Jan Pronk: De SDG’s zouden moeten leiden tot veel meer kritiek op het Nederlandse beleid

janpronkHij was nauw betrokken bij  jaren ’90 in de aanloop naar de ondertekening van de historische Millenniumverklaring. De acht Millennium Ontwikkelingsdoelen die aanvaard werden door de internationale gemeenschap in 2000 en die afliepen in 2015 zijn inmiddels vervangen door de Sustainable Development Goals (SDG’s). Als oud-minister van ontwikkelingssamenwerking heeft Jan Pronk het ambitieuze project van de VN door de jaren heen op de voet gevolgd. In het kader van het online debat ‘Ready for Change’ ging Vice Versa bij hem langs om hem te vragen naar zijn visie op de SDG’s. ‘Waarschijnlijk weten de Ruttes van deze wereld niet eens wat ze ondertekend hebben.’

We treffen Jan Pronk op het Instituut of Social Studies in Den Haag. Terwijl veel van zijn leeftijdsgenoten al achter de geraniums zitten, geldt dat zeker niet voor Jan Pronk. Zijn agenda staat nog altijd bomvol werkafspraken. Ook laat hij in het publieke debat nog altijd van zich horen. Zijn boodschap is vaak zeer kritisch ten aanzien van het bestaande beleid. Wanneer we hem vragen naar het Nederlandse klimaatbeleid, is zijn antwoord kraakhelder. ‘Je moet je toch doodschamen dat Nederland in de achterhoede behoort wat betreft duurzame energie.’ Ook het huidige Europese vluchtelingenbeleid is hem een doorn in het oog. ‘De manier waarop Europa met vluchtelingen omgaat staat natuurlijk haaks op de SDG’s. Wij passen gewoon mensenhandel toe, er is niks schandelijker dan dat.’

Vindt u de duurzame ontwikkelingsdoelen een stap vooruit ten aanzien van de millennium doelen?

Ja, en wel om twee redenen. De millennium doeleinden waren een zeer eenzijdige set doelstellingen. Dat kwam doordat zij in belangrijke mate gericht waren op groei binnen ontwikkelingslanden. Ondanks dat men daar bepaalde criteria als inkomensverdeling en basisbehoeften omheen gebruikten, bleef de belangrijkste indicator toch altijd groei. Daar  was destijds ook veel voor te zeggen, omdat heel veel landen toen qua gemiddeld welvaartsniveau aanzienlijk achter lagen ten opzichte van het Westen. Dat maakte echter wel dat het eenzijdige doeleinden waren. Op de tweede plaats werden de millenniumdoelstellingen maar ten dele gehaald. Toen ik in 2002 hoogleraar werd heb ik ook mijn inaugurele reden hieraan gewijd.  Ik was toen zeer pessimistisch wat betreft het halen van de doelen en de manier waarop landen zich inzetten om de doelen te vertalen in beleid. Maar uiteindelijk kan wel gesteld worden dat er de afgelopen 15 jaar toch meer is bereikt dan ik destijds voorzag. Zo is bijvoorbeeld kindersterfte  aanzienlijk achteruitgegaan. Ook doelen als levensverwachting, gezondheidszorg, moedersterfte en basisonderwijs hebben allemaal een gigantische stap vooruit gemaakt. Het blijft onvoldoende, maar we gaan wel vooruit. Toen begon de discussie over een nieuwe fase voor de millenniumdoeleinden. De uitkomst van de Rio+20 conferentie over mondiale duurzaamheid in 2012 was naar mijn mening tamelijk teleurstellend. Die declaratie was in vergelijking met de millenniumdeclaratie mager en zwak. In wezen stond daar alleen in wat het probleem was en dat bood weinig perspectief. Ik vond het knap dat de VN naderhand besliste om op een nieuwe wijze te gaan werken aan de SDG’s. De VN heeft echt geprobeerd om zoveel mogelijk mensen uit zo veel mogelijk landen te raadplegen. Er kwam dus veel meer inspraak van onder af. De onderhandelingen waren veel transparanter in vergelijking met de millenniumdoelstellingen.  De VN heeft hiervoor slim gebruik gemaakt van moderne communicatietechnologie door bijvoorbeeld vergaderingen op het internet te plaatsen. Ondanks dat ik vind dat ieder van die zeventien doelstellingen scherper geformuleerd kan worden, zijn het naar mijn mening goede uitgangspunten voor beleid. Ik heb er kanttekeningen bij, maar het totale vraagstuk dat erin zit dat kun je behapbaar maken.’

