VICE VERSA - journalistiek over mondiale samenwerking
 

journalistiek
over mondiale
samenwerking

‘In een kenniseconomie duw je mensen niet in een keurslijf’

Door Selma Zijlstra & Anne Rensma


Prof. Dr. Marja Spierenburg
(foto door Leonard Fäustle)

Wat is de rol van wetenschap in de maatschappij? En hoe spelen snel veranderende politieke en economische factoren daarin een rol? Vice Versa spreekt erover met Marja Spierenburg, hoogleraar Ontwikkelingsstudies aan de Radboud Universiteit. ‘Je kunt streven naar het hebben van invloed, maar kun je wetenschappers afrekenen op het feit dat hun boodschap niet altijd even welkom is?’ Deel twee in de NWO-WOTRO reeks.

 

De rol van wetenschappers in de samenleving is sinds jaar en dag een klassiek twistpunt. Het karikaturale beeld van de stoffige professor in de ivoren toren, die doet waar hij of zij zin in heeft, lijkt achterhaald – de wetenschapper van vandaag mengt zich actief in het publieke debat. Echter, wetenschappers lijken zich nu vooral te moeten bewijzen in termen van valorisatie en sociale invloed. Maar wat is de maatschappelijke waarde van de wetenschapper en hoe betrek je niet alleen de burger, maar ook het bedrijfsleven, de politiek en de sociale partners bij de wetenschappelijke agenda?

 

Vice Versa spreekt erover met Marja Spierenburg, bij haar thuis – terwijl het herfstzonnetje achter de huizen van Amsterdam-West verdwijnt. Spierenburg, hoogleraar aan de Radboud Universiteit en gespecialiseerd in Afrikaanse landrechtenkwesties, reisde als student naar Zimbabwe en Botswana om een vriendin op te zoeken. Ze was zo geïntrigeerd door de landen dat ze besloot om naast sociale psychologie ook culturele antropologie te gaan studeren. Toen ze voor haar afstudeeronderzoek weer in Zimbabwe terechtkwam, raakte ze geïntrigeerd door het fenomeen landrechten. Haar interesse in de herverdeling en restitutie van land – en de sociale en culturele gevolgen ervan – zorgde dat ze voor haar promotieonderzoek terugkeerde in de Zambezi-vallei. Toen het enkele jaren later te gevaarlijk werd om haar activiteiten in Zimbabwe voort te zetten, besloot Spierenburg (‘net als veel van mijn Zimbabwaanse collega’s’) haar onderzoek te verplaatsen naar Zuid-Afrika en Mozambique.

 

Spierenburg ondervond dat landhervorming, schaalvergroting en het moderniseringsdenken van veel Afrikaanse leiders – gestimuleerd door het IMF en de Wereldbank – grote sociale ongelijkheid tot gevolg kan hebben. De grote groep werklozen die daarvan het gevolg is, kan door de nieuwe groeisectoren – zoals de creatieve sector in Zuid-Afrika – niet worden geabsorbeerd. Game farms – tot jachtboerderijen omgevormde landbouwgebieden – worden vaak gezien als een bron van werkgelegenheid, maar in de praktijk blijkt dat nauwelijks het geval. Bovendien lijken ook in de reguliere landbouw de arbeidsplaatsen alleen maar af te nemen. Die steeds grotere ongelijkheid in relatie tot culturele diversiteit is een belangrijk onderwerp in Spierenburgs werk: ‘Welke rol speelt etniciteit in dit soort conflicten over land?’ vraagt ze retorisch. ‘Worden groepen gemarginaliseerd? Werpen ze de etniciteit, de identiteit in de strijd?’

 

Hoe verhouden deze thema’s zich tot het maatschappelijke debat? Kan een wetenschapper actief een beleidsmaker adviseren, en waar houdt de maatschappelijke verantwoordelijkheid in die zin op? Marja Spierenburg mengt zich in Nederland weinig in de discussie: ‘Ik heb er meer tijd in gestoken om dáár met beleidsmedewerkers en ngo’s in contact te komen. Over de jachtboerderijen en over de grensoverschrijdende beschermingszones, onder meer.’

