Ode aan de strijd van Afrikaanse vrouwen

ayaan-2In deze column brengt Ayaan Abukar een ode aan Afrika’s vrouwen die een belangrijke strijd hebben geleverd aan democratie en rechtvaardigheid maar ten onrechte vaak in de geschiedenisboeken over het hoofd worden gezien.

In de loop van de geschiedenis hebben Afrikaanse vrouwen zich ingezet voor de strijd om democratie en rechtvaardigheid. Maar het lijkt alsof de geschiedenis van tegenmacht in Afrika gedomineerd wordt door mannelijke activisten; historici hebben de neiging om de nadruk te leggen op hun aandeel in de dekolonisatie van Afrika. Ik heb me altijd verbaasd over het ontbreken van verhalen over de moedige vrouwen die een onmisbare rol speelden in de koloniale en postkoloniale tijd.

Die functie van Afrikaanse vrouwen in het organiseren van verzet wordt vaak miskend en onderbelicht, als een onderdeel van een langdurige trend die indirect bijdraagt aan het beperken van hun politieke en sociale rechten.

Uit de geschiedenisboeken blijkt dat strijders als Kwame Nkrumah, Thomas Sankara en Nelson Mandela door hun daden de vrijheid en onafhankelijkheid dichterbij brachten. Maar wie verder zoekt wordt verrast door de ongelofelijke bijdragen die vrouwen in onder meer Ghana, Congo, Somalië, Angola, Algerije, Mali en Senegal hebben geleverd, door de offers die ze hebben gebracht.

In Ghana, bijvoorbeeld, vertrouwde Kwame Nkrumah – als leider van de Convention People’s Party (CPP) – in grote mate op vrouwen in de stedelijke en rurale gebieden voor de strijd om onafhankelijkheid en voor de postkoloniale periode. In 1951 selecteerde de CPP vrouwen als Leticia Quake, Hanna Cudjoe, Ama Nkrumah en Sophia Doku als secretaresses van propaganda, die door het hele land moesten reizen om nieuwe leden te werven en de boodschap van de partij te verspreiden – met de onafhankelijkheid van Ghana als hoofddeel, alsook het verbeteren van de situatie voor vrouwen.

C.L.R. James schreef in zijn boek Nkrumah and the Ghana Revolution dat in de strijd voor onafhankelijkheid ‘een marktvrouw veel meer waard was dan een dozijn afgestudeerden’.

Talloze vrouwen meldden zich aan als vrijwilliger. Hanna Kudjoe was een van hen. Ze was sterk betrokken bij vreedzame acties, zoals de campagne van massale burgerlijke ongehoorzaamheid die uiteindelijk leidde tot het einde van de koloniale overheersing. Aan de andere kant van het continent waren ook Somalische vrouwen enorm betrokken bij de strijd voor onafhankelijkheid, ze hadden zich in groten getale aangemeld bij de net opgerichte Somali Youth League (SYL). De meeste actieve vrouwen waren gescheiden ofongehuwde vrouwen uit de grote steden – ze werden de zusters van de SYL genoemd en hielden zich, net als hun lotgenoten in Ghana, bezig met het werven van nieuwe leden voor de partij, met het promoten van een nationalistische identiteit, met het organiseren van demonstraties, geldinzameling en het opstellen van een stevige basis voor de partij. Ze gebruikten taal en poëzie om mensen te mobiliseren voor de strijd.

Daarom is het opmerkelijk dat historici de Somalische strijd voor onafhankelijkheid en nationalisme vaak als een mannenbeweging beschrijven – zèlfs het standbeeld in Mogadisjoe van Hawa Osman (Hawa Tako), de Somalische strijdster die in 1948 is vermoord, is bewust tot symbool tegen het kolonialisme gesteld en niets meer dan dat. Maar zij is bij uitstek een dappere vrouw! Sterker nog: in alle verhalen over de SYL ontbreken de vrouwen volledig, ze staan niet op één foto; op de allerbekendste zie je vijftien mannen, als vanzelfsprekend.

In de postkoloniale tijd waren Afrikaanse vrouwen evenzeer van belang in de vorming van de nieuwe natiestaten en in de strijd voor gelijkheid. Zelfs in de recente geschiedenis van bloedige burgeroorlogen hebben Afrikaanse vrouwen hun strijd voor vrede voortgezet. Vrouwen zoals Leymah Roberta Gbowee – de Liberiaanse vredesactiviste – en vele anderen zijn wereldwijd inspirerend geweest voor miljoenen vrouwen en mannen die ongeacht alle tegenslagen zich blijven inzetten voor vrede. Leymah Roberta Gbowee kreeg samen met Ellen Johnson-Sirleaf  in 2011 de Nobelprijs voor de Vrede als ultieme erkenning.

Een erkenning die wat mij betreft verder moet gaan dan een eenmalige prijs. Het moet verankerd worden in de geschiedenisboeken. De verhalen van vrouwen als Hanna Kudjoe en Hawa Tako verdienen een prominente plek in de geschiedschrijving, naast de mannen met wie ze gestreden hebben. Het is niet alleen belangrijk voor de algemene kennis, maar draagt eveneens bij aan de wijze waarop Afrikaanse samenlevingen kijken naar vrouwen en het vormt een fundament in de huidige strijd voor vrouwenrechten en politieke participatie.