenwerking, handel en investeringen. De beleidsnota zal uiteen zetten wat de prioriteiten voor Nederland zijn voor de komende jaren op de eerder genoemde drie onderwerpen. Zij vraagt hierbij input van het veld en heeft een consultatie in het leven geroepen, zodat iedereen feedback kan geven op de plannen van de minister.

Deze consultatie heeft al flink wat buzz in het veld doen opwaaien. Collega’s en NGO’s komen met duidelijke meningen naar voren. De grootste zorg echter wordt steeds weer gevonden in het financiële aspect: het donorklimaat in het ontwikkelingsveld is erg lastig op het moment en er is minder geld beschikbaar. Ook op het gebied van Seksuele Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) is significant meer geld nodig dan momenteel het geval is om vrouwen in ontwikkelingslanden te kunnen voorzien in hun SRGR.

 

Conservatief beleid en tegenreactie

Wereldwijd zijn er 214 miljoen vrouwen die geen toegang hebben tot anticonceptie, terwijl zij dit wel willen. In 2015 alleen al werd naar schatting 3,3 miljard keer riskant seks gehad in Sub-Sahara Afrika wat tot 910,000 nieuwe HIV infecties leidde. Per dag lopen ongeveer 1 miljoen mensen wereldwijd een SOA op, vooral jongeren. Volgens cijfers van de Wereldbank loopt 1 op de 20 jongeren per jaar een SOA op. Combineer deze statistieken met minder beschikbaar geld en een zeer conservatief nieuw beleid uitgezet door de regering van Donald Trump in de VS, zoals de Global Gag rule, en we hebben een nieuwe crisis op het gebied van SRGR en met name voor vrouwen.

Je ziet hier echter ook meteen een tegenreactie op komen. Denk bijvoorbeeld aan het initiatief She Decides van voormalig minister Ploumen. Een beweging die de stem van de vrouw voorop probeert te zetten in SRGR, of zij nu wel of geen abortus wil. Het HER initiatief van het Global Fund is nog een nieuw initiatief:  een platform dat probeert de private sector te mobiliseren om meer investeringen op het gebied van SRGR voor elkaar te krijgen in ontwikkelingslanden. Je op vrouwen richten is op dit moment een trend: we zien aan de debatten, dialogen en de grote hoeveelheid nieuwe initiatieven dat iedereen in het veld hier op inspringt.

Kritisch over beeldvorming

Als President van de Female Health Company, de maker van het FC2 vrouwencondoom, ben ik erg kritisch naar onze eigen beeldspraak in de huidige  discussie omtrent SRGR voor vrouwen. Hoewel het vrouwencondoom als een empowerment tool kan werken voor vrouwen omdat zij hun eigen bescherming in de hand hebben, zijn er fouten gemaakt in het verleden door zowel ons eigen bedrijf als ook door donoren en NGO’s in de beeldvorming van de vrouwen die het condoom ontvingen.  ‘Gebruik dit vrouwencondoom als empowerment! Want in jouw dagelijkse leven ben je onderworpen aan de man, heb je niets te zeggen, wordt je constant zwanger en ziek en heb je geen toekomstperspectief. Dus hier is onze oplossing!’

Deze beeldvorming staat in direct contrast met de empowerment waar het product op gebaseerd is, en we zagen dan ook dat het tot terechte irritatie leidde bij vrouwen. Op basis van focusgroepen hebben wij onze boodschap aangepast en zien we vrouwen in Afrika zoals ze zijn: sterke onafhankelijke vrouwen die zelf het heft in handen willen hebben en daar hulp in vinden door onder andere het vrouwencondoom.

Wij focussen ons op veilige én plezierige seks, want daar vindt de echte empowerment plaats. Wij zien echter dat de grote donoren en vele NGO’s deze boodschap niet overgenomen hebben. Door alleen maar aandacht te geven aan het slachtofferschap van vrouwen en meisjes in de wereld, ziet het Westerse publiek Afrikaanse vrouwen alleen maar zo en wordt het moeilijk voor hen zich van die beeldvorming te ontdoen.