 

U bent niet lang geleden benoemd tot hoogleraar Ontwikkelingsstudies. Gaat u nog een oratie geven? Over welk onderwerp?

 ‘Ja, wat ik interessant vind is de groeiende groep die “overbodig” raakt, die tussen het platteland en de stad in zit. Ik ben nu met een collega in Zuid-Afrika bezig met een project in een gebied waar steeds meer mensen van het platteland worden verdreven. Die wonen in informele nederzettingen, rond kleine stadjes op het platteland, ergens tussen boerderijen. En niemand weet wat men met hen aan moet. Dus iedereen die met een project komt wat “veel werkgelegenheid” zal opbrengen, wordt daar met open armen ontvangen. Dat is waarnaar ik wil kijken; naar die belofte, wat ervan terecht komt. Maar ook naar het reduceren van ontwikkeling tot werkgelegenheid.’

 

Bedoelt u dat er enkel wordt gekeken naar banen voor nu, in plaats van de structuren erachter?

 ‘Ja, je moet kijken om wàt voor werkgelegenheid het gaat, voor wie en onder welke voorwaarden. Soms wordt een boer van zijn land gezet om daar suikerriet op te verbouwen voor bio-ethanol. En als diezelfde boer vervolgens drie maanden per jaar voor een hongerloontje ongelooflijk smerig en gevaarlijk rotwerk mag doen om dat suikerriet te kappen, , dan ga je er niet op vooruit.’

 

Waarin wilt u zich onderscheiden als wetenschapper?

 ‘Ik kijk meer naar algemene processen van ontwikkeling, al hadden Ruerd Ruben en Paul Hoebink (de voorgangers van Spierenburg, red) er ook aandacht voor. Hoe zit het met verschuiving in werkgelegenheid? Hoe zit het met de groeiende middenklasse; hoe wordt die gedefinieerd? En wat gebeurt er met de andere groepen? Wat is het denken achter de duurzame-ontwikkelingsdoelen en hoe koppel je duurzaamheid en ontwikkeling? Met sterke aandacht voor machtsrelaties en de belangen daarbinnen. Hoebink paste de analyse sterk op het Nederlandse beleid toe en hij deed ook onderzoek naar gebonden hulp, maar ik wil breder kijken.’

 

Wat doet u zelf aan het maatschappelijke, publieke debat?

‘Wel, ik ben geen veelschrijver van ingezonden brieven. Ik denk weleens dat ik ergens op moet reageren, maar dan moet ik ook een tentamen nakijken of een drukproef. Maar dit vraaggesprek grijp ik graag aan, bijvoorbeeld. Bovendien zit ik in een aantal adviesraden en heb ik contacten bij Buitenlandse Zaken. Maar ik ben vooral in Zuid-Afrika actief, met het geven van workshops en het in contact treden met beleidsmedewerkers en ngo’s.’

 

Is het op een bepaalde manier minder veilig om je ter plekke, bijvoorbeeld in Zuid-Afrika, te mengen in de discussie dan in Nederland? Gelden daar dezelfde afwegingen als hier?

‘Of het veilig is verschilt van land tot land – in Zuid Afrika mag je gerust kritiek hebben op de overheid. In Zimbabwe was dat na 2001 lastiger, maar was het vooral gevaarlijk voor de mensen onder wie je onderzoek deed naar gevoelige kwesties met betrekking tot land. Veel onderzoekers binnen het veld van ontwikkelingsstudies proberen hun onderzoeksresultaten voor het voetlicht te brengen en hopen zo iets te veranderen. Zo wordt het steeds gebruikelijker om workshops te organiseren met verschillende belanghebbenden, maar of dat dan effect heeft hangt af van de mate waarin je de belangen van de meer machtige belanghebbenden raakt. Diezelfde beperkingen kan je ook tegenkomen als je je in Nederland in het debat mengt.

