Voor theeboeren komt klimaatverandering dichtbij

Theeplukkers

Bente Meindertsma reisde naar Kenia om te onderzoeken wat de Sustainable Development Goals betekenen in de dagelijkse praktijk van een land dat zich snel ontwikkelt. In deze laatste reportage kijkt ze naar de impact van klimaatverandering op de theeproductie. Bedrijven en overheden moeten voldoende investeren in adaptatiemaatregelen om boeren te ondersteunen bij de gevolgen van klimaatverandering. Anders wordt thee straks een schaars goed.

In de heuvels, twee uur rijden ten noorden van Nairobi beginnen de theevelden op zo’n 2000 meter hoogte. Heldergroene hellingen zijn opgedeeld door kleine paadjes, die de grenzen van de afzonderlijke veldjes aangeven. Elke generatie wordt het land verdeeld onder de kinderen, waardoor de meeste boeren van nu minder dan een halve hectare bezitten. Bij de Makomboki theefabriek komt de thee hangend in vrachtwagentjes binnen vanuit zo’n 100 verschillende verzamelpunten. De 5.000 kleinschalige boeren in de omgeving zijn gezamenlijk eigenaar van de theefabriek.

Sombere voorspellingen

Kenia is de grootste exporteur van zwarte thee ter wereld. Daarvan wordt 60% geproduceerd door meer dan 600.000 kleinschalige boeren. Klimaatverandering vormt een grote bedreiging de voor theeproductie. Uit onderzoek van het International Centre for Tropical Agriculture (CIAT) blijkt dat 40% van de huidige theegebieden in Kenia in 2050 niet meer geschikt zal zijn voor de theeproductie. De studie voorspelt een temperatuurstijging van 2,3 graden, waardoor de geschikte gebieden voor theeproductie op zullen schuiven van hoogten vanaf 1800 meter naar 2000 tot 2300 meter. De juiste adaptatiemaatregelen maken het in veel gevallen mogelijk om thee te blijven verbouwen in de gebieden die minder geschikt worden. Zo kunnen de introductie van een nieuwe, droogtebestendige theesoort en schaduwbomen de klimaateffecten reguleren.

Ook onvoorspelbare neerslagpatronen en verschuiving van seizoenen hebben negatieve gevolgen voor de theeproductie. Een extreem sterke El Niño leidde dit jaar in grote delen van Oost- en Zuidelijk Afrika tot droogte, terwijl overmatige regenval in Kenia juist zorgde voor overstromingen. ‘We hebben dit jaar geen droge periode gehad’, vertelt theeboer Francis Muhematega. ’Normaal valt er helemaal geen regen tussen januari en maart, nu regende het elke keer.’ Daarnaast is het koude seizoen dit jaar veel eerder begonnen dan anders. ‘Daardoor kan ik op dit moment maar heel weinig oogsten’, zegt Muhematega. ‘Normaal pluk ik iedere week nieuwe theebladeren, nu maar één keer in de twee weken.’ Door de onvoorspelbare weerpatronen kunnen Muhematega en zijn collega’s moeilijk inschatten wanneer ze moeten snoeien en bemesten. In vergelijking met de grote plantages missen kleine boeren de kennis en middelen om zich voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering.

In het klimaatakkoord van Parijs zegden westerse landen toe om vanaf 2020 jaarlijks 1 miljard dollar klimaatfinanciering beschikbaar te stellen voor adaptatie en mitigatiemaatregelen in ontwikkelingslanden. Het zal een grote uitdaging zijn om dit fonds te vullen, zoals uit een eerder stuk op de site van Vice Versa blijkt. Omdat een groot deel van de financiering van de private sector moet komen, zal het bovendien moeilijk worden om genoeg middelen voor economisch weinig interessante adaptatiemaatregelen te mobiliseren. Daarnaast mist een goede coördinatie vanuit de overheid, waardoor verschillende initiatieven niet altijd op elkaar aansluiten.

Stoken op notenschillen

Tegelijkertijd draagt de theeproductie zelf bij aan klimaatverandering. ‘Van alle agrarische sectoren in Kenia veroorzaakt thee de meeste ontbossing’, zegt Jackson Bambo, coördinator van de Kenya Forest Working Group. Naast de meeste theefabrieken liggen grote stapels hout; brandstof om de machines draaiende te houden. Zo’n 60% van de kosten van theefabrieken gaat naar brandstof. Met name het drogen van de theebladeren slurpt energie; voor elke drie hectare thee is een hectare bos nodig. De fabrieken gebruiken vooral eucalyptushout dat in de omgeving wordt gekweekt. Ideaal, omdat deze boomsoort lekker snel groeit. Maar ze onttrekken veel vocht aan de omgeving, waardoor in drogere gebieden een tekort aan water kan ontstaan voor de theestruiken. Door gebrek aan planning ontstaat er zo conflict tussen verschillende doelen.