Dit laat een pijnlijk duidelijk probleem zien in het ontwikkelingsveld waar men liever niet over praat, maar hetgeen cruciaal is voor minister Kaag en vooral voor de toekomst van ontwikkelingssamenwerking. De vraag is namelijk:

 

Wordt er VOOR of DOOR vrouwen gesproken?

En deze vraag kan ook meteen doorgetrokken worden naar andere groepen. Net zo populair in het veld op het moment is je op jongeren richten. Iedere NGO probeert hier nu wel ‘iets mee te doen’. En ook daar kan de vraag gesteld worden:

 

Wordt er VOOR of DOOR jongeren gesproken?

Ter samenvatting, minister Kaag zou goed moeten kijken naar de algemene vraag:

 

Wordt er VOOR of DOOR ontwikkelingslanden gesproken?

Deze vragen leggen de inherente fout van het huidige ontwikkelingssysteem bloot.

Als een huidig private sector partner, met ook zeer veel voormalige ervaring als manager in NGO’s, zie ik een verschil in accountability waar bovengestelde vraag om draait. In de private sector is het model helder: de klant betaalt direct voor het product dat de private sector partner biedt. Vindt de klant het product niets, dan koopt ze het niet. Dit betekent dat de private sector partner het moet verbeteren of iets anders moet bedenken om te willen blijven bestaan.

Dit concept is anders in de publieke sector. Hier betaalt de klant, de vrouw of jongere, in het ontwikkelingsland niet direct voor het product dat de NGO aanbiedt. Het maakt dus weinig uit wat de klant echt vindt van het product dat hen wordt aangeboden. Belangrijker voor de NGO is wat de donor vindt van het product dat zij aan de klant aanbiedt: daar komt namelijk het inkomen vandaan voor de NGO.

Dit brengt een zorgelijk en problematische zaak met zich mee. Wanneer er een tekort aan geld is in het veld, zoals op het moment, zie je dan ook dat het cruciaal wordt voor het overleven van de NGO dat zij de donor tegemoetkomen. Er zit dus een inherente meerwaarde in het spreken VOOR een groep door een NGO in plaats van het laten spreken DOOR een groep die zij vertegenwoordigen.

Als je VOOR een groep spreekt heb je namelijk controle over de beeldvorming van de groep die weer zorgt dat je geld krijgt van de donor. Daarom zien we ook met zoveel NGO’s dat ze alle Afrikaanse vrouwen vooral wegzetten als zielig en hulpeloos, hetgeen helpt met het verkrijgen van de funding. Als je beweert aan vrouwenemancipatie te werken in landen in Afrika, dan is het natuurlijk een grote contradictie om ze in je eigen beeldvorming als alles behalve geëmancipeerd weg te zetten. Dit dient echter wel het funding doel van de NGO.

Nog zorgelijker is het ook dat het spreken VOOR een groep een machtsrelatie doet ontstaan tussen de NGO en de vertegenwoordigde groep. Zij worden namelijk afhankelijk van de NGO die wel direct het geld krijgt, in plaats van zelf de middelen te  krijgen om te kunnen vechten voor hun eigen rechten. Daarom zijn situaties zoals de sexual harassment case van Oxfam eigenlijk ook niet verbazingwekkend. Scheve machtsverhoudingen leiden makkelijk tot misbruik hiervan. Dit laat de Harvey Weinstein, en #metoo case ook zien.

 

Niet meer relevant en effectief

De manier waarop het huidige ontwikkelingssamenwerkingsveld is opgezet is niet meer relevant en zeker niet meer effectief. Het werkt niet inclusief, leidt zeker niet naar duurzaamheid en al helemaal niet naar schaalvergroting. Slaaf zijn van de donor en VOOR groepen spreken kan echt niet meer.

Mijn grootste advies aan de minister is dan ook: wees zeer kritisch op de NGO middle man. Moeten wij Nederlandse NGO’s er echt altijd tussenin zitten, of kan het geld ook vaker direct gegeven worden aan de groepen zelf? Hierdoor wordt er DOOR vrouwen zelf, en DOOR jongeren zelf gesproken in ontwikkelingslanden, hetgeen inclusief, emanciperend en duurzaam werkt. Zo ben je lokaal pas echt iets aan het opbouwen en ga je misbruik uit de weg.

Laat een reactie achter