‘In sommige landen is het wel gevaarlijk om je in het debat te mengen, maar dan vooral voor je gesprekspartners. Je kan om te beginnen je onderzoeksvraag op een neutrale manier presenteren, maar uiteindelijk moet je toch je resultaten presenteren op een manier die recht doet aan de positie van je gesprekspartners. We hebben de afgelopen tijd gezien dat sommige regeringen onderzoekers hier de mond proberen te snoeren. Er zijn incidenten geweest met onderzoekers die over Rwanda en Eritrea schrijven, die voor de rechter zijn gedaagd en zelfs bedreigingen ontvingen. Dat is erg zorgelijk natuurlijk. Doordat we allemaal steeds meer via internet met elkaar verbonden zijn, is het voor die regeringen makkelijk te volgen wat er over hun land wordt gepubliceerd.’

 

Is het als wetenschapper mogelijk om gerichte beleidsadviezen te geven?

 ‘Dat hangt er vanaf hoe je het doet. Ik vind dat je best advies mag geven, maar je moet wel beleidsmedewerkers hun werk laten doen. Wetenschappers zijn ook mensen met een mening, met een ideologische achtergrond. Zeker als het om dit soort onderwerpen gaat, is het niet helemaal waardevrij. Ik vind dat je daar als onderzoeker open over moet zijn. Toen wij dat project over jachtboerderijen uitvoerden, hebben wij gezegd dat we wilden kijken naar wat de gevolgen waren voor de landarbeiders. Dat is een politieke keuze, maar wel een duidelijke. Via de adviezen die wij geven, proberen we de positie van die landarbeiders te versterken – en dat zeggen we ook.’

 

Waar houdt de maatschappelijke verantwoordelijkheid dan op? Want je zou ook een activistische onderzoeker kunnen worden.

 ‘Ja, maar dan moet het ook duidelijk zijn dat je onderzoek om die reden doet. Wij hebben het aan de hand gehad bij het game farming-project, waarbij we samenwerkten met een ngo die opkwam voor de belangen van de landarbeiders. Daar waren we in principe helemaal voor, maar op een gegeven moment begon de ngo met het opeisen van alle transcripten en namen die uit het onderzoek waren gekomen om rechtszaken te beginnen. Als onderzoeker kan je dat niet doen: als je iemand anonimiteit belooft, dan moet je die ook garanderen. Wij onderzoeken processen en mechanismen, wat voor een ngo handig is, want op basis daarvan kan je vervolgens strategieën bedenken. De uitkomsten van het onderzoek kan je gebruiken om te proberen het beleid te beïnvloeden. Maar of dat lukt? Dat is waar je met de valorisatiebehoefte voor moet uitkijken; dat wanneer het beleid niet verandert, jij dan je werk niet goed gedaan zou hebben…’

 

Hoe verhoudt dat zich tot de sociale impact van de wetenschap?

‘Je kunt streven naar impact, maar kan je wetenschappers afrekenen op het feit dat hun boodschap misschien niet altijd even welkom is? We hebben in Zuid-Afrika al drie, vier jaar geleden gezegd dat game farming echt maar in een heel klein aantal gevallen een win-winsituatie is. Maar nu pas beginnen er mensen naar ons toe te komen om te vragen hoe het ook alweer in elkaar zat – niemand wilde dat verhaal toen horen. Ik vind het heel belangrijk om samen te werken met sociale partners, maar de sociale partners die ik belangrijk vind en die een belangrijke onderdeel van de samenleving zijn, hebben vaak geen geld. De machtsrelaties tussen de verschillende partners zijn dan niet gelijk.

‘Er wordt ook steeds meer contractonderzoek gedaan. Als je kijkt naar de medische wetenschappen zie je steeds vaker dat mensen daardoor het vertrouwen in de wetenschap verliezen. Er dreigt altijd het gevaar dat je achter hypes moet aanhollen, zonder – en dat gebeurt toch al te veel in Nederland – reflectie en goed nadenken, daar is weinig ruimte meer voor. Ik wil niet zeggen dat je helemaal niet aan sponsoring kunt doen, maar je moet wel goed uitkijken. Hoe doe je dat en onder welke condities? Kun je dan je onafhankelijkheid bewaren? Ik wil best in gesprek gaan, maar ik denk niet dat partners de agenda moeten dicteren. Het hele idee van co-creatie van de wetenschappelijke agenda echter, dat moet wel écht co zijn.’