De Makomboki fabriek in Murang’a zette afgelopen jaar een belangrijke stap in de strijd tegen klimaatverandering. De fabriek stookt niet meer op hout, maar laat de machines draaien op de schillen van macadamia- en cashewnoten, afval van een naburige notenfabriek. ‘Er was steeds minder hout beschikbaar in de omgeving, op een gegeven moment moesten we wel 100km rijden om het te kopen’, vertelt manager John Gitao. ‘Sinds we overgestapt zijn op biomassa besparen we bijna 20.000 bomen per jaar.’ Naast de overstap naar biomassa bezuinigt de Makomboki fabriek op energie. ‘De komende drie jaar willen we ons energieverbruik met 10% terugbrengen’, vertelt Gitao, terwijl we door de lawaaierige hal vol machines lopen waar de groene bladeren worden getransformeerd tot de zwarte thee zoals wij die kennen. ‘Dat kan bijvoorbeeld door efficiënter te gaan werken’, zegt hij. ‘Nu draait de fabriek 16 uur per dag, maar ik denk dat dezelfde hoeveelheid thee in een paar uur minder verwerkt kan worden.’ De fabriek voerde het bezuinigingsplan door in samenwerking met het Engelse theemerk Taylors of Harrogate, maar inmiddels is het voor alle theefabrieken in Kenia verplicht.

Van MVO naar risicomanagement

‘In de theesector moeten bedrijven echt het voortouw nemen. De overheid neemt weinig eigen initiatief, maar neemt de veranderingen die door het bedrijfsleven worden ingezet uiteindelijk wel vaak over’, zegt Jane Nyambura, regional manager van Ethical Tea Partnership (ETP) in Oost-Afrika. In samenwerking met het bedrijfsleven biedt de ETP ‘beyond certification’ ondersteuning aan boeren, zoals trainingen over klimaatadaptatie. Nyambura heeft weinig vertrouwen in de bijdrage van de nationale overheid. ‘Er worden regelmatig conferenties gehouden, maar die hebben nog niet tot concrete adaptatieplannen geleid. Ik vind het onverstandig om financiering voor adaptatie via de overheid te laten lopen, dat wordt toch niet efficiënt besteed. Het is weggegooid geld.’

Voor theebedrijven heeft investeren in klimaatadaptatie wel prioriteit. ‘Door aanhoudende klimaatgerelateerde uitdagingen, onzekere markten en fluctuerende grondstoffenprijzen is het belangrijker dan ooit onze eigen aanvoer van grondstoffen veilig te stellen’, schrijft Unilever CEO Paul Polman in de recent verschenen voortgangsrapportage van haar Sustainable Living Plan. Volgens Marc Monsarrat, directeur Afrika en internationaal coördinator thee bij Rainforest Alliance is de manier waarop bedrijven hun waardeketens zien totaal anders dan tien jaar geleden. ‘Bedrijven zijn bezorgd over de levensvatbaarheid van de theesector in de toekomst’, zegt hij. ‘Daarom zijn ze wel gedwongen om een lange termijn visie te ontwikkelen en in hun ketens te investeren.’ Ook Nyambura ziet een groeiende betrokkenheid van de private sector. ‘Steeds meer bedrijven kiezen ervoor om de samenwerking met een klein aantal leveranciers te versterken, zodat ze de kwaliteit maar ook de omstandigheden op sociaal en milieugebied op een hoog niveau kunnen brengen’, zegt zij. ‘Vroeger hadden theebedrijven zoveel verschillende leveranciers dat ze geen idee hadden hoe het eraan toeging in de praktijk. Daardoor liepen ze meer risico op reputatieschade als er iets mis bleek te zijn.’

Farmer Field Schools

Sinds enkele jaren koopt Unilever voor haar Lipton thee naast bij grote plantages ook bij kleine boeren. Het bedrijf doet zaken met de Kenya Tea Development Agency (KTDA), die alle kleinschalige boeren van Kenia vertegenwoordigt en de verwerkingsfabrieken in beheer heeft. Dankzij de organisatie binnen de KTDA is het relatief eenvoudig om boeren te mobiliseren en trainingen te geven. In 2006 startte de KTDA is samenwerking met Unilever de Farmer Field Schools (FFF’s), een trainingsprogramma dat theeboeren helpt hun productie en inkomsten te verhogen en hun werkwijzen te verduurzamen. Sinds eind 2015 zijn alle Keniaanse theeboeren bovendien Rainforest Alliance gecertificeerd.