Hoe zou dat doen moeten gebeuren? Hoe creëer je de politieke voorwaarden waaronder de SDG’s kunnen worden verwezenlijkt?

‘De doeleinden kunnen gerealiseerd worden door het totale vraagstuk te verdelen over een aantal terreinen. Dat is te doen, kijk maar naar welk land dan ook. Je hebt altijd een kabinet, bestaande uit 17 of 18 ministers. Elke minister heeft een eigen verantwoordelijkheid over de SDG’s. Daarnaast is een structuur nodig waarin gezamenlijke besluitvorming plaatsvindt en waarin wordt gekeken hoe die onderwerpen onderling coherent kunnen worden gemaakt. De problematiek kan dus worden gecompartimentaliseerd op een te managen manier waarbij ieder van die onderwerpen zowel apart als samenhangend wordt benaderd. Tegelijkertijd moet die coherentie ook niet vaag worden. Het moet wel geconcretiseerd worden in alle afzonderlijke terreinen. Dat hangt dus vooral af van de structuur, en dat is ook mijn kanttekening bij de SDG’s. Ik vind de doeleinden goed, maar dan moet de structuur er ook zijn. De VN mist die structuur waardoor de discussie over het implementeren van de doelen vaak snel weer wegzakt. Daarnaast wordt de implementatie ook aan de landen zelf overgelaten. Dat is in wezen ook terecht. Alleen heeft de manier waarop het ene land zich probeert te verduurzamen consequenties voor andere landen. Het ontbreekt vaak aan één lijn. Dat moet dus worden gecoördineerd, en dat is de taak van de VN. Zij moeten alle landen monitoren en achter de broek aanzitten om met die doelen aan de slag te gaan. Ook moet de verwezenlijking van de SDG’s op een geloofwaardige manier gebeuren. Vorig jaar zijn er naar mijn mening al twee negatieve beslissingen genomen. In de eerste plaats de Addis Ababa conferentie over de financiering. Dat was schandelijk. Het hele verduurzamingsvraagstuk is zo groot dat je daar veel meer internationale financiering voor nodig hebt dan alleen maar hulpverlening aan derde wereld landen. Ik zou zelf hebben gevraagd om Internationale regels om het internationale belastingsysteem zodanig om te buigen dat ontwikkelingslanden zelf de ruimte krijgen om te ademen. Dat heeft het Westen in Addis Ababa geweigerd. Daar zit dus een behoorlijke hypocrisie in. Twee maanden daarna kwam de klimaattop in Parijs. Daarmee is het internationale klimaatbeleid in mijn ogen echt een stap achteruit gegaan. Voorheen was er een internationaal verdrag dat landen juridisch verplichtte om iets te doen en nu is weer gekozen voor een vrijwillige aanpak. De klimaatplannen geven weliswaar richting, maar ze zijn niet bindend. Daarnaast schieten ze tekort. De totale CO2 emissie ligt bijvoorbeeld veel hoger dan verwacht mag worden op basis van de plannen die zijn ingediend aan de vooravond van Parijs. Daar zit hypocrisie in. De burger wordt hiermee voor de gek gehouden. Ik ben dus over de doeleinden positief maar over de context waarbinnen dat is afgesproken ben ik tamelijk pessimistisch geworden. Mijn zorg is dat de structuren waarin die doelen moeten worden verwezenlijkt momenteel worden verzwakt. De tekenen voor de toekomst staan nu dus eigenlijk allemaal verkeerd, ondanks het feit dat de SDG’s er zijn.’

En hoe kijkt u persoonlijk aan tegen het Nederlandse beleid met betrekking tot de SDG’s?