 

Soms moet je dingen verdedigen.

‘Ja. Maar wij moeten ook zaken op de agenda kunnen zetten waarvan nu nog niet helemaal duidelijk is wat ze zullen opleveren, maar die wel van belang kunnen zijn. Ik heb bijvoorbeeld bij de VU onderwijs gegeven, dat deden we ook met partners, en op een zeker moment ging dat over ondernemerschap. De organisatie waarmee we samenwerkten had ten doel om ondernemerschap in achterstandswijken te stimuleren; ze had een methode bedacht en wilde dat studenten onderzochten of die werkte. Ik had een groepje studenten gemobiliseerd om daarnaast te kijken naar informeel ondernemerschap in die wijken. Vervolgens gaven we advies aan die organisatie, maar die vond het flauwekul, want we hadden slechts aan mensen moeten vragen wat ze van de methode vonden en wat er moest worden verbeterd. Ja, dan mis je dus een hele ingang! En dat vind ik ook onze taak, om breder te kijken. Dat lukt niet als je een nauwe vraag gedicteerd krijgt door maatschappij.’

 

Als het gaat om de rol die partners soms kunnen hebben in wetenschappelijk onderzoek; heeft u in sommige situaties het gevoel als consultant te worden ingehuurd, in plaats van dat er daadwerkelijk ruimte is om vraagstukken aan de kaak te stellen die voor u belangrijk zijn?

‘Je merkt soms dat bepaalde organisaties een heel praktische vraag hebben, waar eigenlijk de oplossing – die van hen – al in besloten ligt. Soms lukt het om die organisaties te overtuigen van het belang om het probleem in een breder verband te bekijken en te onderzoeken, andere keren weer niet. Door de steeds grotere druk om fondsen binnen te halen merk je wel dat de verleiding soms groot is om allerlei contractonderzoek binnen te halen, zonder heel erg kritisch te kijken naar hoe dat onderzoek bijdraagt aan de onderzoeksprogramma’s van onderzoeksgroepen. Je ziet dat onderzoekers zich daarvan meer bewust worden en inmiddels beter letten op het bewaren van hun onafhankelijkheid. Maar soms zie je wel dat onderzoekers concessies doen en hun vragen anders formuleren om toch vooral dat geld niet mis te lopen.

‘Het grappige is dat er onder onderzoekers vooroordelen bestaan over wat bepaalde belanghebbenden belangrijk vinden. Ik heb vorig jaar een evaluatie van een wetenschappelijk instituut begeleid, waarbij we een maatschappelijk panel hadden ingeschakeld met leden afkomstig uit ngo’s, de overheid en het bedrijfsleven. Tot onze verbazing bleken met name de leden uit het bedrijfsleven geïnteresseerd te zijn in inzichten in lokale politieke en historische ontwikkelingen gebaseerd op langdurig onderzoek. Dit omdat zij zelf niet de mogelijkheden hebben die diepgaande kennis te verzamelen, maar die wel belangrijk vinden voor hun initiatieven. Hier bleek ons vooroordeel over de behoefte aan direct toepasbaar onderzoek toch niet te kloppen. Of die bedrijven vervolgens financieel willen bijdragen aan dat diepgaande onderzoek is weer iets anders natuurlijk.’

 

Is het niet verdrietig dat wetenschappers proberen hun eigen ding te doen binnen de kaders van het gefinancierde onderzoek, maar niet direct hun eigen onderzoek kunnen doen?

‘Ik vind het niet erg als er in discussie met sociale partners op mijn eigen blinde vlekken wordt gewezen. Dat is gezond, daar kan een discussie met het maatschappelijk veld ook goed voor zijn. Maar het is anders wanneer ze een vraag presenteren. Daar is het geld voor, zo en zo moet je dat doen en dit moet eigenlijk de uitkomst zijn. Dan help je de wetenschap om zeep. Ik denk soms ook: als ik dit nu zó verwoord, dan past het wel bij het thema, maar ik doe geen dingen waarvan ik denk: ik heb de expertise niet, of ik vind het geen interessante vraag.’

