Op zoek naar het echte verhaal in de theevelden van Kenia

Foto LinkedIn

De files en uitlaatgassen van Nairobi maken langzaam plaats voor prachtige groene heuvels. Het regenseizoen loopt op zijn einde, waardoor de boerenakkers waar we langs rijden uitbundig begroeid zijn met mais, aardappelen en kool. Ik ben op ‘Factfinding mission’ in Kenia, om te onderzoeken wat de Sustainable Development Goals (SDG’s) op het gebied van waardeketens en klimaat betekenen in een land dat zich razendsnel ontwikkelt.

Hoe rijm je die prachtige, maar ook wat abstracte duurzame ontwikkelingsdoelen met de praktijk van alledag in Kenia? Ik kom er al snel achter hoe moeilijk het is om die twee werelden bij elkaar te brengen. Voor de artikelen die ik de afgelopen weken voor het Ready for Change-debat schreef, dook ik in de wereld van internationale verdragen, beleidsstukken en discourse. Hier in Kenia blijkt zelfs een woord als duurzaamheid ontwikkelingsjargon te zijn.

Vandaag ben ik op weg naar de theevelden van Murang’a, om te zien hoe de Makomboki theefabriek en de kleinschalige boeren in de omgeving omgaan met de effecten van klimaatverandering. Sinds kort gebruikt deze fabriek de schillen van macadamianoten als brandstof, in plaats van hout dat in de omgeving wordt gekapt. Daar wil ik graag meer over weten, maar het meest benieuwd ben ik naar de ervaringen van de theeboeren zelf. Merken zij dat het weer verandert en heeft het effect op hun oogst? Wat hebben ze nodig om te kunnen blijven verbouwen?

Tabitha neemt me mee over een modderig paadje dat tussen de steile theevelden omhoog slingert. Ze geeft les op verschillende farmer field schools, waar boeren een jaar lang les krijgen over onderwerpen als productieverhoging, diversificatie en dus ook klimaatverandering. Op het keurig bewerkte land van de eerste theeboer aangekomen wijst Tabitha op de fruitbomen en de veldjes met pompoen en aardappel. Ze benadrukt hoe goed de boer aan diversifiëring doet, zodat hij niet alleen afhankelijk is van thee. Ik krijg de indruk dat hij een modelboerderij heeft, die niet toevallig het dichtste bij de fabriek ligt. Het enige wat ontbreekt is de boer zelf.

Tabitha wil weten waarom ik beslist met boeren wil praten, ik kan hier toch ook zien dat het er prima uitziet? Na wat aandringen neemt ze me mee naar een theeveld een paar honderd meter verderop. Daar wil boer Jackson ons te woord staan. Terwijl ik hem van alles vraag over zijn thee, zijn toekomstplannen en zijn kijk op klimaatverandering bekruipt me het gevoel dat mijn vragen voor hem moeten aanvoelen als een kruisverhoor. Hij lijkt vooral op zoek te zijn naar het antwoord dat ik graag wil horen. ‘Ik heb zoveel geleerd van de farmer fields schools, de trainingen over productieverhoging en diversificatie hebben mijn leven veranderd’,  herhaalt Jackson een paar keer. Ik word er een beetje wee van. Tabitha doet ook ijverig haar best om mij te overtuigen, als Jackson mijn vraag niet meteen begrijpt geeft ze snel antwoord in zijn plaats.

Ik probeer een beetje bij haar weg te lopen zodat ik het échte verhaal van Jackson zelf kan horen, zonder het ontwikkelingsjargon van de trainingen van de farmer field schools. Maar ben ik met mijn onderzoek naar de Sustainable Development Goals niet de belichaming van dat jargon? Hoe meer ik vraag, hoe meer onbegrip ik oogst. ‘Are you happy now?’ vraagt Tabitha na een tijdje ongeduldig.

Natuurlijk weet ik dat een flitsbezoek van een dag niet genoeg is om werkelijk te doorgronden wat hier allemaal speelt. Ik ben me er meer dan ooit van bewust hoezeer mijn afkomst de antwoorden die ik krijg beïnvloedt. Het feit dat ik een wit meisje ben dat geen woord Kiswahili spreekt en het feit dat ik hier ben met de trainer van de farmer field school, maken het moeilijk om het échte verhaal te vinden waar ik zo naar op zoek ben. Het is maar de vraag of dat echte verhaal eigenlijk wel bestaat. Met dat bewustzijn en het besef van de afstand tussen onze werelden ga ik mijn uiterste best doen om zoveel mogelijk te begrijpen. De komende week doe ik verslag van mijn bevindingen en ik beloof zo min mogelijk jargon te gebruiken.