‘Ik vind dat je een landelijke strategie moet hebben. Ook zouden landen verplicht moeten worden zich hieraan te houden. Als ik nog minister was geweest, had ik ter voorbereiding op de SDG’s gewerkt aan een nationaal plan om de SDG’s te verwezenlijken. Ik zou hier al in 2012 mee begonnen zijn omdat toen de onderhandelingen van start gingen. Dat had ik uiteraard niet alleen gedaan. Ik zou het op dezelfde manier als de VN aangepakt hebben door iedereen uit te nodigen om met ideeën te komen en dat vervolgens allemaal mee te nemen met het geheel. Ik vind dat het kabinet de SDG’s niet serieus neemt door er niet aan te werken. Niemand heeft gesproken over de noodzaak om te komen tot een nationale strategie tussen nu en 2030 om de SDG’s te verwezenlijken. Ik vind dat persoonlijk, politiek gezien een soort van falen. Mijn politieke opmerking is dan ook tweeërlei. Al die wereldleiders die de SDG’s hebben ondertekend hebben hun handtekening gezet onder het document ‘Transforming our World’. En dat is nogal wat, dat moet heel serieus word genomen. Waarschijnlijk weten de Ruttes van deze wereld niet eens wat zij hebben ondertekend, maar ze moeten zich er wel aan houden. Geef ze een schop onder de kont en zegt: dit heb je afgesproken en dus moet je dat ook doen. Mijn tweede punt is gericht aan al die verschillende groepen die in alle landen bezig zijn geweest om hun politici zover te krijgen dat ze de SDG’s hebben geaccepteerd. Want in belangrijke mate hebben we de SDG’s toch te danken aan de civiele samenleving. Die groepen moeten niet denken dat het met het aannemen van die verklaring in september gedaan is. Nu moet men echt gaan politiseren. En er gebeurt niks.’

Dus u vind dat de Nederlandse politiek nu te weinig doet?

‘Die doet helemaal niks! De Nederlandse politiek doet helemaal niks en de civiele samenleving doet te weinig. Men gaat achteroverleunen, want we hebben nu een schitterende verklaring. Ik vind dat niet verstandig. Het is weliswaar een mooie verklaring, maar wat gaan we er nu echt mee doen? Als je kijkt naar het grote geheel, dan schieten we bij heel veel van die doelstellingen op weg naar 2030 behoorlijk te kort. De samenleving refereert daar niet aan. Dit moet een hoofdthema zijn voor de komende jaren; dit zou een hoofdthema moeten zijn voor de voorbereiding van verkiezingsprogramma’s voor alle partijen in Nederland. Het speelt alleen totaal geen rol, en dat is jammer. En dat ligt niet aan die verklaring. Dat ligt aan de samenleving, en aan de politieke leiders. Vaak is de uitvoering van een plan veel belangrijker dan het plan zelf, en met de SDG’s is het net zo. De SDG’s zijn een soort regeringsverhaal voor de wereld die uiteindelijk vallen of staan op de uitvoering ervan. Deze doelen kunnen niet zomaar opzij worden geschoven door te doen alsof ze niet bestaan. Integendeel, nu moet worden begonnen aan de uitvoering en dat is onvoldoende georganiseerd. Er zou een basisbeweging moeten ontstaan voor duurzame ontwikkeling waarbij de doelen  vertaald gaan worden in beleid. Ook vind ik dat in Nederland een kloof is ontstaan tussen het denken over onderwerpen als de SDG’s en de vertaalslag daarvan in beleidskritiek. Deze doelen zouden moeten leiden tot veel meer kritiek op het Nederlandse beleid. Vooral op de huidige stelling dat verduurzaming via de markt moet gebeuren. Verduurzaming van bedrijven is namelijk alleen duurzaam voor zover zij denken winst te kunnen maken. Dat is natuurlijk ook hun voornaamste taak, maar dat is dus niet duurzaam. Ik vind het zeer kwalijk dat de Nederlandse overheid dat aan bedrijven overlaat. We moeten dus de structuren verbeteren door er mensen neer te zetten die verantwoording durven af te leggen aan álle kiezers. Mensen die écht durven te leiden, en niet als managers optreden. Politiek is management geworden, in plaats van politiek.’