 

Is er nu meer onderlinge concurrentie dan bijvoorbeeld in de jaren zestig of zeventig?

 ‘Jazeker. Kijk: dat de maatschappij wil weten waaraan ze geld geeft en of dat nuttig wordt besteed, dat daar een beetje controle op is, dat snap ik. Maar je moet creativiteit de ruimte geven: voor nieuwe ontdekkingen, voor nieuwe wegen die in de toekomst heel belangrijk kunnen zijn. Als je zegt dat je een kenniseconomie bent, dan moet je mensen niet in een keurslijf duwen en alleen maar met elkaar laten concurreren. Samenwerking in de wetenschap is belangrijk, die moet je niet door concurrentie in gevaar brengen.’

 

Want je moet nu zowel een goede onderzoeker zijn, alsook veel publiceren, én goed onderwijs geven, én maatschappelijk betrokken zijn…

 ‘Het is regeren op basis van wantrouwen. Terwijl ieder jaar uit de overwerkmonitor blijkt dat er nergens zo veel en structureel wordt overgewerkt als bij de universiteiten. Als je dan naar de salarissen kijkt, dan mag je ervan uitgaan dat mensen het voor een groot gedeelte vanuit een intrinsieke motivatie doen. Ik zou zeggen: heb iets meer vertrouwen in mensen. Bij aanvragen moet je ook altijd aansluiten bij specifieke thema’s, maar je moet ook in een kennisbasis investeren en kennis de ruimte bieden. Er zijn veel wetenschappers die wij nu heel belangrijk vinden, maar die met dit systeem nooit waren komen bovendrijven. Personen die op het gebied van publicaties niet het beste track record hebben, maar die wel veel hebben bijgedragen aan de maatschappij en veel debatten hebben aangezwengeld. De combinatie van dáár mee bezig zijn, én toppublicaties blijven afleveren, én excellente studenten afleveren… Het houdt wel een keer op.’

 

Vindt u, in het licht van de veranderende wereld, dat we ons niet alleen op het Zuiden moeten richten, maar ook meer op de situatie hier?

 ‘Mensen laten zich hier ook enorm tegen elkaar uitspelen – al hebben wij vangnetten die men in het Zuiden vaak niet heeft. Maar wat Thomas Piketty ook al aangeeft: wereldwijd wordt de ongelijkheid groter. De armoede in Zuid-Afrika is natuurlijk van een andere orde dan de armoede hier, maar als je kijkt naar de manier waarop er over identiteit in relatie tot de positie in de samenleving wordt gesproken, dan zie je hier gelijkaardige processen van ongelijkheid.’

 

Selma Zijlstra

Email: selma@viceversaonline.nl

Redacteur en journalist Vice Versa Selma Zijlstra studeerde Internationale Betrekkingen gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Groningen (BA) en haalde  haar master in Conflict Studies and Human Rights (cum laude) aan de Universiteit Utrecht. Haar specifieke interesses zijn: geweldloos verzet, handel(spolitiek), arbeidsomstandigheden, gender, conflict, landrechten en wetenschappelijke evaluaties. En voor zover mogelijk de combinaties daartussen.  

Anne Rensma

Email: redactie@viceversaonline.nl

Anne heeft een bachelor Franse taal en cultuur afgerond aan de UU en loopt momenteel stage bij Vice Versa.

 

Dossier:
Wetenschap

  Wat is de rol van wetenschappers in het publieke debat? Hoe gaan zij om binnen samenwerkingen met niet-wetenschappelijke partners? In hoeverre moet de wetenschap zich laten leiden door politiek en economie? Deze vragen zijn de basis voor een reeks van diepte-interviews van Vice Versa in samenwerking met NWO-WOTRO Science for global development. Iedere maandag, om de twee weken, op deze site.