‘De Good Agricultural Practices die onderdeel zijn van de Rainforest Alliance standard helpen boeren om hun productie te verduurzamen en zich tegelijkertijd te wapenen tegen klimaatverandering, zegt Monsarrat. ‘Boeren moeten het gebruik van pesticiden en kunstmest bijvoorbeeld verminderen en de bodem goed conserveren, waardoor het risico op erosie afneemt.’ In de vernieuwde Rainforest Alliance standaard, die volgend jaar uitkomt, worden de eisen op het gebied van klimaatadaptatie en mitigatie verhoogd.  ‘We hebben een aantal eisen uit onze vrijwillige klimaatmodule overgenomen in onze basisstandaard, zodat ze voor iedereen gelden’, vertelt Monsarrat.

Maar alleen certificering is niet voldoende om boeren voor te bereiden. De Ethical Tea Partnership ontwikkelde samen met de Duitse ontwikkelingsorganisatie GIZ en Solidaridad een ‘Adapting to climate change manual’ voor trainers van de Farmer Field Schools. ‘De FFF’s vormen de ideale structuur om boeren voor te lichten over de gevolgen van klimaatverandering’, zegt Nyambura. De handleiding bevat praktische adviezen zoals het planten van schaduwbomen, de introductie van nieuwe droogte-resistente theevarianten en zorg voor een vruchtbare bodem. ‘De schaduwbomen bieden bescherming tegen de warmte, maar ze zijn nog belangrijker voor het tegenhouden van neerslaande vorst’, legt Nyambura uit. ‘Daarnaast hameren we op diversificatie, zodat de boeren niet volledig van thee afhankelijk zijn als er een oogst mislukt.’ Theeboer Muhematega verbouwt naast thee ook aardappelen en mais en heeft twee koeien.

De bereidheid van boeren om hun manier van produceren aan te passen is sterk gegroeid, merkt Nyambura. Bijna alle deelnemers aan de trainingen zijn echter boven de 50. ‘Dat komt omdat weinig jongeren de theeproductie nog interessant vinden’, zegt ze. ‘We moeten innovatieve manieren vinden om jongeren weer te interesseren voor thee.’ De theeprijzen liggen laag, omdat er wereldwijd nog steeds een overschot aan thee is. Met de steeds grotere effecten van klimaatverandering wordt thee verbouwen nog onzekerder en minder aantrekkelijk. ‘Wij willen niet dat onze kinderen afhankelijk worden van de theeproductie’, zegt theeboer Muhematega. ‘Gelukkig kan ik een goede opleiding voor ze betalen, zodat ze andere mogelijkheden hebben.’

Coherente aanpak

Het besef van de negatieve gevolgen van klimaatverandering is sterk doorgedrongen in de theesector in Kenia. Voor theeboeren is het onderdeel van de dagelijkse realiteit. Bedrijven en non-profit organisaties zijn goed op weg om deze kwetsbare groep ondersteuning te bieden. Ook de internationale gemeenschap heeft met de SDG´s en het klimaatakkoord van Parijs vooruitgang geboekt op de weg naar duurzame ontwikkeling. De overheid moet echter nog grote stappen zetten in het ontwikkelen van een nationaal adaptatieplan. Daarmee zouden ze een belangrijke coördinerende rol kunnen vervullen, waardoor verschillende belangen en initiatieven uit de private sector beter op elkaar aansluiten. Net als in de andere sectoren die ik onder de loep nam, ontbreekt in het Keniaanse klimaatbeleid een coherente nationale aanpak, waardoor verschillende ontwikkelingsdoelstellingen elkaar in de weg zitten.

De meeste internationale bedrijven, maatschappelijke- en natuurorganisaties en binnenlandse boeren die ik sprak lijken zich goed bewust van hun verantwoordelijkheid op het gebied van duurzame ontwikkeling, maar missen de coördinatie vanuit de overheid. Misschien is het ook daarom dat er een kloof bestaat tussen internationale doelstellingen als de SDG’s en de dagelijkse praktijk. Een betere verbinding daartussen zou kunnen zorgen voor een meer gecoördineerde ontwikkeling uit de armoede. Want met haar ondernemende bevolking en vruchtbare land heeft Kenia veel in haar mars.