Macht en ongelijkheid in de nieuwe Vice Versa

Een serie van drie interviews over macht en ongelijkheid volgens drie vrouwelijke hoogleraren: Irene van Staveren, Rivke Jaffe en Marja Spierenberg. Macht en ongelijkheid in de economie, in de stad en op het platteland. Lees erover in de nieuwe Vice Versa..

Ongelijkheid en economie verhouden zich op veel manieren tot elkaar, zoals econoom en professor Irene van Staveren op drie punten aantoont: hoe alternatieve theorieën het afleggen tegen het dominante neoliberalisme, hoe testosteron in het zakenleven nog steeds de boventoon voert en hoe arm en rijk verder uiteen groeien.

Zeventig procent van de wereldbevolking zal in 2050 in de stad wonen. Als geen ander analyseert hoogleraar Rivke Jaffe hoe ongelijkheid is verdeeld over de ruimte. Een divers gesprek over gentrificatie, favela’s, reggae en stedelijke ‘sleutels’.

Landregistratie en -hervorming zijn alom geprezen als hèt recept tegen landroof – maar soms is het effect averechts. Marja Spierenburg, hoogleraar aan de Radboud Universiteit, geeft via Mugabe’s beginjaren in Zimbabwe, schaalvergroting, olifanten en – wederom – het neoliberalisme haar visie op land en ongelijkheid.
 

‘De filantropie is een game changer geworden’

Filantropische fondsen worden steeds belangrijker binnen de wereld van de mondiale samenwerking – ook ontwikkelingsorganisaties weten hen vaker te vinden. Een vraaggesprek met Rien van Gendt, de ‘mister filantropie’ van Nederland. . ‘Het gaat bij fondsen niet alleen om geld, maar vaker om het bedenken van oplossingen voor problemen in de samenleving. Ze willen het verschil maken.’

 

Universele kunst blijft het voorrecht van de westerling

Het Prins Claus Fonds voor Cultuur en Ontwikkeling bestaat twintig jaar. Het ondersteunt cultuurprojecten in niet-westerse landen, maar er is een keerzijde aan de mecenasrol van organisaties als deze. Buitenlandse donoren geven een belangrijke financiële impuls aan de kunstscene in ontwikkelingslanden, maar zij trekken met hun maatschappelijke agenda kunstenaars ook een creatieve dwangbuis aan. Een essay van Nathalie Paarlberg.

 

‘Efficiëntie’ als rookgordijn

Het terugbrengen van het aantal Nederlandse partnerlanden van 33 naar vijftien onder het eerste kabinet-Rutte laat zich het best omschrijven als een bezuinigingsoperatie, terwijl het op papier om efficiënter en effectiever beleid ging. De voormalige Nederlandse ontwikkelingsprogramma’s werden nauwelijks overgenomen door andere donoren en de uitfasering is (te) snel doorgezet, concludeert de IOB.
 

Lepra geneest vlugger dan de wonden van het stigma

Een innovatie zorgt voor extase bij de Nederlandse Leprastichting. Kan de stigmatiserende ziekte nu eindelijk de genadeslag worden toegebracht? Vice Versa ging mee naar Indonesië. Een reportage.

 

Thuiskoks, gedeelde auto’s en buurtklussers: de opmars van het ‘prosumentisme’

‘Sociaal, duurzaam, economisch veerkrachtig’, zo klinkt in het Westen de belofte van de deeleconomie voor onze steden. Geldt die eveneens voor ontwikkelingslanden? En welke bijdrage is nodig om het vele delen waar te maken? Een opiniebijdrage van Samantha van den Bos en Matthijs Nederveen

 

Vaste rubrieken

Plus natuurlijk de vaste columns van Jan Pronk, Ayaan Abukar, Paul Hoebink en Ellen Mangnus.

 

Wil je dit nummer ontvangen? Neem dan snel een abonnement op Vice Versa en krijg het nummer nagestuurd!

 

  • Toon van Eijk

    Met veel belangstelling heb ik het uitermate relevante interview met Irene van Staveren gelezen in deze Vice Versa. Daarin komen o.a. de volgende onderwerpen ter sprake: de religie/geloof/blackboxtheorie van de neoklassieke economie, de noodzaak van een paradigmawisseling, het gebrek aan visie en verbeelding, het morele kompas van individuele bankmedewerkers en de (eerdere) platte organisatie van de Rabobank (desondanks toch in financiële schandalen terecht gekomen), de kunstmatigheid van het maatschappelijk verantwoord ondernemen van grote bedrijven, burgers die zelf aan de slag gaan, etc. Aan het eind van dit interview zegt Van Staveren: “Er gebeurt veel. Er zijn zóveel burgers die niet wachten totdat er eindelijk alternatieve economische ideeën worden geïmplementeerd, maar zelf aan de slag gaan. Het is bij lange na niet genoeg, al weiger ik gefrustreerd te raken”. Uiteindelijk hebben al de boven vermelde onderwerpen te maken met ‘Civic Driven Change’ (CDC): het zelf aan de slag gaan van burgers. Biekart en Fowler (in 2008/9 tevens ISS staf) hebben interessante dingen geschreven over CDC. Maar mijns inziens komen de benodigde paradigmawisseling en een beter moreel kompas van burgers (in hun hoedanigheid van consument en producent in de markt, als lid van maatschappelijke organisaties, en als stemmer en belastingbetaler in het politieke domein) niet tot stand zonder meer aandacht voor spirituele ontwikkeling. Voor meer informatie over mijn zienswijze en publicaties verwijs ik graag naar mijn website: http://www.toon-van-eijk.nl

  • Toon van Eijk

    Dank voor het interessante en relevante interview met Marja Spierenburg. Zij zegt dat ze zich wil richten op de groeiende groep mensen die ‘overbodig’ lijkt te worden. ‘Die niet kan boeren, maar haar heil ook niet kan vinden in de stad. Hoe ga je daarmee om? Wat voor beleid is daarvoor te verzinnen? Beleid dat dieper gaat dan slechts werkgelegenheidsprogramma’s, maar dat ook de onderliggende structuren (van ongelijkheid, onderwijs, toegang tot gezondheidszorg) aanpakt?’.
    In sub-Sahara Afrika (SSA) is de groeiende groep ‘overbodige’ mensen mijns inziens inderdaad een van de grootste, zo niet de allergrootste, uitdaging. Door de ‘modernisering’ van de landbouw (historisch gezien welhaast onvermijdelijk) zullen miljoenen kleine boeren uit de landbouwsector gestoten worden – en dat zonder de beschikbaarheid van alternatieve bronnen van werkgelegenheid. Welke andere economische sector kan op de korte en middellange termijn talrijke banen op leveren voor laaggeschoolde arbeiders? In vele Aziatische landen was, en is, dat in eerste instantie de textielindustrie, maar kan SSA nu nog efficiënt en effectief concurreren op de wereldmarkt met deze eerdere industrialisatiepogingen? Een ICT en/of dienstensector vraagt om (relatief weinig) hoogopgeleid personeel en een goede infrastructuur. Dat is dus geen realistisch alternatief voor de grote aantallen uitstromende boeren in SSA. Toen mijn eigen familie op het Brabantse platteland in de 60-er jaren door de ruilverkaveling uit de landbouw gestoten werd, konden mijn vader en alle ooms (vrouwen werkten, behalve op het land, nog niet buitenshuis) gemakkelijk ander werk vinden. Dat is nu niet het geval in SSA.
    Het probleem van onderliggende ongelijkheid-bevorderende maatschappelijke structuren komt daar nog bovenop. Ook hier kan onze eigen geschiedenis verheldering en hopelijk richtingen voor oplossingen bieden. In deze context zijn de Nederlandse boerencoöperaties, die reeds eind 19e eeuw het levenslicht zagen, cruciaal gebleken. Hoewel de opvolger van de ‘boerenleenbanken’ – i.c., de Rabobank – er recentelijk een zooitje van heeft gemaakt, is en blijft coöperatievorming noodzakelijk voor de opbouw van economische, politieke en sociaal-structurele tegenmacht. Voor meer informatie over bovenstaande onderwerpen verwijs ik graag naar mijn website: http://www.toon-van-eijk.nl